Zaterdag 16/01/2021

Tussen de raderen van de tijd

Van een afstand: Ilja Ehrenburg. 'Ik ben nooit onverschillig geweest'

Viktor Sjklovki, Russisch literator en overlevingsexpert van joodse origine, gaf zijn tijdgenoot Ilja Ehrenburg (1891-1967) de bijnaam Paul Saulovitsj. Een bekeerling die het voor het zeggen kreeg. Ehrenburg had er geen moeite mee, hij noemde zichzelf "sovjetburger van joodse nationaliteit". Zijn fanatiek anti-Duitse oorlogsverslaggeving kreeg het fiat van Stalin; zijn novelle De dooi, die kort na de dood van de dictator verscheen, was de eerste schuchtere poging in de sovjetliteratuur om te breken met het stalinisme. Begin jaren zestig schreef Ehrenburg zijn ophefmakende memoires Mensen, jaren, leven. Tegen zijn verwachtingen in raakte het overgrote deel ervan gepubliceerd in de toenmalige USSR. De Nederlandse vertaling onder de titel Ik ben nooit onverschillig geweest is een selectie uit de 1.500 bladzijden van de Russische derde druk van 1990.

Ik ben nooit onverschillig geweest is een toepasselijke titel. Ehrenburg heeft altijd partij gekozen. In zekere mate en met een veiligheidsmarge. Toen hij in 1891 in Kiëv geboren werd, heerste er hongersnood in Rusland; datzelfde 1891 was een legendarisch wijnjaar in Frankrijk. De symboliek is doorzichtig: Ehrenburg verteerde de revolutie in Sovjet-Rusland, maar hij vertoefde ook jaren in het aanlokkelijk decadente buitenland.

De gedenkschriften vangen aan met zijn Parijse jaren. De zeventienjarige Ehrenburg was in Moskou opgepakt voor revolutionaire agitatie. Van de kolonel van de staatsveiligheid die de ondervragingen leidde, kreeg hij thee met koekjes aangeboden. Het ging er toen blijkbaar knusser toe dan bij de latere verhoren onder Lenin en Stalin. De jonge Ehrenburg vluchtte in 1908 naar Parijs. In zijn herinneringen heeft de lichtstad haar aureool behouden: Parijs als een historisch decor, een theater waarin volop wordt geleefd in vrijheid-blijheid.

Ehrenburg, een sjofele vogelverschrikker in die dagen, duikt onder in de bohème. Het artiestencafé Rotonde aan de boulevard Montparnasse wordt zijn vaste stek en hij maakt er kennis met het puikje van de Parijse kunstwereld, een internationaal gezelschap. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog wil hij als vrijwilliger dienst nemen in het Franse leger, maar wordt afgekeurd: "Je kunt niet ongestraft drie of vier jaar lang de voorkeur geven aan gedichten boven rundvlees." Het waren slechte gedichten, bekent Ehrenburg. Hij werd meer gefascineerd door het picturale. In de memoires levert dat boeiende schildersportretten op. Hij heeft het over Modigliani, die pas na zijn dood erkenning kreeg; hij interpreteert het kubisme van Léger als de verbrokkelde voorstelling van de oorlogsmachine; hij probeert hoogte te krijgen van het genie van Picasso. Aan die contacten houdt hij één levenslang inzicht over: kunst is uniek en onherhaalbaar; ze staat haaks op mechanische of ideologische reproductie.

Tijdens de revolutiejaren 1917-1920 keert Ehrenburg naar Rusland terug. Het zijn barre tijden, maar Ehrenburg onthult zijn moeizame overlevingsrituelen slechts mondjesmaat. Er is sprake van een pogrom in Kiëv en van zijn exodus naar de Krim en de Kaukasus.

