Woensdag 04/08/2021

Tussen euforie en doodsangst

Noord-Nigeria is de voorbije twee jaar met enthousiasme 'het land van de sharia' geworden. De ene provincie na de andere verklaarde er de wet van Allah tot landswet, wat de verhouding met de christelijke minderheid heeft verstoord, een radicalisering van enkele moslimgroepen in de hand heeft gewerkt en boudweg in strijd is met (een deel van) de nationale grondwet. Noord-Nigeria is intussen ook 'het land van Safiya', het land waar een volksvrouw ternauwernood aan steniging ontsnapte. Over de enthousiasten en hun slachtoffers, over de dunne lijn tussen euforie en doodsangst en de dikkere lijn tussen theorie en praktijk: een uitgebreid verslag van ter plekke.

Rudi Rotthier

Foto's Jan Dago / Magnum

Kano. Toen de VS in oktober vorig jaar Afghanistan begonnen te bombarderen organiseerden moslimgroepen, samen met gelijkgestemden, een protestmanifestatie, een vredesdemonstratie eigenlijk. Maar op het moment dat de officiële stoet al bijna was ontbonden, braken rellen los. Moslimjongeren plunderden de christelijke wijk, de winkels van christenen, hun auto's. Er vielen aan beide kanten slachtoffers, bij de winkeliers maar ook bij de plunderaars, want na vorige rellen hebben sommige christenen zich bewapend. Officieel werd het aantal doden begroot op vijf, officieus vielen er misschien wel vijfhonderd slachtoffers. In nabijgelegen steden als Jos en Kaduna vloeide rond dezelfde tijd nog meer bloed. Daar zouden in totaal duizenden doden zijn betreurd.

Eucharia Duru reed die avond, samen met haar zoontje, in haar oude Honda huiswaarts. Doorgaans is zij een goedlachse advocate, die zwaait naar alles wat beweegt en die zelfs stenen zou charmeren. Maar deze keer wonnen de stenen het van de charme. Buurtjongens hielden haar tegen, ze gooiden terstond haar voorruit in, ze kropen bij haar in de auto en bepotelden haar, agressief op zoek naar geld en naar vergelding. Toen ze ook haar zoontje tikken begonnen te geven, werd het Eucharia te machtig. Half huilend, half roepend gaf ze de jongens een donderpreek. "Ik vroeg hen of ze hun eigen moeder ook zo zouden behandelen. En dat ze mij aanpakten, tot daar aan toe, maar mijn zoon, een uk van amper een paar jaar oud... Ik zei hen dat ze me maar beter meteen koud maakten. Want als ze dat nalieten, zou ik mijn zoontje verdedigen als een leeuwin, en dan moesten ze op hun tellen passen..."

Het betoog maakte indruk. De jongeren verlieten schaapachtig de auto en deden teken dat Eucharia kon doorrijden. "Maar ik was nog altijd totaal overstuur, of misschien hadden ze iets stukgemaakt, en ik kreeg mijn motor niet meer in gang. Uiteindelijk hebben deze jongens, die, daar ga ik van uit, eerst van plan waren me geweld aan te doen of me misschien wel te vermoorden, zelf mijn auto in gang geduwd."

Ze rijdt hen sindsdien elke dag voorbij. Niet meer in de Honda. Die heeft ze verkocht. "Ik kon er niet meer mee rijden zonder aan het incident terug te denken." Maar als ze de jongens passeert, zwaait ze. En de jongens zwaaien terug. "Bij een volgende rel zullen ze me wellicht weer aanpakken. Je weet hier nooit wat je boven het hoofd hangt." Eucharia is katholiek, universitair en gegoed; de jongeren zijn werkloos, laaggeschoold en moslim.

Eucharia, die ook een vrouwengroep vertegenwoordigt, neemt in de gekoelde lokalen van hotel Royal Tropicana deel aan een driedaagse vredesbijeenkomst. De bijeenkomst wordt (rijkelijk) gefinancierd door de Amerikaanse ontwikkelingsorganisatie USAid. Maar dat gegeven wordt om strategische redenen onvermeld gelaten in brochures en op spandoeken. Amerika is momenteel niet erg geliefd en de naam van de sponsor zou de geloofwaardigheid van de samengekomen vredestichters in het gedrang brengen. De deelnemers laten zich het Amerikaanse geld echter welgevallen, ze logeren in het hotel (ook al wonen de meesten in Kano), ze eten, ze drinken (niet-alcoholische dranken) en ze praten. Voor een vorig colloquium, ook gefinancierd door het onvermeld gebleven USAid, nam een deelneemster de proef op de som: het kostte meer dan de jaarwerking van alle vrouwenbewegingen in drieënveertig districten van de provincie Kano samen. "Talk is cheap", zei ze daaromtrent. "Dat is de uitdrukking, maar in Nigeria zijn woorden duur, waarna acties ondergefinancierd blijven."

Op zich lijkt zo'n vredesdriedaagse haar nut nochtans niet te moeten bewijzen. Laat vertegenwoordigers van alle geledingen van de bevolking - moslims, christenen, etnische meerderheden en minderheden, zelfs twee knikkebollende vertegenwoordigers van de emir - drie dagen lang de conflicten uitpraten en zie dan waar je uitkomt. Maar dat gebeurt nu net niet. Iedereen is hoffelijk tot in het extreme, conflictstof wordt angstvallig vermeden, en de laaggeschoolde, werkloze jongeren zelf blijven natuurlijk afwezig.

Het interessantst zijn nog enkele uitschuivers. Een moslimvertegenwoordigster, dezelfde die zich eerder beklaagde over de financiële kosten van dergelijke bijeenkomsten, vindt het nodig de christenen erop te wijzen dat ook zij, door hun bijbel, verplicht worden om alcohol te mijden. "Ik weet niet precies waar", geeft ze toe, "maar ergens staat dat ook voor een christen geen openbare consumptie van alcohol is toegestaan. Nemen jullie die bijbel ernstig of niet? Ik neem hem alvast ernstig in jullie plaats." De aanwezige christenen, voornamelijk vertegenwoordigers van de Igbo- en Yoruba-minderheden, steigeren bedaard. "Laat mijn geheugen me in de steek", zegt een van hen, zijn ironie nog hoffelijk verwoordend, "of is het eerste mirakel in het Nieuwe Testament de omvorming van water in wijn? Is het denkbaar dat Jezus wijn produceerde in het volle besef dat de consumptie ervan zijn Vader griefde?"

