Vrijdag 05/03/2021

Tussen licht en donker: de kernlobby in België

‘De toekomst van België zal afhangen van de snelheid en vindingrijkheid waarmee de kernbrandstof, krachtgeneratie, zal worden aangewend.’ Zo spreekt in 1955 de eerbiedwaardige Paul baron Kronacker tot de club waarvan hij voorzitter is, de ‘Belgische Vereniging voor de Vredelievende Ontwikkeling van de Atoomenergie’.

Kronacker is een vooraanstaand liberaal, minister geweest, de vertrouwensman van Washington in Brussel, een investeerder die schier eindeloze concessies in Congo controleert. Ook zijn landgoed Wolvenbosch in Kapellen, 225 hectare bos en heide, heeft iets van de Afrikaanse eindeloosheid. De bucolische rust van zijn eigen domein vonden Kronacker en zijn generatiegenoten niet in tegenspraak met de industriële productie van kernenergie.

Want wie in die naoorlogse jaren van optimisme tégen kernenergie was, had net zo weinig van de nieuwe tijden begrepen als wie nu tegen internet is. Kijk naar de volkse strips van die tijd. In Raket naar de maan (1951) werkt Kuifje vanuit een ‘Centrum voor Kernonderzoek’ in Syldavië. Hergé laat hem naar een kernreactor gapen: “Ongelooflijk! Buiten-gewoon!” In De speelgoedzaaier (1954) juichen Suske en Wiske de kernenergie toe: “Nu krijgt alleman zijn eigen auto! Gedaan met slavenwerk en verveling! Alles wordt door de techniek vergemakkelijkt, en het volk zal tijd vinden om mens te worden.”

Met de opbrengst van Congolees uranium voor Britten en Amerikanen stichtte de Belgische regering in 1952 het ‘Centre d’Etudes pour les Applications de l’Energie nucléaire’, het latere Studiecentrum voor Kernenergie (SCK). Al in dat embryonale beheersorgaan zetelen de drie pro-kernenergiegroepen die tot vandaag ‘de lobby’ uitmaken: vertegenwoordigers van universiteiten, de administratie en natuurlijk de privésector. Tot de laatste hoorden de Generale Maatschappij van België en haar dochter Traction et Electricité, de voorloper van Tractebel, nu Electrabel en nog altijd uitbater en eigenaar van de kerncentrales van Doel en Tihange.

En wie Generale zei, had het ook over Laken. In 1953 verkocht de koninklijke familie een terrein van 190 hectare in de gemeente Mol voor de bouw van een kernreactor. In 1966 zou Boudewijn in Dessel persoonlijk de site openen van het afvalverwerkingsbedrijf Eurochemic.

In Mol werden drie reactoren opgestart. Eén (BR2) was belangrijk voor de productie van radio-isotopen voor kankerbestrijding. Een andere (BR3) werd een soort ‘trainingsreactor’ voor de latere kerncentrales in Doel en Tihange. Zo ging dat: een overheidsinstelling pionierde en bouwde knowhow op. De privésector stond intussen te trappelen om die kennis voor zichzelf te valoriseren in echte kerncentrales. En het publiek werd weinig of niet geïnformeerd. Kernenergie is te moeilijk voor de man in de straat. Dat is meer iets voor ‘onder professoren’.

Ingenieur en emeritus hoogleraar Paul De Meester zei ‘bij wijze van boutade’, in de ‘Campuskrant’ van zijn universiteit: ‘Professoren zijn de callgirls van de overheid.’

Dat gaat zeker op voor de hoogtechnologische nucleaire sector. Die kan niet anders dan een beroep doen op beschikbare ‘brains’. Zo ontstaat al snel een innige band tussen de academische wereld en de kernsector. En het blikveld van de betrokken academici heeft dode hoeken. Een van de vroegste rapport over kernenergie in België is dat van Jacques Errera, hoogleraar en regeringscommissaris voor atoomenergie. In zijn verslag over de periode 1960-1962 gaat het 134 bladzijden lang over allerlei positieve ontwikkelingen in de sector. De problematiek van het kernafval is goed voor één paragraaf, welgeteld 24 regels. Over andere veiligheidsproblemen: níéts. Als Errera vijf jaar later een tweede rapport schrijft, is de passage over kernafval al gegroeid tot een volle... halve bladzijde.

