Zondag 22/09/2019

Tweetakt, Zalf, Slapend kind, Aarde, Meisjes

Tweetakt

Soms is de jeugd geen kwestie van lachen, maar van gierende en brullende motoren. Aan het begin van de jaren zeventig is het voornaamste dat je knalt en dat ook laat horen. Grijze of blauwe brommers zonder knalpot, met uitgeboorde carburateur, opgevoerd met alles wat voorhanden is, met een stuur dat is omgebogen zodat je de uiteindes haast in één hand kunt houden, wat iedere bocht gevaarlijk maakt. Een bananenzadel, een vossenstaart boven het achterspatbord, de achteruitkijkspiegel verfraaid met een bewerkt randje. Een felle gashendel zodat je het beest als een Harley kunt laten steigeren. In de duurdere prijsklasse vind je machines die tot het hoogstnoodzakelijke zijn teruggebracht: de Gitane Testi, de Flandria en de Malaguti, racemonsters in miniatuur waarvan de cilinderinhoud onder de 50cc blijft en waarvan je de benzinetank moet vullen met tweetakt, een mengsel van benzine en motorolie, een rijke, dubbele natuur die bij verbranding een walm van oververhit frituurvet verspreidt.

We houden van feest, vooral van dancings met glitterorkestjes met bakkebaarden, iedere zaterdagavond in een rechthoekige prefabtent die van het ene stadje naar het andere trekt om de klassieken van de Franse halfgoden van de rock-'n-roll te laten weergalmen, afgewisseld met barokke variaties op Drupi of Mike Brant, die zowel de harten als de armen van de meisjes openen. 'Vado via'. 'Laisse-moi t'aimer'. 'Qui saura?' Wij dwalen nog door onze melktandjaren en kijken van een afstandje toe. De dancing wordt voor onze ogen opgebouwd, en nu al verspreidt de stoet illegale brommers een wolk van lawaai en races. Jongens van twintig met halflang haar, geknipt als The Rubettes of in het allerbeste geval als David Bowie in zijn Ziggy Stardust-periode of Keith Richards in Exile on Main Street. Jacks van skai, strakke truien van shetlandwol tot boven de navel, wijd uitlopende broeken die omhoog worden gehouden door een ceintuur met een brede gesp, bordeauxrode schoenen met ronde punten en hoge hakken. Molières noem je die. Meisjes in minirok of wijd uitlopende broeken klimmen achterop de brommertjes en dan kun je hun dijen zien. Ze dragen laarzen, satijnen bloesjes met lange puntkragen, groene oogleden en wimpers vol mascara. Ze roken Fine 120s of Royale Menthol King Size; hun vriendjes roken Gauloises. De volgende dag lezen we in de krant dat rivaliserende bendes elkaar bij of zelfs in de feestzaal te lijf zijn gegaan met stiletto's, bijlen en fietskettingen. We zwerven rond en speuren de grond af naar bloedsporen. Het enige wat we aantreffen zijn de geuren van verschaald bier, kots en urine. Op de weg naar Sommerviller, die langs ons huis loopt, racen op zomeravonden continu brommers met nerveuze rookwolken langs, en meer dan één ervan belandt vanwege een stompzinnige weddenschap onder de wielen van een vrachtwagen of rijdt zich te pletter tegen een onpartijdige plataan. In de warme dampen van die koortsige brommers probeer ik de geur van het volwassen leven te ruiken, zoals je aan de trilling van de dageraad hoopt te voelen hoe de dag eruit zal zien. Ik kan niet wachten tot ik ook op zo'n ding kan rijden, de stank van een garage mag ruiken en de wind in mijn haren zal voelen.

Tot op de dag van vandaag is het in Dombasle traditie dat brullende brommertjes met een kleine cilinderinhoud sterk overhellen in de bochten, met één knie tegen de grond zoals in de Grand Prix, en een blauwe rook van verbrande olie verspreiden. De scooters van de zoons hebben de brommers van hun vaders vervangen, die aan hun dagen van glorie en knokpartijen alleen de littekens van een messteek hebben overgehouden, getatoeëerde reeënogen onder hun jukbeen, drie ontbrekende tanden, een zilveren schakelarmband en onvoorstelbare laarzen. Hun buiken, indertijd bloot en plat, puilen nu uit onder hun trainingsjack. Ze maaien het gras van het krappe vierkante gazon achter hun eengezinswoning. Soms knielen ze neer om de motor af te stellen als hij sputtert en te veel verbruikt, daarna steken ze met een soldeerbout de barbecue aan om er ontdooide worsten op te bakken terwijl ze een paar biertjes drinken die ze bij de prijsbreker hebben gekocht. Hun dikke vrouwen komen naast ze op de tuinbank zitten. Vaak dragen ze hetzelfde trainingspak als zij. Vroeger leken ze op Joëlle, het knappe zangeresje van 'Il était une fois', dat op haar zevenentwintigste overleed. De dancings zijn allang verdwenen, maar ze luisteren nog steeds naar Johnny Hallyday. Af en toe stuiten ze op zondag, in een van de paden van de plaatselijke rommelmarkt waar ze naartoe gaan omdat je toch iets moet, op een te koop staande Gitane Testi, op een stoepje tussen twee kisten met oude lp's en legerjacks. Ze blijven staan en ze kijken ernaar. Wat ziet hij er klein uit. In hun herinnering was hij veel groter. Net als het leven.