Een advocaat (moslim), de voorzitter van de conferentie, probeert de discussie een andere kant uit te sturen. "Kunnen we het erover eens zijn dat, wat er ook in de bijbel staat, nieuwkomers zich moeten aanpassen aan de wetten van het land? Als het lokale gebruik, of zelfs een meerderheid van de bevolking, tegen alcohol gekant is, dan mogen ook christenen in het openbaar geen alcohol consumeren. Zo drukken ze hun respect uit voor de lokale gebruiken." Die nieuwkomers, wordt verder geëxpliciteerd, kunnen in Kano geboren zijn, als ze maar niet tot de lokale Hausa-meerderheid behoren. Eucharia, zelf een Igbo, geboren in Kano, maar desondanks 'een vreemdeling', laat de opmerking passeren.

Ook opmerkelijk: buiten de vergadering valt de introductie van de sharia niet te vermijden, maar in de vergadering komt dat onderwerp niet ter sprake. Ook niet in de makke slottekst.

"Verwondert dat je?", vraagt Eucharia. "In Nigeria mag je twee dingen niet uit het oog verliezen. Het eerste is: we zijn hypocriet. De soep die we opdienen, is niet de soep die we hebben bereid."

En dat betekent?

"In de coulissen, en tijdens de voorbereiding van de slottekst, wordt er wel degelijk hard gedebatteerd." Ze voegt er een voorbeeld bij. In december, tijdens de ramadan, werd een Igbo-chauffeur gelyncht door woedende moslims. Hij wist nog een politiebureau binnen te vluchten, maar de politie achtte het, gelet op de omvang van de om wraak roepende menigte, raadzaam hem niet te verdedigen. Naar verluidt werden eerst zijn ogen uitgerukt alvorens de rest van zijn lijf aan stukken werd gereten. De man was, zoals de meeste Igbo, afkomstig uit het zuidoosten van Nigeria. Hij moest in Kano een vracht afleveren, niet meer dan dat. Hij was nauwelijks eerder in Kano geweest.

Wat was er gebeurd dat zoveel agressie kon opwekken? De meningen verschillen, ook in de coulissen van hotel Royal Tropicana. Volgens de enen had de man zijn motor zwaar laten draaien, wat een rookwolk veroorzaakte die volgens sommige moslims zo dik was dat wie ze inademde de vasten doorbrak. Dat is de Igbo-versie van de feiten: een radicale moslim heeft zijn makkers opgejut en wijsgemaakt dat die christelijke rook erop gericht was de vasten van zoveel mogelijk moslims ongeldig te maken. Dat de chauffeur een christen was, kon men van ver uit de beschildering van zijn vrachtwagen opmaken.

De moslimversie gaat als volgt: iemand had een exemplaar van de koran laten vallen, en de chauffeur is er moedwillig overheen gereden. Waarop de Igbo repliceren: geen enkele moslim laat zijn koran op straat vallen. En trouwens, hoe kan een vrachtwagenchauffeur van op zijn hoge zitje zien welk boek er op de grond ligt?

Over het bloedige resultaat kan spijtig genoeg weinig onenigheid bestaan.

De coulissendiscussie in hotel Royal Tropicana ging erover of het incident in de slottekst vermeld mocht worden. De moslims waren ertegen, want in dit geval waren zij klaarblijkelijk de enige daders. 'Moet dan elk voorval vermeld worden?', vroegen zij zich hardop af. De Yoruba waren ertegen, want in hun visie zijn zijzelf de voornaamste slachtoffers van het religieus-etnische geweld, terwijl ze in dit incident geen enkele rol toebedeeld krijgen. Uiteindelijk werd het incident, in ruil voor andere toegevingen, toch in de slottekst opgenomen.

En waarom kwam de sharia tijdens de plenaire zitting nooit ter sprake?

"Pfff, sharia", zucht Eucharia. "Eerlijk gezegd denk ik dat we dat probleem onder controle hebben. Weet je hoe we hier op de sharia reageren? If you sharia me, I'll resource control you. Wat betekent: als de moslims uit het noorden de schroef aandraaien voor de christelijke minderheid in hun gebied, dan zal het rijke zuiden de financiering van het noorden herbekijken. Want de olie wordt in het zuiden van het land opgedolven, en het noorden, met ruim de helft van de bevolking, draagt misschien 5 procent bij aan het bnp van Nigeria. Neem de sponsoring van het zuiden weg, en de sharia in het noorden zal een armoedige affaire worden."

Wat was trouwens nummer twee? Ze had het over twee dingen die van levensbelang zijn voor wie Nigeria wil begrijpen.

"O. Had je dat nog niet door? Nummer twee is: als je maar lang genoeg wacht, wordt de schuld van een probleem altijd wel bij een vrouw gelegd. Dat is wat mij betreft al sinds Eva een Nigeriaanse gewoonte. Overigens, ik geef het je maar mee, voor het geval je moslims tegenkomt die hoog opgeven van de vele rechten die ze aan vrouwen toekennen: ik bepleit momenteel, voor een shariarechtbank trouwens, een echtscheiding van een achttienjarig meisje. Ze is op jeugdige leeftijd uitgehuwelijkt aan haar neef en ze ziet die jongen echt niet zitten. Maar de jongen is door en door verliefd op haar, hij weigert op haar verzoek in te gaan, en dan staat de vrouw volgens de islamtraditie machteloos. De man is wel in staat om zonder toestemming van zijn echtgenote tot echtscheiding te beslissen, maar als zij vragende partij is, kan ze haar zaak officieel zelfs niet aanhangig maken. Zij hangt volledig van zijn oordeel en zijn instemming af."

Hoe pleit Eucharia de zaak?

"Ik pleit de zaak niet. Dat zou, gelet op de wet, op voorhand een verloren zaak zijn. Ik probeer de echtgenoot en de twee families ervan te overtuigen dat het voor iedereen beter zou zijn mocht men dit huwelijk naar de prullenmand verwijzen."