In 1985 zou kerningenieur Paul De Meester toegeven dat de wetenschappers arrogant hadden gehandeld. De Meester zelf pakte het slimmer aan. Hij schreef bij het Davidsfonds Kernenergie neen bedankt, ja graag, waarin hij objectief voor- en nadelen uiteenzette. En dan tot de conclusie kwam dat kernenergie eigenlijk erg goed was. Tot vandaag is hij een gezaghebbende stem in het debat. En dat gezag gebruikte hij de voorbije jaren om tégen de kernuitstap te pleiten.

Behalve academicus aan de Leuvense universiteit was Paul De Meester ook een veelgevraagd bestuurder en voorzitter van vennootschappen. Zoals bij de Belgische Beton Maatschappij (BBM), een bouwer van kerncentrales.

Zo werd decennia lang alle nucleaire knowhow als het ware gemonopoliseerd door de nucleaire sector zelf. Het officiële controlecomité Gas en Electriciteit werd gewantrouwd en kon slechts rekenen op een uiterst beperkt secretariaat, en geen studiedienst.

Tegelijk slaagt men erin kernenergie quasi te bannen uit het politieke debat. Als in 1966 de rooms-blauwe regering Vanden Boeynants de wet goedkeurt over de bouw van de eerste kerncentrales, is dat zonder enig parlementaire debat. Het was weerom een cadeau voor de Generale Maatschappij, die via een hele keten dochters goed geld verdiende: Union Minière (vandaag Umicore) ontgon het uranium, MMN bewerkte het tot splijtstof, Cockerill en ACEC bouwden mee aan de centrales, via de elektriciteitsproducenten EBES, Unerg en Intercom (alle in grotere of kleinere mate gecontroleerd door de Generale, en sinds 1990 gefuseerd tot Electrabel) baatten ze de kerncentrales uit, en Belchim zorgde voor de afvalverwerking.

Als vele jaren later, in 1974, een nieuwe wet wordt goedgekeurd voor de bouw van kerncentrales, zijn er ineens wel vragen, vooral van West-Vlaamse parlementsleden: er waren namelijk berichten verschenen over een kerncentrale op een voor de kust aan te leggen kunstmatig eiland. Minister van Economische Zaken André Oleffe (PSC) wilde de bevolking sussen en alle paniekberichten over mogelijke gevaren van kernenergie tegenspreken: “De veiligste elektriciteitscentrales zijn precies kerncentrales. Je voelt immers de straling onmiddellijk, zodat je de centrale kunt stilleggen.”

Maar veel meer ophef is er niet. En dat komt door de derde factor: de sector regelt bij voorkeur alles onderhands. Het grote parlementaire debat over energie dat de regering-Leburton in 1974 aankondigde, kwam er pas acht jaar en negen kabinetten (!) later. Daarnaast werd zo weinig mogelijk wettelijk, zo veel mogelijk per conventie geregeld. Conventies - onderhandse afspraken tussen de betrokken partijen - moeten níét naar de Raad van State, worden niet gecontroleerd door Inspectie van Financiën of Rekenhof.

De controle op de kerncentrales werd niet toevertrouwd aan pottenkijkers van de overheid, maar aan privéfirma AIB-Vinçotte. Pas na de Tsjernobylramp, in 1988, vroeg het parlement om een officieel onafhankelijk controleorgaan. Het duurde tot 1994 voor het Federaal Agentschap van de Nucleaire Controle (FANC) werd opgericht. Pas in 2001 was het operationeel. Intussen was FANC niet al te ijverig. Toen bleek dat de oevers van de Laak en de Winterbeek in Tessenderlo zwaar radioactief vervuild waren, had de FANC tien jaar later (!) de inventarisatie van het probleem nog niet rond.

In 1980 werd ook de Niras opgericht, de overheidsinstelling bevoegd voor nucleair afval. Dat Niras kwam pas op gang... in 1989. Niras kan geen belangrijke beslissing nemen zonder advies van het Vast Technisch Comité, en dat orgaan wordt gecontroleerd door vertegenwoordigers van de afvalproducenten. Alles leek geregeld.