Zalf

Mijn kindertijd is een tijd van ziekte. In andere tijden zou ik ongetwijfeld een prachtige kleine dode zijn geweest, nog maar net gedoopt en meteen al begraven in het kleine carré van witte, met kalkstenen engeltjes bezaaide graven op ons kerkhof. Mijn overleven heb ik te danken aan de vooruitgang van de medische wetenschap. Ik heb de juiste eeuw uitgekozen. Dokter Joachim Meyer-Bisch zie ik nog vaak voor me, met zijn mooie denkersgezicht, zijn serieuze bril en de snijtanden die zijn bovenlip iets naar achter duwen, precies zoals bij de geweldige acteur Jean Bouise, van wie ik het nog steeds betreur dat ik hem nooit heb gekend. De wachtkamer in zijn praktijk is comfortabel. Ik voel me er goed. De fauteuils van skai plakken aan je billen. Op de planken van zijn boekenkast staan uitsluitend onbegrijpelijke werken. Uit discrete luidsprekers klinken symfonieën en sonates. Zijn handen bevoelen mijn voorhoofd, mijn buik, mijn borst. Hij luistert naar mijn hart en kijkt in mijn keel, maar hij voelt nooit aan mijn ballen, in tegenstelling tot de arts van mijn vaders ziekenfonds die controleert of ik mee mag op vakantiekamp. In die tijd is het noodzakelijk dat je ballen goed zijn ingedaald om op vakantiekamp te mogen. Onze ouders kunnen niets verzinnen om daar tegenin te brengen.

Dokter Joachim Meyer-Bisch heeft een Duitse naam, maar hij is ongevaarlijk. Hij heeft niets gemeen met de mensen die in 1915 mijn oudooms en neven hebben vermoord, die onze boerderijen hebben platgebrand en in 1942 de vriendinnetjes van mijn moeder, de zusjes Lazarovitch, samen met hun hele familie, met uitzondering van één broer, hebben vergast en verbrand. Hij draagt een witte jas die hij helemaal tot bovenaan dichtknoopt, maar als hij op huisbezoek komt omdat ik te hoge koorts heb om vervoerd te kunnen worden, draagt hij een pak met stropdas en een V-halstrui. Ik zie zijn gouden vulpen weer voor me, evenals de leren tas waaruit hij zijn stethoscoop en receptenblok haalt. Hij is niet aardig en niet vals. Hij is gewoon de dokter. Hij heeft een groot gezin dat hij vervoert in een grote Mercedes. Meneer Gorius, de apotheker, heeft ook een Mercedes, maar die kan geen groot gezin hebben, want zijn auto heeft maar twee zitplaatsen. Op een dag moet ik van meneer Gorius kiezen tussen hoestdrank en aambeienzalf, omdat ik niet genoeg geld bij me heb voor allebei. Een dilemma waarover Corneille nooit een toneelstuk heeft geschreven - en dat is onterecht: moet je de voorkeur geven aan een blije keel of een gekalmeerde anus? De zalf moet voor mijn vader zijn geweest. Ik kom met lege handen thuis. Mijn moeder is razend. We veranderen van apotheek.

Zalf. Alleen al dat woord kan me nagenoeg genezen. Ik ben dol op zalfjes, alle zalfjes. De tubes of bruinglazen potjes waarin ze opgesloten zitten, hun romigheid, hun smeuïgheid, soms hun kleverigheid, hun bleke kleur als van make-up en vooral hun geur van eucalyptus, kamfer of mosterd. Mijn moeder komt naar me toe, gaat op de rand van het bed zitten en knoopt mijn pyjamajasje los. Ze doet wat zalf op haar vingertoppen, warmt hem op en brengt hem dan met zachte handen aan, masseert hem teder in mijn bovenlijf dat enkel huid en botten is. Onmiddellijk voel ik een weldadige warmte, en op hetzelfde moment wordt de kamer gevuld met een scherpe bosgeur met hevige flarden hars en menthol. Door die geur, door de warmte van die zalf die in mijn overvolle bronchiën doordringt, door de liefdevolle aanwezigheid van mijn moeder, door die rustdag waarop ik voor de zoveelste keer niet naar school ga maar me aan boeken kan bezatten, kan soezen, kan dromen en op ieder moment mijn moeder kan zien, ook op de tijden dat ze gewoonlijk alleen is, voel ik me direct al beter.