Een nobele katholieke gedachte, probeer ik.

"Het is toch waar."

Terug in de buitenwereld. Als er iets duidelijk werd tijdens drie dagen vredesgesprekken, dan dit: de rellen van oktober werden uitgevochten door opgejutte jongeren. Een islamitische vredestichter weet zulke jongeren te vinden. Aan Kofar Dan Agundi, een van de stadspoorten. Net binnen die poort woont hun leider, Aminu Daru, wat zoveel betekent als Aminu Hommeles. Hij is kaal, hij zweet spectaculair en hij loopt op krukken. Dat laatste is nodig omdat hij op zijn achttiende bij een motorongeval een groot deel van zijn rechterbeen verloor. Het ongeval heeft hem de ogen geopend, zegt hij. Als armeluis moest hij op behandeling wachten, en toen hij eindelijk aan de beurt was, werd zijn gebroken been door een vierderangsstagiair gespalkt. Het infecteerde, er was een operatie nodig, de artsen eisten geld alvorens ze tot de actie wilden overgaan. Aminu heeft al zijn kennissen aangesproken, in de hoop dat iemand zijn operatie zou financieren. Iedereen weigerde. Toen de infectie levensbedreigend werd, heeft een goede ziel zijn been afgezet. Sindsdien weet Aminu hoe ver solidariteit reikt, ook in de moslimgemeenschap, die zich daar vaak op beroemt. Aminu nam zich voor op te boksen tegen die onverschilligheid en zelf andere armeluizen bij te staan.

Of het hier om meer gaat dan om praatjes voor de vaak valt moeilijk uit te maken. Dat zijn been is afgezet staat vast, dat hij een soort maffia van jongeren in stand houdt evenzeer, dat hij zijn jongeren uit de gevangenis haalt als ze zich wat op de hals halen, klopt ook nog wel, maar winst schijnt daarbij toch zijn grootste interesse weg te dragen.

Aminu controleert (een deel van) de zwarte markt voor brandstoffen. Als er schaarste is, floreert zijn handeltje. Dan stapt hij, vergezeld van ettelijke kompanen, naar enkele benzinestations en koopt daar op wat er in de pompen zit. Hij verkoopt het door tegen prijzen die tot 50 procent hoger liggen. Anderhalf jaar geleden gingen de prijzen aan de pomp omhoog, en besloten automobilisten en motorrijders dat ze liever aan het benzinestation in de rij zouden wachten dan benzine op de zwarte markt te kopen. Toen zijn zijn jongens muitend en plunderend door de stad getrokken. In oktober bleven ze - dat zegt hij toch - veeleer afzijdig.

Aminu loopt mee door de stadspoort. Kano mag dan een miljoenenstad zijn, een geschiedenis hebben die duizend jaar teruggaat, zwaar vervuild zijn en met een permanente verkeerschaos kampen, toch is het meer een dorp dan een metropolis. Twee minuten huppelen met zijn krukken en we zitten op het platteland. Kinderen gieten klei in vormen en laten het resultaat bakken in de zon. Ouderen metselen muren met wat de kinderen hebben gebakken. Tussen twee muren lopen we naar een braakliggend veld. In het gebied tussen de twee muren en in mindere mate op het veld ontwikkelen 'de jongens van Aminu Daru' hun activiteiten. Ze zijn een jaar of twintig, sommigen verpakken porties marihuana in papier (marktprijs 5 naira per portie, niet eens 5 eurocent), anderen roken gigantische joints. Soms kaarten ze, soms vermengen ze benzine met niet zo kosjere stoffen (zo dragen ze op hun manier bij tot de vervuiling van Kano), ze drinken whisky, en als ze mijn kop zien beginnen ze te klagen. Over de politieagenten, die hen om de haverklap lastigvallen, die smeergeld vragen, waarna ze moeten dokken, want al hun activiteiten zijn in meer of mindere mate illegaal. Die het veld, waar de jongens al jaren yams en groenten plantten, onlangs hebben laten platrijden met bulldozers. Maar meer nog dan de politie zijn de politici hun tegenstanders geworden. Tijdens de vorige verkiezingen had Aminu een pact gesloten met de PDP, de latere winnaars (nationaal en in Kano). Hij had een stembureau bestormd waar de PDP niet zoveel aanhang verwachtte, en een tijdlang had hij, met enkele medestanders, zoveel mogelijk stemmen van de tegenpartijen weggegooid, en misschien stemmen voor de PDP toegevoegd. In het slechtste geval zou de uitslag van dat bureau ongeldig verklaard worden, wat geen ramp was gezien de initiële verwachting. Aminu werd voor zijn medewerking beloond, maar hijzelf en de PDP-politici hadden de 'jongens' jobs in het vooruitzicht gesteld. Die zijn er nooit gekomen. De meeste jongens denken er nu aan bij de volgende verkiezingen de APP te helpen, in het noorden de grootste pleitbezorger van de sharia.

"Wat is de situatie?", vraagt Aminu. "Mijn boys willen werken. Zelfs een job die amper 5.000 naira per maand betaalt, zouden ze met beide handen aannemen (1 euro is 115 naira waard, RR), maar ze vinden niets. In Nigeria moet je om te kunnen werken ofwel connecties hebben, ofwel geld. Wil je politieagent worden, dan moet je eerst 30.000 naira betalen aan een hogere superieur, en daarna maandelijks een deel van je loon aan hem afstaan. Voor andere beroepen geldt dat evenzeer, al kan het bedrag verschillen."

Enkele oudere boys leggen zelf hun wedervaren uit. De 'barrister', zo genoemd omdat hij een studie rechten heeft afgemaakt, is een levende illustratie van Aminu's theorie. Hij kon studeren omdat zijn vader redelijk welvarend is. Maar tijdens zijn laatste jaar is die vader gescheiden van zijn moeder en verhuisd naar het zuiden. De 'barrister' heeft nu niemand meer die hem inkoopt in een job. Hij verkoopt benzine langs de weg.