Luc Barbé, van 1999 tot 2003 adjunct-kabinetschef voor Energie: ‘Die verfijnde besluitvorming van een beperkt en select groepje mensen werd in juli 1999 totaal overhoop gegooid door een kerel die - zonder das en met oorring! - niet eens op hun recepties binnen zou mogen, maar nu wel even staatssecretaris voor Energie was. Het klikte niet tussen Gérard Mestrallet en Olivier Deleuze, dat zag je onmiddellijk. De grote baas van Suez, hoofdaandeelhouder van Tractebel en dus baas van Electrabel, had een afspraak gevraagd met Deleuze. Naast hen waren ook Jean-Pierre Hansen, patron van Tractebel, en ik aanwezig. Twee werelden: de Franse topindustrieel en de Brusselse Ecolo’er. Het lag Mestrallet en Hansen dwars dat we hen niet steunden. In andere landen werden de elektriciteitsbedrijven volop gesteund door hun regeringen, ook al ging men daarbij in de grijze zone van wat mocht en niet mocht van Europa, of zelfs in de rode zone. Wij deden daar niet aan mee. En dus waren we tegen hen. Schande, vonden ze dat.’

Het was dan ook de enige periode dat de nucleaire sector echt op zijn tellen moest passen: de paars-groene regering-Verhofstadt I in 1999-2003. Toen kwamen ineens drie partijen in de regering die de elektriciteitsproducenten met argusogen volgden: sp.a, Groen! en Ecolo. Er werd zelfs besloten tot een kernuitstap. In zijn internetboek over die tijd, Kernenergie in de Wetstraat. Dissectie van de deals, beschrijft Barbé hoe Luc Coene, kabinetschef van premier Guy Verhofstadt (Open Vld), intrigeert tegen de kernuitstap. Ineens stuurde hij Jean-Marie Streydio als zijn expert naar een interkabinetvergadering. Dat zijn normaal gezien besloten vergaderingen tussen (top)kabinetsleden. En de discussies over de kernuitstap waren politiek geladen, dus normaal gezien hoogst besloten. Toch verscheen Streydio, UCL-professor, Niras-voorzitter en soms omschreven als “de grootste nucleofiel van het land”. Een volgende keer stuurde Coene KU Leuven-prof William d’Haeseleer. Via de professoren was de sector permanent op de hoogte.

William d’Haeseleer verdedigt tot vandaag zijn integriteit. “Het argument dat ik door de energiesector wordt betaald, is vroeger gebruikt om mij persoonlijk onderuit te halen. Als er aantoonbare fouten in mijn onderzoek staan, zal ik die corrigeren. Ik ben een mens van feiten en cijfers. Ik heb zelf voor Tractebel Engineering gewerkt en heb daar nooit iets gezien wat niet door de beugel kan. Ik weet dus waarover ik spreek en ik weet dat ze grondige controles uitvoeren. Iemand moet dat werk toch doen? Je ziet nu ook overal rapporten opduiken waarvan je niet weet wat ze waard zijn. Ik vind dat je studies moet laten nakijken door anderen. Dat mogen gerust tegenstanders zijn, maar ze mogen niets concluderen op basis van emoties. Het is toch al te gek dat mensen die het verschil niet kennen tussen bestraling en besmetting vandaag hun mening uiten. Ik maak als wetenschapper geen keuze voor het één of het ander. Ik behoor niet tot de nucleaire lobby, ik ben die nooit tegengekomen.”

En de kernuitstap, die daar besproken werd, zint hem tot vandaag niet: “Een systeem heeft geen levensduur, een component wel. Je gaat een huis toch ook niet afbreken omdat een lichtschakelaar stuk is? Om de tien jaar gebeuren er grondige controles van de Belgische kerncentrales en ik vertrouw erop dat die goed zijn. Electrabel en Tractebel laten de centrales niet voor hun plezier stuk gaan. Wel moet men hun werk grondig laten nakijken door de veiligheidsautoriteiten, en dat gebeurt in België door Bel-V en de FANC op een gedegen wijze. En als men dan nog twijfelt, dat men dan internationale audits organiseert. Die zijn er overigens in het recente verleden geweest, en die zijn goed bevonden. Ik zie dus geen enkele reden om de kerncentrales vroegtijdig te sluiten, zolang de veiligheid gegarandeerd blijft.”