Slapend kind

Niets kan ons beter vertellen wat we zijn, wat we ooit zijn geweest, dan de geur van de huid van een kind dat in diepe slaap in bed ligt, met halfopen mond, vrij van iedere angst, vrees en siddering omdat het weet dat we tegen hem of haar aan liggen, vlakbij, gereed om de duisternis te verjagen, te laten oplossen, desnoods te ontkennen. Als mijn dochter nog heel jong is, ga ik soms 's nachts naar haar kamer omdat ik denk dat ik haar hoor jammeren of huilen; en het idee dat ze lijdt, al is het in een droom, is zo onverdraaglijk voor me dat ik mijn breekbare vadernacht verlaat en naar haar toe ga. Ze slaapt altijd op haar rug, met haar onderarmen aan weerszijden van haar gezichtje omhoog, met uitgestrekte handjes, gespreide vingers en bolle wangetjes, terwijl haar lange wimpers als kwetsbare, delicate jaloezieën over haar prachtige, onzichtbare ogen liggen. Ik blijf bij haar, kijk naar haar als naar een wonder waar je maar half in gelooft, en inderdaad kan ik nauwelijks geloven dat ze echt is en met ons verbonden is door een band die door niets kan worden verbroken, zelfs niet door de dood, die toch zoveel wél voor elkaar krijgt. In het halfduister zie ik haar borstkasje vredig omhoog komen, even vredig weer neerdalen en weer omhoog komen, en ik kan me niet losrukken van die beweging die haar leven in zich draagt, haar verlangens, haar kwetsbaarheid.

Ik leg een vinger op haar handen. Ik streel haar wangen, haar voorhoofd, haar dunne zwarte haar, zo warm en zijdeachtig, en ik buig me voorover om zonder geluid een kus in haar hals te drukken. Het voelt alsof ik me naar het naakte kind toe beweeg dat tegen de eveneens naakte moeder aan ligt op Klimts prachtige schilderij Drie levensfasen van de vrouw, een afbeelding van een moment van alledaagse intimiteit, van een hoger, vruchtbaar mens-zijn, van de suikerzoete lauwheid van huid en van zweet, van het volle vertrouwen van de slaap waarin niets je kan overkomen. Het is een zalige buiteling in de meest natuurlijke geur: de geur van leven in de kinderschoenen, dat nog enkel bestaat uit zachtheid, dat zich voedt met melk, liefkozingen, lachjes, rijmpjes en wakende, geruststellende, beschermende handen. De geur van de begintijd, van zacht vlees, zalfjes en talkpoeder. De geur van de veilige zuigelingentijd, zacht en murmelend, kalm en sereen, die jammer genoeg veel te snel vervliegt wanneer we een pad gaan bewandelen, wanneer we overeind komen en zelf gaan lopen zodat er uiteindelijk niets overblijft van wat we ooit waren: kwetsbare wezens die zich vol vertrouwen en overgave lieten wiegen door de handen en de lach van degenen die ons ter wereld brachten.

Aarde

Ik hou van kuilen maken. Ik hou er ook van om me in te graven. Dat is iets voor de lente of de herfst. In de zomer vis ik liever, dan is de aarde sowieso te hard en te droog. Ze zou mij niet in haar toelaten. Ik zou wat aan de oppervlakte kunnen krabben, verder niets. Maart of november zijn maanden van verzadiging. Zware aarde die zo lang water heeft opgezogen dat je een put zou kunnen slaan. Ik heb gereedschap. In de eerste plaats mijn handen. Maar ook spades, schoppen, houwelen en stootboren. Ik graaf. In de moestuin, tussen het zaaien en de oogst. In Bernardo Bertolucci's Novecento steken de twee jongetjes hun kleine pikkie in een muizenhol en dan zegt een van hen dat hij 'de aarde neukt'. Ik wil me helemaal begraven. Verdwijnen. Niet sterven, dat niet, maar me eventjes verstoppen. De aarde leren kennen. In haar buik stappen. Schuilen.