Iqbal is de oudste van de jongens, vijfentwintig. Hij draait aan een transistor, waar uiteindelijk Bob Marley uit opklinkt. Hij is aan zijn tweede joint toe. Op zijn T-shirt heeft hij een button van een sjeik gespeld. Is hij streng gelovig? "God is vergeving", zegt hij maar meteen, naar zijn joint wijzend. "De sharia is goed, man", gaat hij verder, "maar dit is geen leven zonder af en toe een joint. Als we niet roken, maken we brokken. Wat is dan beter?"

Volgens de sharia verdient hij voor een joint zo'n tachtig stokslagen.

Hij loenst uit een oog naar Aminu. "Als ik niet uitvoer wat Aminu me opdraagt, krijg ik nog meer stokslagen. En ik weet niet hoe dat in de sharia gaat, maar Aminu slaat hárd."

Aminu is zijn kwelgeest en zijn held. Hij gelooft dat Aminu, na zijn ongeval, onkwetsbaar is geworden. "Hoe hij tegen pomphouders tekeergaat! Die man is zonder vrees, dodelijk."

Aminu beweert dat de groep tegenwoordig relatief vreedzaam is. Ze is gewapend, "want dat legt de islam ons op, we moeten onszelf kunnen verdedigen". Maar in het grote plan der dingen vindt hij niet dat christenen zijn vijanden zijn. "Met uitzondering van de Yoruba. In hun gebieden in het zuidwesten van Nigeria plegen die nu en dan aanslagen tegen moslims. Als er zo'n moordpartij gebeurt, zijn we wel verplicht te reageren."

In Kano is religie alomtegenwoordig. In sommige straten vind je meer kerken dan huizen. En op vrijdag kun je in de hele stad het grote gebed gadeslaan. Dat is het spectaculairst in de Centrale Moskee, waar de emir zijn vrijdagsplicht vervult, en waar niet alleen de moskee gevuld raakt maar ook een groot plein eromheen. Tienduizenden mannelijke gelovigen bidden synchroon: ieder zoekt zich een plekje en uiteindelijk zit het overal vol, in een toonbeeld van niet strikt georganiseerde maar toch enigszins lugubere samenhang. De pottenkijker die ik ben, is niet welkom. Misschien vijftien keer wordt me gevraagd wat ik moet, en of ik niets beters te doen heb dan rond te lummelen waar anderen bidden.

Aan de overkant van de Centrale Moskee begint na het vrijdagsgebed een ceremonie van een heel ander kaliber. Daar houden de soefi's hun dienst, de mannen op de binnenplaats van hun moskee, en de vrouwen, zo wordt me verteld, elders maar even intens. Het gebed aan en in de Centrale Moskee verschilt niet of nauwelijks van vrijdagsgebeden in andere landen: dat deel van de religie is voor het grootste deel geïmporteerd. De Nigeriaanse soefi's daarentegen dansen en zingen duidelijk anders dan soefi's in Turkije of Soedan. Wie dat zo aanvoelt benadrukt de maat, maar bijna evenveel aanwezigen zingen tegen het hoofdritme in, en het resultaat is behoorlijk opzwepend, met ettelijke climaxen. Uiteindelijk lijken zelfs de muren mee te dansen. Een vader komt zijn babyzoon aan de gemeenschap tonen, ook de baby wiebelt in de armen van zijn vader, iedereen maakt wensen over en probeert positieve vibraties op het kind over te brengen. De soefi's zijn enkele uren in de weer met hun dienst, ze maken repetitieve bewegingen omdat ze geloven dat herhaling, inspanning en ritme hen helpen om God mystiek te benaderen. Helemaal aan het einde van de dienst geraakt iemand, niet helemaal geloofwaardig, in extase, de naam van Allah roepend, in elkaar stuikend, wild zwaaiend tijdens zijn val.

"Dat overkomt iedereen wel eens", legt Nasir Haruna Kabara uit, die zelf de geloofwaardigheid van zijn gezel niet in twijfel trekt. Nasir is de kleinzoon van de stichter van deze moskee. Hij vergelijkt de extase met aangeraakt worden op een moment dat je niets verwacht. "Dan ben je ook even van je apropos. Zo voelen wij ons soms, alsof God ons heeft aangeraakt en in verwarring en verrukking heeft achtergelaten."

Nasir is laatstejaarsstudent rechten, wat maakt dat hij met meer dan gemiddelde belangstelling de shariadiscussies in zijn regio heeft gevolgd. De soefi's in het algemeen, en hij in het bijzonder, zijn niet heel enthousiast over de invoering ervan. "In principe", zegt hij, "kan ik als moslim niet tegen de sharia zijn. Dat is de wereldse wet die mijn godsdienst voorschrijft. Maar voor mijn eindwerk aan de universiteit heb ik een stage gevolgd in de gevangenis. Ik heb met ettelijke gevangenen gesproken, en uiteindelijk zijn zij levensgrote slachtoffers. In de steek gelaten door hun ouders, geslagen, ondervoed, en dan opgepakt voor een kruimeldiefstal en zelfs door het juridisch apparaat in de steek gelaten, meer vergeten dan berecht. Ga je zulke mensen dan ook nog een hand afhakken? Wat los je daarmee op? In de tijd van de profeet was de sharia een evenwichtig project. Toen was de zakat (de verplichte aalmoes, RR) een dermate overweldigend succes dat niemand genoodzaakt was te stelen. Nu verkeren we in een heel andere situatie. Ik zeg dit met enige spijt in het hart: wij zijn niet rijp voor de sharia."

En wat nu? Want de sharia is al wet in Kano.

"We hebben een zegswijze in Hausa: 'Maak je greppel nooit zo diep dat je er zelf niet meer uit weggeraakt.' Het ziet ernaar uit dat we dit keer de greppel te diep hebben gemaakt."

"De invoering van de sharia was een politieke stunt, en niet veel meer dan dat", zegt professor Attahiru M. Jega, hoofd van het Centre for Democratic Research and Training aan Bayero University. Om hem te bereiken moet je door twee stevige deuren en langs twee kwaadaardige secretarissen, maar zodra je die hindernissen hebt genomen vind je een beminnelijke en behulpzame man.

"Ongeveer alle gouverneurs die de sharia in hun provincie hebben doorgedrukt, hebben in het verleden nooit blijk gegeven van grote religieuze betrokkenheid. Bijna integendeel. En voor ze met de sharia kwamen aanzetten, hadden zelfs onze lokale fundamentalisten nooit de volledige herinvoering van de sharia bepleit. Ineens kwamen relatief gematigde politici met dat idee opzetten. Ze zijn in hun opzet geslaagd: ze hebben de verkiezingen gewonnen."

