Vrijdag 07/05/2021

Twee driften in zijn borst

Had Poesjkin (1799-1837) kort na zijn huwelijk in 1831 genoeg van het leven? In elk geval zat het de Russische dichter sindsdien niet mee. Hij had torenhoge schulden. In plaats van de verhoopte goudmijn werd zijn laatste grote project, het literaire tijdschrift De tijdgenoot, een financiële strop. Zijn inspiratiebronnen waren weliswaar niet opgedroogd, maar als prozaïst genoot hij niet meer de reputatie die hij eerder als dichter had opgebouwd. Sociaal stond hij nergens. De tsaar en zijn geheime politie hielden niet op hem te bespioneren en te plagen.

Piet de Moor

Arie van der Ent

De buurman van God - Een Poesjkin-biografie

Wereldbibliotheek, Amsterdam, 360 p., 950 frank.

Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin is even beroemd als verdacht wanneer hij eind 1833, 34 jaar oud, wordt aangesteld als kamerjonker aan het Petersburgse Hof, een benoeming die hij natuurlijk als vernederend en beledigend ervaart. Als een soort hansworst moet hij samen met zijn vrouw Natalja aanwezig zijn op alle belangrijke bals die door de tsaar in het Anitsjkovpaleis worden georganiseerd. Een brief aan zijn vrouw waarin Poesjkin zich bitter beklaagt over deze job die doorgaans wordt uitgeoefend door jongetjes die nog alles moeten bewijzen, wordt door de politie onderschept en doorgespeeld aan zijn "weldoener" op de troon. Over deze zoveelste loer die hem wordt gedraaid, noteert de getergde schrijver in zijn dagboek van 10 mei 1834: "Zijne Majesteit vond het vervelend dat ik me niet met vertedering en dankbaarheid over mijn kamerjonkerschap uitliet. Maar ik kan een onderdaan zijn, een slaaf zelfs, - maar een kruiper en een nar wil ik bij de hemelse tsaar niet eens zijn."

Poesjkins huwelijk met de beeldschone Natalja Gontsjarova lijkt zijn definitieve neergang te hebben ingeluid. Een voorgevoel dat het faliekant zal aflopen met de trouwerij, bedriegt hem niet. In 1830 - zijn succesvolste jaar als schrijver - kondigt hij in zijn correspondentie aan dat zijn lot is beslist: "Ik ga trouwen, dat wil zeggen ik geef mijn onafhankelijkheid op, mijn grillige, onbezorgde onafhankelijkheid, mijn luxe gewoontes, doelloze omzwervingen, eenzaamheid, veranderlijkheid. Ik ben bereid een toch al onvoldragen leven te verdubbelen. Ik heb me nooit bekommerd om geluk, ik kan het zonder stellen. Nu heb ik het nodig voor twee, en waar moet ik het vandaan halen?"

Hij is een jaloerse en liefhebbende echtgenoot, maar de rol van huisvader ligt hem niet. Hij heeft een gat in zijn hand. Hij vergokt wat hij verdient. Al is het waar dat hij onophoudelijk wordt gekoeioneerd, toch gaan zijn bazen, die daarvoor hun duistere drijfveren hebben, zonder morren op zijn financiële bedelbrieven in. Eind juli 1835 vraagt en krijgt Poesjkin zes jaar salaris (30.000 roebel) vooruitbetaald, maar dat zijn peanuts als je weet dat zo'n bedrag nauwelijks volstaat om er een jaar van te leven. Poesjkin leent geld uit de schatkist, brengt de juwelen en het zilver van zijn schoonzus naar de lommerd, staat bij zijn eigen personeel in het krijt en kan er toch maar niet toe besluiten het peperdure Petersburg voor het goedkopere platteland in te ruilen.

Het is niet uitgesloten dat tsaar Nicolaas I hem laat spartelen in een onontwarbaar net van intriges. Op 4 november 1836 wordt aan Poesjkin en een aantal van zijn vrienden een anoniem briefje bezorgd, waarin staat dat de dichter de eer geniet opgenomen te worden in de "Doorluchtige Orde der Hoorndragers". In dat schrijven wordt gesuggereerd dat zelfs de tsaar een geheime relatie heeft met de mooie echtgenote van Poesjkin, al valt de voornaamste verdenking op Georges d'Anthès, de aangenomen zoon van de Nederlandse gezant Van Heeckeren. Poesjkin, die het zelf nooit erg nauw nam met de huwelijkse trouw - hij ging naar bed met de zuster van zijn vrouw - wordt door de tsaar persoonlijk opgestookt om met d'Anthès af te rekenen. Nog voor de kemphanen op de ochtend van het duel de voorgeschreven afstand van tien passen hebben bereikt, lost d'Anthès het eerste schot en treft Poesjkin in de buik. Twee dagen later is Poesjkin aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden. Hij wordt in het geheim begraven. De overheid vreest dat een publieke ceremonie zou uitlopen op een demonstratie tegen het regime van de tsaar. Nicolaas I betaalt Poesjkins schulden en zorgt voor zijn gezin. Volgens sommigen is er na Poesjkins dood een korte liaison geweest tussen de tsaar en de weduwe van de dichter. De Nederlandse gezant Van Heeckeren en d'Anthès moeten het land verlaten. En om de gemoederen te bedaren wordt de publicatie van Poesjkins verzamelde werken aangekondigd.

