Woensdag 30/11/2022

Tunnelvisie

Die hand van mij. De rechter. Volledig verlamd. Opeens kan ik er geen boekpagina meer mee omslaan, de sigaret valt uit mijn vingers en ik kan hem met dezelfde vingers niet oprapen. De telefoon intoetsen, de vingers rond het oor van de koffiemok plooien, die mok optillen en naar de mond brengen, het overhemdsknoopje sluiten, het deksel van de jampot draaien, een appel schillen, boterham smeren, sleutel omdraaien, zappen, stukje uit de krant knippen, tanden poetsen, kont afvegen. Alles wat men zijn leven lang onbewust vanzelfsprekend met de rechterhand heeft gedaan, daarvan dringt tot het bewustzijn door dat de vanzelfsprekendheid is verdwenen. Sterven begint met het verdorren van de uitsteeksels. In de auto: ik hang mijn gestorven hand in de benedenronding van het stuur en rijd me met mijn linkerhand naar de huisdokter. Wel mijn arm, niet mijn hand kan ik bewegen. Wat als het omgekeerde het geval zou zijn? Mij obsedeert van alle ongemak in de eerste plaats dat ik niet kan schrijven, geen pen kan vasthouden, laat staan beheersen met de hand waarmee ik dat beroepsmatig al zo'n halve eeuw doe. Zo werd Beethoven doof, zegt de arts. En Nietzsche gek, vul ik aan. Kunt u niet met uw linkerhand schrijven? Nee. Kunt u niet op de computer schrijven? Nee. Kunt u niet dicteren? Nee. Iedereen weet altijd hoe je moet schrijven als je niet kan schrijven. Dan is het meest voor de hand liggende dat u ophoudt met schrijven, zegt de geneesheer empathisch. Wat een briljante gevolgtrekking. Het gáát juist om wat voor mijn hand ligt en buiten mijn wil is opgehouden, zeg ik, terwijl moedeloosheid binnensijpelt. Voelt u dit? Hij klopt met een staafje op de rug, dan in de palm van mijn hand. Nee. Kunt u dit? Hij strekt zijn vingers en vouwt ze naar binnen. Nee. Kunt u dit? Maakt een vuist, duim omhoog, draaibewegingen met de duim. Nee. Kunt u dit? Brengt zijn vingertoppen een voor een naar de top van zijn duim. Nee. En dit? De hand plat op tafel en de vingers een voor een oplichten. Nee. Mijn vijfvingerige extremiteit is dood als Beethoven en Nietzsche en nog vele anderen. U lijdt aan CTS, stelt de autoriteit vast, na raadpleging van teksten die lawinegewijs over zijn computerscherm neerstorten. CTS. De computer zegt het, dus aanvaardt de huisarts het blindelings als ontegenspreekbaar dogma. Als de tomtom zegt dat je rechtdoor moet, sla je niet linksaf. Waar heb je anders een computer voor. CTS betekent carpaal tunnel syndroom, legt hij uit. Kijk, aan de binnenkant van de pols, waar de hand begint, loopt overdwars, in de knik, een pees of band die als het ware, zegt de arts, een viaduct of tunnel vormt. Hij heeft de mouw van zijn overhemd opgestroopt en wijst het bij zichzelf aan. Daar onderdoor loopt de grote middelste zenuw van de pols, de nervus medianus nietwaar, via een nauw kanaal naar de hand en vertakt zich naar de vingers. Welnu. Het kan voorkomen, door welke oorzaak is onbekend, dat het kanaal te nauw wordt zodat de zenuw onder druk komt te staan. Vaak is er erfelijke aanleg. Hij leest het allemaal voor uit de computer. Is u iets bekend van erfelijke aanleg? Nee. De symptomen kunnen worden veroorzaakt door het verrichten van langdurige arbeid met polsbewegingen welke de patiënt niet gewoon is. Hier kijkt hij mij vragend aan. Vijftig jaar schrijven is langdurige arbeid, zoveel is zeker, aan de bewegingen die dit vergt is de patiënt gewoon, zeg ik, maar maakt men bij schrijven polsbewegingen alsof men een moker hanteert? Geen nachtelijke tintelingen in de hand, zogenaamde paresthesieën? Nee. De computer staat nu zo dat ik kan meelezen. Paresthesieën staat cursief. Alsof er mieren over uw hand lopen? Nee. Uitstralende pijn naar onderarm, elleboog, schouder? Nee. Gevoel of de hand is opgezwollen? Nee. Atrofie staat ook cursief. Wegkwijning, smelting, verdwijning van gevoel in duim, wijsvinger, middelvinger, muis der hand? Nee. Dat wil zeggen. Het gaat niet om afzonderlijke vingers, muis, mieren, langdurige ongewone polsbewegingen, erfelijke aanleg, zenuwen die niet door carpale tunnels kunnen, ik meen er zeker van te zijn niet aan CTS te lijden, noch aan welk syndroom dan ook. Mijn hele rechterhand is dood, zeg ik, ziet u wel. Vingers, muis, alles des hands laat ik met een bons op het bureaublad vallen, zodat het computerlicht er even van uit en aan gaat. Totaal geatrofieerd, zeg maar dood. Of mijn arm bij de pols is geamputeerd en ik geen hand meer heb, zoals de Congoslaven van misdaadmonarch Leopold II van België. Hij zit nog wel aan mij vast, maar ik kan er niks meer mee. Opeens, van de ene minuut op de andere, zonder paresthesische mieren, kwam in mijn hand het gevoel van een boomblad in de herfst. Ik hang te sterven, denkt zo'n blad. Wel zit het nog met zijn steeltje aan een tak vast, zoals mijn hand aan iets carpaals, maar leven doet het niet meer. Noemt men dat een syndroom? Als ik weldra ten prooi aan finale wegkwijning in een kist word afgevoerd, spreekt men dan nog steeds van syndroom? Wij gaan proberen uw hand te reanimeren. Zodra de huisarts 'wij' zegt doet hij zijn majesteitelijke ponteneur gelden die hem beroepshalve voegt. Ten slotte heeft hij voor de dingen doorgeleerd. Ik niet. Voor geen enkel ding. Ik zeg dan ook nooit wij als ik alleen mezelf bedoel. Bent u allergisch voor injecties? Nee. Hij dient mij op carpaalhoogte een corticoïdespuit toe.