De herinvoering van de sharia (in de vroege twintigste eeuw hadden de Britten de sharia beperkt tot de privé-sfeer, erfenissen en huwelijken) was verre van goed doordacht, gaat de prof verder. "De politiemacht is nationaal, wat betekent dat in elk deel van het land christelijke agenten samenwerken met moslims. Mag een christelijke agent arrestaties uitvoeren en getuigen voor een shariarechtbank? En wat met gemengde gevallen, waarbij de dader een christen is en het slachtoffer een moslim, of omgekeerd? Wat met de gecreëerde rechtsongelijkheid, die tegen een artikel van de grondwet ingaat? Wat met de rechters? Kunnen rechters die jarenlang in het andere systeem hebben gefunctioneerd zomaar omschakelen, zonder bijscholing?

"De mensen hebben onder meer voor de sharia gestemd omdat het andere rechtssysteem niet functioneert. Dat is tot en met corrupt, daar moet je geen grote gerechtigheid van verwachten, zeker niet als kleine garnaal. Maar de sharia blijkt niet zoveel anders. Opnieuw worden de kleine garnalen bestraft. En de sociale herverdeling, de zakat, hinkt hopeloos achterop. Ook dat is ontgoochelend voor de mensen."

In Kano is de sharia feitelijk opgeschort, aldus de professor, al zal geen politicus dat toegeven: we doen alweer zoals voorheen. Net na de invoering is de vice-gouverneur, samen met enige hooligans, door de christelijke wijken getrokken. Ze hebben enkele alcoholwinkels vernietigd, waarna de gouverneur heeft laten weten dat hij het met dat soort tactieken niet eens kan zijn. Dat was het, grotendeels. Het plaatselijk gebrek aan doorzettingsvermogen kan ermee te maken hebben dat sommigen begonnen te eisen dat de sharia ook de corruptie zou aanpakken. Dat kwam voor enkele machthebbers misschien te dicht bij de deur.

"Zelfs in meer radicale provincies is dat grotendeels het geval: men komt tot één spectaculaire actie, één veroordeling van een zondebok - in Zamfara werd een hand afgehakt, in Sokoto werd Safiya in eerste aanleg ter dood veroordeeld - en dan is het volk bevredigd en kan men weer normaal doen."

Niet dat hij persoonlijk tegen de sharia is (als moslim kan hij daar niet tegen zijn), maar men zou ten minste eerst moeten praten over strafbepalingen. Die verschillen immers van sharia tot sharia, en misschien zijn de traditionele strafmaten van Nigeria niet de ideale.

Een breder probleem, zegt hij, is dat het belang van de religieuze identiteit, die tot de jaren tachtig in Nigeria een ondergeschikte rol speelde, plots met sprongen de hoogte in is geschoten. Om twee redenen, volgens hem. In de jaren tachtig werden de Nigeriaanse burgers getroffen door een saneringsprogramma van het IMF, dat hen in korte tijd stukken armer heeft gemaakt, en in tijden van crisis winnen religies altijd aan aanhang.

Tegelijk werd Nigeria bestuurd door militaire dictators, die geen enkele legitimiteit konden bedenken behalve hun etnische en dus religieuze basis. "Zij hebben de aandacht gevestigd op de verschillen tussen mensen, en zij hebben de ene groep bevoordeeld ten nadele van alle andere."

De reis van Kano naar Sokoto voert ook van twijfelende sharia naar agressief enthousiaste sharia. Het 'als moslim kan ik niet anders dan voor sharia zijn, maar' wordt ineens 'natuurlijk ben ik voorstander van sharia, we hebben eindelijk ons recht terug dat de Britten ons hadden ontstolen'.

Amina Masu, lerares biologie, in chador gekleed, kan haar blijdschap bijna niet onder controle houden, zo enthousiast is ze. "Als we bij jullie in het Westen een video kopen, zit daar steevast een handleiding bij. Als die handleiding zegt dat je de knop naar rechts moet omdraaien om beeld te krijgen, dan kun jij je op je vrijheid beroepen om hem naar links te draaien, maar de kans is groot dat je zonder beeld zult blijven. Zo is het ook met de sharia. Allah heeft ons een handleiding bij de wereld gegeven, en als mensen die handleiding volgen, zal de wereld goed zijn. Als mensen die handleiding negeren, zal de wereld slechter zijn. Zo eenvoudig is het wat mij betreft."

Ze is getrouwd, heeft kinderen en zou er helemaal niets op tegen hebben mocht haar echtgenoot nog enkele vrouwen nemen, "als hij maar de regels volgt".

Sokoto is veel leefbaarder geworden sinds de invoering van de sharia. De lichtekooien zijn uit het straatbeeld verdwenen, de alcoholconsumptie is beperkt tot de militaire zone, "het is niet meer zo eenvoudig voor mannen om hun maandloon op te drinken. Ben je dan tegen dat soort effecten? Ben je ervoor dat kinderen afzien omdat hun vader drinkt?".

In het algemeen, en Amina is het met die stelling eens, is het ideaal dat zonde niet langer voorkomt, maar als er dan toch zonde is, laat ze dan verdoken plaatsvinden, "zodat onze kinderen geen slechte voorbeelden zien".

Ik leg haar enkele bezwaren voor van professor Jega, maar die wuift ze weg. "Natuurlijk wordt het systeem nog onvolmaakt toegepast. Mensen zijn feilbaar, en na honderd jaar Britse justitie moet de sharia roderen."

Amina is ook enthousiast over de uiteindelijke vrijspraak van Safiya Husseini, de van ontucht beschuldigde vrouw die in eerste aanleg tot steniging was veroordeeld. Ze wordt, zoals vele bewoners van Sokoto, heel technisch als ze over de zaak spreekt. "De sharia schrijft voor dat vier getuigen tegelijk de penis in de vagina moeten zien zitten. Als één van de vier twijfelt of hij er wel echt in zat, kan er al geen veroordeling meer plaatsvinden."