Bij het lezen van De buurman van God, een Poesjkin-biografie die door Arie van der Ent soms wat rommelig in de vorm van getuigenissen van tijdgenoten wordt gepresenteerd, moest ik vaak denken aan de gekke Poesjkin-verhaaltjes van de Russische avantgardistische schrijver Dannil Charms, die er verzot op was het boegbeeld van de Russische literatuur als een halvegare in een krankzinnige omgeving uit te beelden. In werkelijkheid moet het inderdaad wel meevallen een Poesjkin-biografie te schrijven waarin het buitenissige een vooraanstaande plaats zou innemen. Een voorproefje van zo'n levensschets krijgen we in de korte, laconieke zinnen waarmee Van der Ent graag een hoofdstuk afrondt: "Toen Poejskin weg was uit Michajlovskoje, deed Arina Jakovleva de Zwitserse kaas, waar de dichter zo gek op was, meteen de deur uit. Ze vond de lucht onverdraaglijk."

Al waren de Poesjkins van oude adel, rijk waren ze niet meer en als men graaf Modest Korf, een klasgenoot van Poesjkin, mag geloven, was het gezin waarin Aleksandr Sergejevitsj opgroeide nogal speciaal. De vader wordt beschreven als een even redeloos als nutteloos wezen, de slaaf van zijn vrouw, een excentrieke, driftige en verstrooide echtgenote, die de schrik was van de gasten die er op bezoek kwamen: "Hun huis was altijd een chaos: in de ene kamer rijke, antieke meubels, in de andere kale muren, zelfs zonder stoelen, een veelkoppige, maar haveloze en dronken staf huispersoneel, stokoude koetsen met magere knollen, weelderige dameskleren en een eeuwig gebrek aan alles, van geld tot wijnglazen toe. Als er bij hen een man of twee, drie bleef mee-eten, stuurden ze altijd iemand naar ons voor serviesgoed."

Van Poesjkins kinderjaren weten we haast niets, behalve dat zijn vrekkige vader, die met veel literatoren verkeerde, een goede bibliotheek had die uit louter Franse boeken bestond. Van zijn leraren aan het liberale lyceum van Tsarkoje Selo, waar de jonge Poesjkin zes jaar doorbracht (1811-1817) zonder een enkele keer naar huis te mogen gaan, weten we dat de student, die er zijn eerste vertellingen, gedichten en epigrammen schrijft, lichtgeraakt, driftig, luchthartig, welbespraakt en spitsvondig is. Na het afsluiten van het eindexamen leidt Poesjkin in Sint-Petersburg, waar hij een onduidelijke betrekking heeft bij buitenlandse zaken, een volgens alle ooggetuigeverslagen liederlijke levenswandel. "Er heersten in hem maar twee driften: vleselijke lusten en poëzie, en in beide heeft hij het ver geschopt," noteert Modest Korf.

De jonge Poesjkin loopt allerlei ziekten op, moet om medische redenen zijn haar afscheren, haalt fratsen uit met zijn pruik, duelleert om de haverklap, is levenslustig, grappig en tactloos en verwerft meteen een geweldige reputatie als hij in 1820 het gedicht Reslan en Ljoedmila publiceert, een op zich onbeduidend verhaaltje over twee gelieven die door een boze tovenaar van elkaar gescheiden worden en die elkaar na vele avonturen terugvinden.

Poesjkins gedichten beginnen in tijdschriften te verschijnen, terwijl andere poëmen - vooral epigrammen op de tsaar en andere hoogwaardigheidsbekleders - in manuscript circuleren omdat de dichter weet dat ze op het veto van de censuur zouden botsen. Zijn 'dienstreis' naar het zuiden is in werkelijkheid een bezoldigde verbanning die hij wegens het schrijven van zijn Ode aan de vrijheid in 1820 heeft opgelopen. In 1823 belandt Poesjkin via Jekaterinoslav en Kisjinjov in Odessa, waar hij een affaire heeft met Jelizaveta Vorontsova, de vrouw van gouverneur-generaal Michail Vorontsov. Die laatste ziet de dichter liever gaan dan komen en belast hem met het enige werk dat Poesjkin daar ooit als ambtenaar heeft verricht: het uitroeien van sprinkhanen in de buurt van Odessa. Volgens de overlevering bestond Poesjkins verslag over zijn werkzaamheden als sprinkhanenverdelger uit een gedicht van welgeteld vier regels, een rapport dat zijn opdrachtgever uit zijn vel deed springen: "De sprinkhaan vloog maar wat / En streek toen neer. / Hij zat en zat - en vrat en vrat / En vloog toen weer."