De grond in onze tuin is zwart, minder compact dan de rode klei van de Rambêtant of de oevers van de Sânon. Hij laat me begaan, biedt nauwelijks weerstand. Ik vind wat serviesscherven, een aardewerken pijpenkop, stenen, een stuk van een bajonet uit de oorlog van 1870 - die van Rezonville, Gravelotte en de Uhlans - en botten van knaagdiertjes. Urenlang sta ik te spitten in de geur van de ondergrond. Regelmatig ruik ik aan mijn handen en aan de wanden van de kuil waarin ik stukje bij beetje verdwijn. Soms proef ik de aarde zelfs, om haar dan weer uit te spugen en haar nog lang op mijn tong en tussen mijn tanden te voelen, ieder korreltje, elk deeltje, met de smaak van gemengd metaal. Als ik klaar ben, blijf ik in de kuil. Met mijn knieën tegen mijn borst gedrukt blijf ik zitten met mijn proviand: twee repen chocola, een stuk brood, een kruik water. Ik verveel me niet. Ik ben in rust. Ik zit in mijn kuil. Veel later zal ik 'Het hol' van Franz Kafka lezen. Maar ik ben hier alleen. Er is niemand in de buurt die ook graaft. Er is geen buurman om te vrezen.

Op een keer slaag ik erin een kuil te graven die veel dieper is dan alle voorgaande. Ik kruip erin, verblind door mijn graafwerk dat alle verwachtingen heeft overtroffen. Ik ben dolgelukkig en het is er lekker warm. De aarde houdt de lauwheid van mijn lichaam vast. Ik denk aan mollen, aan hun dichte vacht en harde pootjes. Blinde wezens veroordeeld tot onophoudelijk graafwerk. Een leven in gangen en eeuwige duisternis. Mijn vader jaagt op ze door mooie ijzeren klemmen op hun pad te zetten. Plotseling beginnen de wanden van mijn gat zonder waarschuwing in te zakken. Ik word bedolven. Gelukkig is de laag niet dik. Ik sterf geen verstikkingsdood. Ik ben ook niet bang. Overal zit aarde, in mijn haar, op mijn gezicht. De aarde is onder mijn kraag gegleden en zit tussen mijn huid en mijn kleren. Wraak. Een regen van aarde. Een zwarte regen die ruikt naar kou, rotte wortels, ontbinding en ook een beetje naar gas, ongeveer zoals truffels, de diamanten van de duisternis.

Ik wil niet gecremeerd worden. Ik ben bang voor vuur. Ik ben bang dat de vlammen aan het begin van de ontbranding een doodgewoon stuk gegrild vlees van me maken. En ik weiger naar een barbecue te ruiken. Ik ben geen runderlap. Bovendien valt er met as niets aan te vangen. Urnen zijn belachelijk. Bijna altijd lelijk. Zo'n heel groot lichaam in een piepklein potje? Nee, dank u. Urnenmuren zijn net hondenbegraafplaatsen. Doe mij maar een laatste kuil. Ik zou hem met plezier zelf graven, maar dan denken ze vast dat ik gek ben. Ik wil in Dombasle worden begraven, recht tegenover het huis waar ik ben opgegroeid, niet te ver van onze tuin. In het land van de Rambêtant en de Sânon. Dat is mijn laatste wens. De aarde is aan beide kanten van de weg hetzelfde. Zwart, met de geur van een moestuin en de goede vochtigheidsgraad. Ik heb genoeg open graven gezien en genoeg kuilen gegraven om te weten waarover ik het heb. Door te graven leer je te sterven.

Meisjes

Waar ruiken onze meisjes naar als onze lippen voor het eerst de hunne vinden en daarna, heel stom, niet weten wat ze ermee aan moeten? Ik ben twaalf jaar. De meisjes zien me niet staan en de jongens lachen me uit omdat ik zo'n scharminkel ben. Mijn groentjeshart gaat als een bezetene tekeer als blonde Valérie of bruine Nathalie langskomt. Ik schrijf gedichten die ik ze in de hand druk als ik 's ochtends om acht uur op het schoolplein van het Collège Julienne Farenc aankom. Ik laat het hele lesprogramma van geschiedenis en mythologie de revue passeren: Cleopatra, Helena van Troje, Athene, Aphrodite, Diana en Nefertiti. Ook jat ik onbeschaamd van de samenstellers van mijn Franse lesboek - 'Valérie, onder de Brug der Dieven stromen de Sânon/En mijn liefdes/Zodat ik ze niet kan vergeten' of 'Morgen, bij de dageraad, op het uur dat het land verbleekt, ga ik naar school/Nathalie, ik weet dat je op me wacht, en ik kan niet langer verre van jou zijn'. Maar Nathalie wacht niet op mij. Om de hevigheid van mijn hartstocht te bewijzen bedenk ik, speciaal voor Valérie, het woord 'vertwijfelbidding', de overtreffende trap van vertwijfelde aanbidding: 'O, vertwijfelbeden Valérie!' Het enige wat het me oplevert zijn een schouderophalen en blikken vol walging. Mijn gedichten eindigen als propjes in de goot. Ze worden er voor mijn ogen in gemikt. Honden en katten pissen eroverheen.