Geen veroordeling van de man, werp ik tegen, want Safiya werd voorgeleid omdat ze als gescheiden vrouw zwanger was.

"Ze is na haar echtscheiding zwanger geworden, ze heeft een kind gebaard, en toch heeft de rechtbank geoordeeld dat er onvoldoende bewijs voor ontucht was geleverd. Kun je nagaan hoe zwaar de bewijslast is in de sharia. En als je zou suggereren dat vrouwen de dupe zijn van het systeem: dat is helemaal niet zo. Vrouwen krijgen alle rechten die ze nodig hebben."

Hoe ik ook probeer, ik kan Amina niet tot twijfel bewegen. Zelfs niet met Darwin. "Wij moslims geloven niet dat de mens van de aap afstamt, en heel veel christenen geloven dat evenmin."

Niet iedereen is, zoals Amina, blij met het verdict in de zaak van Safiya. Sommige bewoners vermoeden dat het hof gezwicht is onder druk van internationale en nationale instanties. "En wat dan nog als de rechtbank zich vergist?", vraagt een beursanalist zich af. "Dat wordt toch rechtgezet in de hemel. Maar als ze hier niet gestraft is voor haar fout, zal haar straf in de hel dubbel zo streng zijn."

Bedoelt hij dat men beter de wet te streng toepast? "Dat bedoel ik. Het slachtoffer wint uiteindelijk in de hemel."

Een van de redenen voor de vrijspraak was dat de 'ontucht' geschiedde voor de sharia opnieuw van kracht werd, en ook dat zet kwaad bloed. De sharia is de eeuwige wet van God, hoe kan die door menselijke ingrepen tijdelijk niet van kracht zijn?

Sjeik Mode Abubakar ergert zich officieel aan mijn bezoek en is officieus in zijn nopjes. Wanneer ik me aanmeld, laat hij een mat voor zijn deur ontrollen. Zijn stem krast en raspt en galmt door de buurt. "Waarom kom je onze sharia bekritiseren?", vraagt hij, en hij vertaalt zijn vraag in Hausa voor de slechte verstaander.

De sjeik is voorzitter van de commissie die de sharia in de provincie Sokoto weer op de been moet krijgen. Hij beperkt zich niet tot rechtbanken alleen. Hij stimuleert ook de oprichting van scholen waar zowel wetenschap als deugd wordt gedoceerd (Amina Masu geeft les aan zo'n nieuw opgerichte school), hij stimuleert de hervorming van ziekenhuizen, enzovoort. "Dat is namelijk de bedoeling van de sharia", blaft hij. "Het goede stimuleren en het slechte beteugelen. Hak een hand af, en dat heeft twee positieve gevolgen: de schuldige leert zijn les, en alle niet-schuldigen zullen minder snel in de verleiding komen."

Zijn er al handen afgehakt in Sokoto?

"Eén." (De griffier van het hof van beroep ontkent dat. Er is wel een geval in behandeling dat uiteindelijk tot een dergelijke veroordeling zou kunnen leiden.)

En wat zijn de problemen bij de introductie van de sharia?

"Er zijn geen problemen, er zijn enkel voordelen. We leven nu in Gods land, dat is het voornaamste voordeel. Overigens, wil je vermelden dat ik vind dat moslims in Europa ook hun recht op de sharia moeten opeisen?"

Ook dat vertaalt hij in Hausa. Een stuk of vijftig omwonenden steken enthousiast hun rechtervuisten in de lucht.

Dat zou indruisen tegen het idee van rechtsgelijkheid, werp ik tegen.

"Wat is er mis met rechtsongelijkheid? Is er geen rechtsongelijkheid tussen een Belg en een Zwitser? Wellicht wel. In de VS is er rechtsongelijkheid tussen de staten. Waarom dan bij ons niet? Omdat het systeem jullie niet aanstaat? Omdat jullie tegen moslims zijn? Is ons systeem niet veel genuanceerder? Als christen word je beoordeeld volgens het Britse systeem, als heiden kun je desnoods een eigen systeem aanvragen."

Ik werp het geval Safiya op, maar de voorzitter laat zich daar niet over uit. "Ik zal op die kwestie ingaan als je evenveel aandacht besteedt aan alle Safiya's die bij Amerikaanse bombardementen op Afghanistan om het leven gekomen zijn, of aan alle Safiya's die gestorven zijn bij Israëlische aanvallen op Libanon of Palestina. Nee, noteer dat maar: dat alle moslims in Sokoto blij zijn met de sharia, dat de sharia het leven heeft verbeterd." Ook dat vertaalt hij.

Ik tracht aan te kaarten dat veel specialisten van de islam, zoals de Tunesische historicus Mohammed Talbi, hebben geargumenteerd dat de sharia zoals die in Nigeria wordt toegepast gebaseerd is op betwistbare, wellicht later toegevoegde delen van de overlevering. Dat er op het Arabisch schiereiland ten tijde van de profeet helemaal geen stenigingen meer plaatsvonden.

"Hoe heet die man? Die zal wel dansen naar de pijpen van zijn westerse broodheren."

Hij wuift dan en klapt zijn handen in elkaar, ten teken dat de audiëntie is afgelopen.

Ibrahim, mijn taxi-motorrijder die de discussie in vertaling heeft gevolgd, laat blijken dat niet iedereen even enthousiast is over de sharia als de sjeik. Hij voert me naar de lokale cinema, die wegens de sharia gesloten werd. Wie het kan betalen kijkt nu naar video's, maar Ibrahim heeft geen elektriciteit in zijn huis, laat staan een videorecorder, en hij mist die cinema. De subsidies voor dans, hoor ik elders, zijn ook ingetrokken. Er zijn misschien niet veel critici van de sharia, en zeker niet veel openlijke critici, maar er zijn er een paar.

Hadjia probeert een goede moslim te zijn. Al tweemaal is ze op bedevaart naar Mekka geweest. Tegelijk is ze de provinciale coördinatrice van een vrouwenorganisatie, WRAPA (Women's Rights Advancement and Protection Alternative), op haar manier een feministe. In die laatste hoedanigheid bezorgde ze Safiya juridische ondersteuning. Dat is ook de reden waarom ik haar opzoek, omdat zij me bij Safiya kan brengen. "Verwacht niet te veel van een dergelijk bezoek", zegt ze direct. "Safiya is geen spraakwaterval. Ze zal je zeggen dat ze blij is en dat ze God bedankt, dat kan ik zo voorspellen."