Het zou wel eens kunnen dat zulke streken Poesjkin duurder te staan komen dan de gedichten waarvoor hij officieel ter verantwoording wordt geroepen. Het is niet uitgesloten dat Poesjkin uit Odessa wordt weggestuurd wegens een boosaardig epigram waarin de dichter de bedrogen Vorontsov typeert, een spotvers dat niet door Van der Ent wordt geciteerd: "Half lord, half koopman, half wijze, half ignorant, half boef, maar er is hoop dat hij uiteindelijk een hele zal worden." Uit een door de politie geopende brief (1824) blijkt dat Poesjkin gewonnen is voor de stelling die meent dat de ziel wel degelijk sterfelijk is. Voor dat vergrijp wordt hij ontslagen uit de overheidsdienst en verbannen naar het landgoed van zijn ouders in Pskov. Nare gevolgen voor Poesjkin heeft zijn Gavriliada of Gabriëlslied (1821), een gedicht waarvan de auteur om voor de hand liggende redenen altijd het auteurschap heeft bestreden, al blijkt uit iedere regel dat het van zijn hand is. In deze als blasfemisch gebrandmerkte annunciatie wordt Maria's echtgenoot Jozef voorgesteld als een sul die "met zijn oude gieter deze lusthof reeds lang niet meer besproeide", terwijl de maagd Maria zelf achtereenvolgens bereden wordt door de duivel, de engel Gabriël en door de Heer zelf, die daarvoor de gestalte van een duif heeft aangenomen.

Maar voor deze ontsporing werd hij pas in 1829 ter verantwoording geroepen, vier jaar na het bloedig neerslaan van de dekabristenopstand, zoals het novemberoproer tegen de pas aangetreden tsaar Nicolaas I werd genoemd en waarvan de liberaal gestemde Poesjkin een van de aanstichters heette te zijn. De moegetergde dichter, die onder geheim politietoezicht was geplaatst en die zonder toestemming van de tsaar geen buitenlandse reizen meer mocht maken, heeft nochtans zijn pogingen niet gestaakt een wit voetje te halen bij de Russische vorsten onder wie hij heeft gediend. In het verhaal De kapiteinsdochter liet hij de verteller een verklaard tegenstander zijn van gewelddadige omwentelingen, terwijl Boris Godoenov reeds een poging was om Nicolaas' voorganger, Alexander I, gunstig te stemmen voor de schrijver van dit drama.

Poesjkin was verre van een revolutionair, hij was eerder een conservatieve liberaal die van zichzelf wist dat hij te onvoorspelbaar was om een gedegen diplomaat te kunnen zijn. Na de voltooiing van Boris Godoenov, waarin Poesjkin aantoont dat de Romanovs ooit door toedoen van vier of vijf Poesjkins aan de macht zijn gekomen, schrijft hij op 7 november 1825 aan zijn vriend Vjazemski: "Mijn tragedie is af, ik heb haar hardop overgelezen, alleen, in mijn handen geklapt en geschreeuwd: tjonge Poesjkin, tjonge klootzak!... Zjoekovski zegt dat de tsaar mij zal vergeven voor mijn tragedie - vast niet, mijn beste. Hoewel ze in de goede geest is geschreven, kon ik absoluut niet al mijn oren onder mijn zotskap verstoppen. Ze steken uit!" Zijn talent en temperament beletten hem de slaaf te worden van de ketenen waarmee hij zichzelf soms leek te boeien. Deze ambivalentie bleek ten voeten uit toen een loflied op Nicolaas I (Aan mijn vrienden) de tsaar volkomen tevreden stelde, ook al verbood de vorst dat het gedicht in druk werd gegeven.

In zijn Geschiedenis van de Russische literatuur gaf Karel van het Reve vijftien jaar geleden toe dat hij niet goed raad wist met Poesjkin omdat diens oeuvre zo weinig spectaculair is wat woordkeus, prosodie en onderwerp betreft. Poesjkins onsterfelijke meesterwerk Jevgeni Onegin (1833) heeft als verhaal niets om het lijf, maar Van het Reve slaagde er nooit in de slotregels zonder grote ontroering te lezen: "Welzalig hij, die het feest des levens vroeg verliet, zonder de bokaal vol wijn tot op de bodem te hebben uitgedronken, die 's levens roman niet heeft uitgelezen en er opeens afscheid van heeft kunnen nemen, zoals ik van mijn Onegin."

Poesjkins talent en temperament beletten hem de slaaf te worden van de ketenen waarmee hij zichzelf soms leek te boeien

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234