De memoires behandelen nu vooral Ehrenburgs ontmoetingen met bekende Russische auteurs, die in kritisch tegenlicht de revue passeren. Boris Pasternak wordt een groot dichter genoemd, en een verstokte egocentrist: hij hoorde het gras groeien en het hart kloppen, maar bleef doof en blind voor de loop van de tijd. Dat slaat vooral op Pasternaks latere meesterwerk Dokter Zjivago, volgens Ehrenburg een mislukte, "onzuivere" roman. Ook op de dichter Vladimir Majakovski blikt Ehrenburg met gemengde gevoelens terug. Majakovski was in zijn ogen de futuristische branieschopper die het onaantastbare culturele erfgoed verloochende. Hij vernietigde de schoonheid van het verleden en daarmee zichzelf. Ehrenburg parafraseert de beroemde versregel die Majakovski kort voor zijn dood schreef: de boot van de liefde is niet stukgeslagen op het leven; Majakovski's leven is stukgeslagen op zijn poëzie.

Het valt op dat de grote figuren die Ehrenburg hier in herinnering brengt op een tragische manier aan hun einde zijn gekomen. De dichters Majakovski en Jesenin pleegden zelfmoord, de dichter Mandelstam en de dramaturg Meyerhold werden weggezuiverd onder Stalin, Pasternak bezweek aan de hetze tegen hem in Sovjet-Rusland na zijn Nobelprijs. Ehrenburg rehabiliteert hen en eert hun nagedachtenis in zijn memoires, maar je moet veel tussen de regels lezen, hij ging precies zo ver als hij in die periode van geleidelijke dooi, begin jaren zestig, kon gaan. Een zeldzame keer is er ruimte voor een schokkend beeld: de zieke en verkleumde Mandelstam die vlak voor zijn dood in een Siberisch kamp sonnetten van Petrarca zit te lezen bij het houtvuur.

In de verantwoording van zijn memoires belooft Ehrenburg een boek dat eerder over hemzelf zal gaan dan over een epoche. Dat credo wordt later herhaald: "Ben ik inderdaad een scepticus, een cynicus, een nihilist? Ik kijk terug op mijn verleden." Hij gaat dieper in op het proza van de joodse sovjetschrijver Isaak Babel. Ehrenburg noemt hem zijn beste vriend. Hij citeert een tekst van Babel waarin die het heeft over zijn laatste ontmoeting met de schrijver Bagritski. Babel en Bagritski waren beiden afkomstig uit Odessa aan de Zwarte Zee, een goede plek om oud te worden. Babel schreef: "We zagen onszelf al zitten als oude, sluwe, zwaarlijvige mannen die zich warmen aan de zon van Odessa, aan zee, op de boulevard, en de vrouwen met een lange blik nakijken." Die ene geciteerde zin vertelt meer over de mens Babel dan de uitvoerige literaire lof die Ehrenburg de auteur Babel toezwaait. Babels wens is niet uitgekomen. Ehrenburg schrijft: "Babel werd in de lente van 1939 gearresteerd. Ik kreeg er met vertraging bericht van - ik was in Frankrijk." Ook die zin is typerend. Voor Ehrenburg. Ik ben nooit onverschillig geweest presenteert een mooie keuze uit Ehrenburgs lijvige memoires, die het hele interbellum bestrijken. Hij schetst de sfeer in Berlijn en Parijs eind jaren twintig, hij fulmineert vanuit Frankrijk tegen fascisme en nazisme in opmars. En hij blijft geloven in Sovjet-Rusland, van zekere afstand. Ehrenburg schreef met de overwinning op Hitler-Duitsland nog sterk in het geheugen, hij leidde de dooi in in zijn vaderland dat in niet geringe mate tot die overwinning had bijgedragen, en hij vond ondanks alles woorden voor de menselijke kant van zijn epoche. Hij heeft meer gedaan dan de meeste intellectuelen van zijn generatie.

Ilja Ehrenburg (uit het Russisch vertaald door Charles B. Timmer & Tom Eekman), Ik ben nooit onverschillig geweest, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 376 p., 1.199 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234