Het enige waar ik goed voor ben is op de uitkijk staan als François met Nathalie of Denis met Valérie gaat kussen en ze te waarschuwen als er een volwassene aankomt die ze zou kunnen betrappen in een van de nauwe stegen tussen de rue Jules Ferry en de rue Jeanne d'Arc. Uit vrije wil ben ik een hoorndragertje dat de rust bewaakt van de liefde die anderen met mijn aanbedenen beleven. Na afloop vraag ik hoe ze smaakten en hoe ze roken, die kussen die zijn afgekeken van het scherm van cinema Georges waar we ze iedere zondag zien, de even vurige als bewegingloze filmkussen die net zo goed een reclame voor secondelijm zouden kunnen zijn. Tongworstelen, noemen we het. De enige tongen waar ik mee worstel zitten in mijn stinkende, afgetrapte oude sloffen met een Schots ruitpatroon.

Een paar maanden later zal ik het zelf ontdekken: niet met Nathalie, niet met Valérie, maar met Christine Frenzi. Dikke Frenzi. Op het verjaardagsfeestje van de Waguettes. We eten taart. We drinken Sic Orange en Sic Citron met psychedelische kleuren. Er wordt een langzaam nummer opgezet, slowmuziek, even mierzoet als de drankjes. Er worden stelletjes gevormd. Men slooft zich uit op de dansvloer. Veel dansers dragen een korte broek. Zij en ik zijn de enigen die nog zitten. Ze komt naar me toe, pakt mijn hand. Ik durf niet te weigeren en nu zit ik tegen haar aan. Mijn armen zijn nauwelijks lang genoeg om haar lichaam te omvatten. Ik schaam me een beetje. Wat zullen Nathalie en Valérie wel denken, die zo dichtbij en toch zo ver weg zijn, verstrengeld met mijn vrienden? Ik doe mijn ogen dicht. Opnieuw is zij het die haar gezicht tegen het mijne drukt en mijn lippen zoekt, vindt en kust. Zijdeachtig haar, gewassen met dezelfde Dop-shampoo die ik ook gebruik, maar ook een andere geur, plantaardig, zoet, gekonfijt; een geur van snoepgoed, taarten, grashalmen en weilanden die ik niet kan thuisbrengen maar die me te pakken krijgt zodat ik hem gelukzalig opsnuif uit haar hals en van haar lippen, haar lippen die ik opnieuw kus, en dit keer gaat het van mij uit. Vergeten is Nathalie, vergeten is Valérie. Jammer voor ze.

En als dikke Frenzi na de dans bij me op schoot komt zitten, zoals alle meisjes bij de jongens, als de pijn mijn blote dijen verbrijzelt omdat mijn dunne spiertjes over mijn botten rollen, hou ik mijn mond. Ik klem mijn tanden op elkaar. Ik ruik in haar nek, aan haar wangen en haar mond. We kussen opnieuw. En vanwege die kussen met de groene geur van gekonfijte angelica - eindelijk heb ik er een naam voor - maak ik jaren later nog altijd de pot met vruchtjes open die mijn moeder onder in de keukenkast bewaart en die ze gebruikt om cakes te bakken en gebakjes te versieren. Met handenvol pak ik de gekonfijte, gesuikerde, plakkerige stengels van die schermbloemige; ik hou ze bij mijn neus, sluit mijn ogen en eet ze op, zittend op het linoleum, denkend aan dikke Frenzi en haar kussen - maar ook aan Michèle Mercier, wier licht erotische avonturen iedere zomer op televisie worden herhaald - terwijl ik het honingachtige melodietje neurie dat ons bij elkaar heeft gebracht - 'On ira, où tu voudras quand tu voudras, et l'on s'aimera encore, lorsque l'amour sera mort.' Joe Dassin zij gedankt voor zijn bijdrage, want hij heeft me veel beter geholpen dan Apollinaire en Victor Hugo samen ooit hebben gekund.

---

Volgende weken

21 november: Moederskinderen van Koen Van Wichelen.

28 november: Dat is voor ons van Ivo Victoria.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234