We besluiten toch een expeditietje te organiseren. De tocht voert ons 40 kilometer buiten Sokoto, gedeeltelijk over zandwegen, naar Tungan Tudun, de woonplaats van Safiya.

In afwachting van dat bezoek is het contact met Hadjia leerrijk. Eerste effect van de sharia: we zitten nooit op dezelfde bank in de auto. Als de vrouw stuurt, moet de man achterin zitten, of omgekeerd. Een tijdlang werd het vrouwen zelfs verboden om achterop motortaxi's te zitten, maar bij gebrek aan alternatief werd dat verbod weer opgeheven. Deze feministe houdt zich zonder morren aan de autoregel, net zoals ze resoluut mijn hand afwijst - een man een hand geven druist in tegen (de lokale interpretatie van) de sharia. Hadjia accepteert de sharia ten volle. "Als je de teksten goed interpreteert, is ook voor vrouwen binnen de islam the sky the limit."

Maar die goede theorie botst volgens haar op vaak kwalijke praktijken. Daar kan ze uit eigen ervaring boekdelen over schrijven. Neem haar huwelijk. Ze is de eerste vrouw van een vooraanstaande politicus in Sokoto. "Wat schrijft de islam voor? Dat een man zijn vrouw in al haar behoeften moet bevredigen, dat hij zelfs inkopen voor haar moet doen, dat hij moet koken. En dat zij hem, in ruil, tevreden moet stellen, moet bevredigen en moet instaan voor de opvoeding van de kinderen. In zo'n situatie zou ik er niets op tegen hebben om thuis te blijven, als al mijn behoeften, cultureel, wetenschappelijk of van welke aard ook, door mijn echtgenoot bevredigd zouden worden."

Maar zo gaat het niet in haar huwelijk. Haar echtgenoot heeft na haar nog vier echtgenotes bijgenomen (en van een is hij ook weer gescheiden), die allemaal in hetzelfde huis zijn ondergebracht, met in totaal zestien of zeventien kinderen (zestien volgens haar telling, zeventien volgens de zijne). De nieuwste echtgenote is veertien jaar of zelfs jonger. "Op dat gebied blijven onze wetten dode letter. Een man kan trouwen met vrouwen die zo jong zijn als het hem belieft. Verder is er geen privacy, er is competitie tussen de vrouwen. Als we niet slimmer waren, zouden we zelfs om het meest baby's produceren. Dat gebeurt overigens nog vaak genoeg. We bevinden ons in een situatie die zelfs volgens de sharia niet ideaal is, want ten tijde van de profeet had elke vrouw ten minste haar eigen huis. Laat staan dat mijn echtgenoot al mijn behoeften bevredigt. Daarom moet ik wel buitenshuis bevrediging zoeken."

Op zich is het tragikomisch. Haar echtgenoot probeert keer op keer iemand te vinden die echt de hele dag bij hem blijft. "Maar ik werk nu buitenshuis. De tweede vrouw is verpleegster. De derde is beginnen te studeren. En het jong verveelt zich ook al. Het zal hem nooit lukken iemand thuis te houden."

Aan de andere kant zijn er bepaalde taboes in de sharia, zoals geboortebeperking, die zich toch wel laten omzeilen. "Noem het geen geboortebeperking, noem het spacing, spreiding. Dat is een concept waar mensen mee vertrouwd zijn, onze voorouders pasten het beter toe dan wij nu. Toen baarde een vrouw gemiddeld om de drie jaar een kind, nu is dat bijna om de twee jaar, en in veel gevallen zit er minder dan zes maanden tussen twee zwangerschappen."

Hadjia heeft enkele solidariteitsbetuigingen meegebracht die ze ter attentie van Safiya toegestuurd gekregen heeft. Safiya zelf kan niet lezen, Hadjia moet ze haar voorlezen. Sommige teksten zijn in het Frans. Een Franse kaartschrijfster, hoe goedbedoeld ook, heeft het over een barbaars rechtssysteem. Ik vertaal voor Hadjia. "Barbaars? Wij moslims kunnen niet aannemen dat het systeem barbaars is. Het systeem komt van God. Hoe kan dat barbaars zijn? Misschien kan het door een slecht functioneren van de mensen af en toe barbaars worden."

Is zijzelf in principe tegen steniging? Zelfs dat wil ze niet zo gezegd hebben. "Ik zou alles in het werk stellen opdat mensen niet de fout maken die op dergelijke wijze bestraft wordt."

We naderen Safiya, nog even gehinderd door twee dromedarissen, zo zwaar met hooi beladen dat enkel het ongewassen, wiebelende achterwerk van de tweede te observeren valt.

Tungan Tudun is een dorp zonder stromend water en zonder elektriciteit, met twee soorten constructies (kubussen uit leem, waarin mensen wonen, en mooie koepels uit leem, waarin de oogst wordt bewaard). Er staan ook twee soorten bomen: nimbomen en mangobomen. De mango's moeten net geoogst zijn, want de dorpelingen lijken allen bezig de kleinste vruchten zelf op te eten.

In de hoofdstraat (de zandweg waarlangs auto's passeren) zit Safiya's blinde vader, die teken doet dat zijn dochter thuis is. "De meeste families", zegt Hadjia, "zouden een dochter met Safiya's problemen verstoten hebben. Maar haar familie is haar altijd blijven ondersteunen. Dat heeft haar goed geholpen."

De vader woont in de hut aan de waterput. Hij komt aangeschuifeld. Terwijl Hadjia met de post verdwijnt naar het huis van Safiya, laat de vader me uitleggen dat hij een vierdegeneratie tweeling is. Van zijn betovergrootvader tot hemzelf, telkens van vader op zoon.

'Is dat een zegening of een vloek?', laat ik hem vragen. Veel culturen wantrouwen tweelingen.

"Een zegening", zegt hij. "Men beweert dat wat wij iemand toewensen, gegarandeerd uitkomt." Hij wenst me meteen behouden reizen toe, waarbij hij me hardnekkig de hand schudt.

