Woensdag 08/12/2021

Tussen de gedichten in

Waar ligt de waarheid over po�zie? Ik zou het niet weten. De criticus heeft die zeker niet in pacht

Essays over poëzie

Dat een dialoog tussen dichter en criticus wel degelijk iets oplevert, bewijzen twee pas verschenen essaybundels. En dat Groot Gelijk, zonder dat de mening van de dichter gevraagd wordt, evenzeer tot nadenken stemt, besef je door de essays van Komrij.

Marjoleine de Vos

Dichtersgesprekken

Prometheus/NRC Handelsblad, Amsterdam/Rotterdam, 271 p., 17,95 euro.

Yves T'Sjoen

Stem en tegenstem

Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 260 p., 19,90 euro.

Gerrit Komrij

Kost en inwoning

Bert Bakker, Amsterdam, 156 p., 18,95.

Geen dichter die precies zal kunnen omschrijven hoe en wanneer woordcombinaties de aanzet tot een gedicht vormen. Voor één gedicht lukt dat nog wel, maar niet voor een half oeuvre. Om poëzie te schrijven, is er toch een soort blind vertrouwen in de bestemming nodig, waarmee ik helemaal niet bedoel dat het bewustzijn van de dichter op zo'n moment uitgeschakeld wordt. De tijd van de Muze is al enkele decennia voorbij, of je moet Jean-Pierre Rawie heten, die schrijven beschouwt "alsof je hand toch enigszins geleid wordt". De dichter is misschien niet de beste interpretator van zijn eigen werk, maar hij is in elk geval een bevoorrechte lezer. En daarom zijn de uitspraken die hij doet, voor mijn part even relevant als die van een criticus. Poëzie lezen, betekent namelijk altijd een individuele mentale reis maken. Een gedicht bestaat uit evenveel versies als het lezers heeft. Dichters kunnen relevante uitspraken doen over de betekenisdragende elementen vorm, inhoud en ritme, die de lectuur kunnen verrijken.

Het is de verdienste van Marjo-leine de Vos dat ze in de gesprekken met de dichters die ze voor NRC Handelsblad interviewde en die ze nu in Dichtersgesprekken bundelde, hen vooral bedenkingen op die gebieden ontlokt. Ze probeert de dichters geen sluitende interpretatie te ontfutselen, maar voert samen met hen een 'close reading' van een gedicht van hen uit. Al is het een beetje uit de mode, toch vind ik deze aanpak hier best geslaagd, omdat De Vos de dichters vraagt om dicht te blijven bij wat er staat en omdat ze hen geen veralgemenende uitspraken probeert te ontlokken. Ze is bovendien gaan praten met dichters die duidelijk verschillende soorten poëzie schrijven. Van Astrid Lampe tot Anna Enquist en van Jean-Pierre Rawie tot Kees Ouwens. Uit de gesprekken blijkt hoe hun toon, stijl en de manier waarop ze een onderwerp benaderen soms ver uit elkaar liggen, maar net zo goed zijn er parallellen. De meeste dichters hechten bijvoorbeeld veel belang aan klankkleur en ritme.