Het parlement keurt de kernuitstap goed, en dat is een klein wonder. In alle partijen heeft de kernlobby zijn vrienden. In Wallonië is een groot deel van de PS pro nucleaire energie. In die tijd werd de luidste vocale steun aan de kernenergie geuit door Anne-Marie Lizin, in die dagen Senaatsvoorzitter, maar ook fulltime ‘passionaria’ voor de nabij haar Hoei gelegen kerncentrale van Tihange.

CD&V gebruikte harde oppositietaal, en niet alleen uit plichtsgevoel. Kempense CD&V’ers als Servais Verherstraeten zijn traditioneel politieke pleitbezorgers van de aanwezigheid van en investeringen in de nucleaire sector in de streek.

En ook ‘de gemeenten’ en hun burgemeesters heetten lange tijd vrienden van de kernenergie te zijn. In de ‘gemengde intercommunales’, nu gegroepeerd door distributiebeheerder Eandis, zetelen ze namelijk samen met Electrabel. Eandis-bestuurder Louis Tobback: “In theorie hebben de gemeenten de meerderheid. In de praktijk lieten de privépartners de gemeenten beslissen, maar zij zeiden wat die gemeenten moesten beslissen, want die wisten toch niet echt waarover ze spraken. Ik overdrijf, maar ik overdrijf amper. Met ‘slechts’ 30 procent van de aandelen controleert de privésector wat er gebeurt.”

En dat verhaal is eindig, want Europa heeft beslist dat Electrabel zich tegen 2018 uit die gemengde intercommunales moet terugtrekken. De gemeenten zullen Electrabel dus moeten uitkopen. Daarvoor zullen ze moeten lenen, wat doorgerekend wordt aan de gebruiker. Wat Electrabel in staat zal brengen te zeggen: zie je dat ons deel in de totale elektriciteitsprijs dáált. Dat klopt: het andere deel stijgt om Electrabel te betalen...

Het is helemaal het nieuwe Electrabel. Directeur-generaal Sophie Dutordoir verkiest een gesofisticeerde stijl van communicatie. Voor het verleiden van politiek, pers en publiek worden kosten noch moeite gespaard, en ook geen trucs. Hun tv-spots en reclamecampagnes zijn het betere werk. Het eerbiedwaardige Egmont Instituut nodigt Jean-Paul Hansen uit om over energie te spreken. Waarbij het volslagen toeval zal zijn dat de voorzitter van die stichting Etienne Davignon is, vicevoorzitter van Suez-Tractebel.

En tegelijk ziet men hoe de kernuitstap een unicum lijkt. Sinds 2003 zijn Electrabel en andere nucleaire spelers oppassender geworden: ze roepen politici op de kernuitstap uit te stellen, ze slagen erin een nieuwe reactor in Mol te laten bouwen. En ook het gewone, minder spectaculaire wetgevende werk wordt blijkbaar van kortbij gevolgd. Alex Polfliet, Groen!-politicus en werkzaam bij Zero Emission Solutions, een bedrijf voor hernieuwbare energie, merkt her en der de zeer gespecialiseerde hand van Electrabel. Polfliet onderschat de invloed van Derrick Gosselin niet, de kabinetschef van Kris Peeters en ex-topkaderlid van Suez-Electrabel. “Die kent het globale plaatje. Ik neem niet aan dat Gosselin níét weet wat hij doet, of in welk kader hij speelt.”

“Onlangs nog werden een aantal technische bepalingen veranderd die erg voordelig zijn voor Max Green, de nieuwe elektriciteitscentrale van Electrabel in Gent. Het is typische insiderswetgeving: én het aantal groenestroomcertificaten voor Max Green wordt gemaximaliseerd, én een speciale clausule dekt voor dat bedrijf de risico’s af tot 2021, én concurrerende bedrijven krijgen een pad in de korf gezet. Il faut le faire.”

Dat is zo.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234