Hij haalt me ook binnen in zijn hut, die eerst helemaal leeg is, waarna er enkele matten worden neergegooid. Na enige tijd vervoegen Safiya en Hadjia zich bij ons. Safiya, stralend, draagt een wax die bedoeld was voor de rechtszittingen, veel chiquer dan gemiddeld voor dit dorp. Ze houdt het kind des aanstoots trots bij zich: Adama. Als ze dat kind in een vroeg stadium had laten aborteren was er niets aan de hand geweest, weet Hadjia, al is abortus even erg tegen de sharia als ontucht.

Haar verhaal gaat ongeveer als volgt. Een man viel haar lastig, trok haar in een hut en verkrachtte haar. Op dat moment was Safiya gescheiden van haar tweede echtgenoot, of juister: ze was ten tweede male verstoten door een echtgenoot. Ze was totaal verpauperd. Ze had al drie kinderen, van wie er twee volwassen zijn (ze heeft momenteel vijf kleinkinderen).

De verkrachting werd niet gerapporteerd, dat gebeurt hier zelden of nooit. Maar toen Safiya zwanger bleek zonder echtgenoot maakten twee dorpsgenoten de zaak aanhangig bij de lokale shariarechtbank in Gwadabawa, 10 kilometer in de richting van Sokoto-stad. Daar werd de vermoedelijke dader gehoord. Hij ontkende alles: dat hij verkracht had, dat hij betrekkingen met Safiya had gehad, zelfs dat hij haar kende. Een vaderschapstest bleef achterwege, hoewel daar, werd me gezegd, principieel geen bezwaar tegen bestond. De man verdween met de noorderzon en is nooit meer teruggekeerd naar het dorp.

Wie waren de dorpelingen die de zaak aanhangig maakten? De ene was een enthousiasteling van de sharia, wat men een fundamentalist zou kunnen noemen, dixit Hadjia. De ander was iemand die, zoals Safiya het formuleerde, "iets tegen me had". Ze geeft geen details wat precies zijn probleem met haar was. Hun klacht werd overgenomen door een procureur, wat maakt dat ze na haar vrijspraak niet bestraft kunnen worden (wat anders wel de regel is in de sharia: wie beticht zonder te bewijzen wordt bestraft met tachtig stokslagen).

In eerste aanleg, en zonder uitgekiende verdediging, verloor Safiya het proces in Gwadabawa. Op het moment dat ze beschuldigd werd, wist ze zelf niets af van de mogelijke strafbaarheid van haar zwangerschap. De straf werd trouwens uitgesteld omdat, opnieuw volgens de sharia, een tot steniging veroordeelde moeder eerst haar kind moest kunnen zogen. Maar men schepte er een genoegen in haar uit te leggen hoe de straf zou verlopen. Ze zou ingegraven worden, waarna haar hoofd en bovenlichaam met stenen bekogeld zouden worden, tot de dood erop zou volgen.

De zaak trok internationaal de aandacht en in haar beroep werd Safiya bijgestaan door een legertje advocaten. Ze veranderde, op hun aangeven, haar verhaal. Ze verklaarde nu dat het kind van de tweede echtgenoot was, na 'een slapende zwangerschap'. De sharia aanvaardt het principe dat een zwangerschap tot zes jaar na een huwelijk kan doorbreken.

Het officiële vonnis, in Hausa, dat op 27 maart werd voorgelezen, is nog niet door de griffie van Sokoto vrijgegeven, maar volgens Hadjia waren er drie elementen die voor de rechtbank in beroep de doorslag gaven. Eén: de sharia was op het ogenblik van het 'misdrijf' nog niet heringevoerd. Twee: als de echtgenoot de vader was, is er geen sprake van misdrijf. Drie: de procureur heeft geen afdoende bewijs van ontucht geleverd. In de pers werd geschreven dat Safiya het vonnis eerst niet begrepen had. "Jawel", zegt ze. "Het werd in Hausa voorgelezen, ik begreep perfect dat ik vrijgesproken was."

Dacht ze voordien dat haar laatste uur geslagen had?

"Ik had mijn lot in Gods handen gelegd. Ik zou vernemen wat God voor me in petto had."

Was ze dan niet bang?

Ze klopt op haar buik. Safiya heeft iets - heiligschennende gedachte - van een cafébazin, en, misschien nog een gevaarlijker veronderstelling, iets verschrikkelijk ondeugends. Ze kijkt me rechtstreekser aan dan Hadjia dat doet, ze wuift naar me terwijl haar broer haar gedragingen met wantrouwen volgt.

Ineens beginnen de toehoorders, haar familie en het halve dorp, te lachen. Ze vertelt, zegt Hadjia, dat ze een week lang geen hap heeft kunnen eten, wat des te opmerkelijker is omdat ze anders nooit genoeg naar binnen kan werken.

Hoe reageerden de twee dorpsgenoten die haar beschuldigd hebben op het vonnis?

"Ik heb gehoord dat ze spijt hebben van hun beschuldiging, maar we hebben sindsdien niet met elkaar gesproken."

Wat doet ze nu voor de kost?

Ze heeft wat geld gekregen van het nationale ministerie van Vrouwenzaken, en voor het overige vlecht ze kapsels in het dorp en vlecht ze matten. Ze wil nog even haar dankbaarheid uitdrukken aan allen die haar ondersteund hebben, de duizenden die kaarten stuurden, al kan ze die zelf niet lezen, de organisaties die haar advocaten hebben betaald: "Moge God hen belonen."

"Dit is zoals God het gewild heeft", zegt ze. "Ik hoop dat God me mijn zonden kan vergeven."

Vindt ze zichzelf dan schuldig?

Nee nee, aldus Hadjia, dat is gewoon een formule die mensen gebruiken.

Haar eerste echtgenoot had Safiya opnieuw ten huwelijk gevraagd, ze geeft niet aan waarom, maar zijn familie was ertegen en de zaak is afgesprongen. "Maar ik hoop binnenkort opnieuw te trouwen."

Wat vindt ze ervan dat in de provincie Katsina opnieuw een zwangere vrouw is veroordeeld tot steniging, een nieuwe Safiya?

Ze schudt het hoofd. "God zij haar genadig."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234