Nog boeiender is wat Yves T'Sjoen doet in zijn essaybundel Stem en tegenstem. In zijn inleiding pleit hij voor een genuanceerde, niet-geprogrammeerde blik op poëzie, een standpunt dat me sterk aanspreekt. T'Sjoen wil ergocentrische kritiek. Hij wil een ingewijde lezer zijn en hij bewijst met deze boeiende bundel dat hij dat daadwerkelijk is. De bundel is een rijke verzameling tweespraken die aantoont dat kritiek een aanvulling kan zijn op het werk van de dichter, zonder in blinde bewondering te vervallen. T'Sjoen leest vooral met empathie. Hij probeert de werkelijkheidsopvatting en de houding tegenover taal bij de dichters met wie hij in dialoog gaat, te vatten, zonder zijn interpretatie vacuümverpakt in te blikken. Hij werkt gelukkig niet volgens een systeem, maar past zich aan zijn lectuurervaring van de dichter in kwestie aan. Meestal resulteert dat in een harmonieus woord en wederwoord, maar T'Sjoens tweespraken met Stefan Hertmans en Paul Bogaert, samen met die met Arjen Duinker en Jan Lauwereyns de interessantste, tonen aan dat hij zich kwetsbaar en zeker niet alwetend durft op te stellen. Bogaert pleit ervoor dat de poëziecriticus zich niet als een alwetende zou opstellen - bijvoorbeeld als het gaat om uitspraken over ritme en muziek in een gedicht - en dat hij zijn voorkennis van het werk en uitspraken erover zou verduidelijken voor de lezer. Ook een criticus is maar iemand die vanuit zijn persoonlijke ervaring leest en dus 'misleest'. Behartigenswaardige gedachten, want de criticus is voor mijn part zeker niet alwetend. En toch vind ik dat je het belang van de criticus in deze tijd niet te veel mag relativeren, want door de commercialisering van kranten en tijdschriften hebben hoofdredacties liever een interview met een bekende kop of een oordeel aan de hand van een soort Michelin-sterrensysteem dan een genuanceerd oordeel van iemand met veel leeservaring. Een criticus schrijft voor een krant of tijdschrift - en dus voor een breed publiek - in de hoop om lezers op kwaliteit te wijzen en om hen van een clichématige leeshouding en dus van vooroordelen tegenover een niet voor de hand liggend genre als poëzie af te helpen.

Gerrit Komrij leest overduidelijk vanuit zijn eigen leeservaring. En hij doet dat weer met bravoure in de essaybundel Kost en inwoning, het sluitstuk van de trilogie In liefde bloeyende (1997) en Trou moet blycken (2001). Jammer dat Komrij na deze bundel zijn poëzie-essayistenkap over de haag gooit, zou je denken, want hij is als geen ander in staat om op het eerste gezicht oninteressante gedichten van dichters die in de plooien van de geschiedenis verdwenen zijn, nieuw leven in te blazen. De afdeling 'Onderbelicht', over vergeten dichters en gedichten, vind ik dan ook de sterkste. Hoe minder spectaculair het gedicht, hoe eleganter Komrij's formuleringen, al deel ik zijn mening lang niet altijd, bijvoorbeeld waar hij concludeert "Betekenis is een bijkomstigheid." Ik heb ook ernstige bezwaren tegen enkele stukken uit deze bundel. Dat hij zijn lovenswaardige aanpak om op de eerste plaats de gedichten nauwkeurig te lezen, laat varen om het werk van Christine D'haen, Dirk van Bastelaere en Anneke Brassinga grondig over de hekel te halen, siert hem niet. Over D'haen schrijft hij: "Ze werd een halfroomse, halfklassieke Sibylle die ervan overtuigd leek dat ze in alles het laatste woord hoorde te hebben omdat ze in raadselen sprak." Over Van Bastelaere: "Dirk van Bastelaere zei over poëzie af en toe iets verstandigs, al had hij het nooit van zichzelf." En over Brassinga: "Anneke Brassinga praat niet, ze doet aan dictie; ze wandelt en eet niet; ze schrijdt en consumeert; ze dicht niet, ze oliebeebommelt; ze schrijft geen poëzie, ze pepert je onophoudelijk in dat ze literair is, dat wil zeggen fijnzinnig." Misschien toch niet zo jammer dat Komrij het als essayist voor bekeken houdt. Taalgerichte, reflectieve poëzie is duidelijk zijn ding niet. Zo doet hij een heel aantal actuele dichters toch tekort. Al moet een criticus nu ook weer niet iedereen tegelijk willen bedienen. Waar ligt de waarheid over poëzie? Ik zou het niet weten. De criticus heeft die zeker niet in pacht. Misschien in het onuitgesproken denken van de lezer, tussen de lectuur van twee gedichten in.

Paul Demets

Dat Komrij zijn lovenswaardige aanpak om op de eerste plaats de gedichten nauwkeurig te lezen, laat varen om het werk van Christine D'haen, Dirk van Bastelaere en Anneke Brassinga grondig over de hekel te halen, siert hem niet

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234