Na vier maanden is mijn hand doder dan metaal, gevoellozer dan steen, onbruikbaarder dan afval. In een straal van 150 kilometer rondom mijn woonhuis ken ik inmiddels alle ziekenhuizen, klinieken, tunnelinstellingen en hun wachtkamers. Nu zit ik tegenover een professor doctor Mafouz. Kijkt mij aan met sfinxenblik uit het land van zijn geboorte, lang geleden. Loopt naar zijn pensioen, heeft al duizend keer van duizend andere handlijders hetzelfde verhaal gehoord. Ja ja, hoor ik hem ongeduldig mompelen. Ja ja, denk ik en zwijg al. Ik hoef de heer Mafouz niets te vertellen, de heer Mafouz is carpaaltunnelspecialist. Anders dan de gewone huisarts, praktijk houdend in zijn dagelijkse klof, draagt de specialist een lange witte jas. Daaraan is te zien dat hij specialist is. Er is een EMG gemaakt. In de hoge hallen der medische wetenschap hanteert men afkortingen. Altijd. Voor alles. Betekent elektromyografie. Dat is de meting van de geleidingssnelheid van de zenuwprikkels boven en onder het polskanaal. Heb ik zelf opgezocht, uiteengezet wordt mij door de chirurgijnselite niks. Bij de vervaardiging van een EMG is de tunnelpatiënt van vingertop tot elleboogholte met elektroden beplakt. De computer registreert de schokjes. Lijnen. Curven. Piepgeluiden. Niet bewegen. De elektromyomicus noteert vinkgewijs in vakjes op een formulier wat de machine uitwijst. Met een rode ballpoint, een groene ballpoint, een blauwe ballpoint. Hij heeft er een liniaaltje bij nodig. Het luistert allemaal zeer nauw. Niet bewegen. Dit Mondriaans document ligt tussen dokter Mafouz en mij op zijn bureau met het in warenhuiszilver gekaderde fototafereel: de professor en zijn vrouw en hun zonen in het Suezkanaal op een boot, jaren terug. Hij droeg toen een faraosikje. Het woei wat scheef in de bries. Een schrijver ziet altijd alles, bij mij heeft het te maken met nog andere aangelegenheden. Ik prent me onbelangrijke details in om mijn gedachten weg te leiden van wat mij al die maanden en nog langer als een syndroom is gaan irriteren en wijzer heeft gemaakt in mijn ervaringen met medicijnvolk. Dat luistert niet. Ik héb geen tunnelaandoening, er moet mij iets anders zijn overkomen dat mijn hand gaandeweg totaal heeft verlamd. Als ik mijn vingertoppen aan de sigarettenpeuk brand, ruik ik dat, ik voel het niet. Roken is al helemaal funest voor alles, zegt zo'n heelmeester dan, u moet ogenblikkelijk ophouden met roken. Het gaat om mijn hand, dokter. Niet over mijn rookmisdragingen. Mijn hand. Niet mijn longen. Een half jaar geleden liep ik in Delhaize achter mijn wagentje en opeens -- Ik hoef niet verder te gaan met mijn wedervaren. De arts heeft er geen belangstelling voor. Tien minuten per cliënt. Geen tijd voor anekdotes en uiteenzettingen, hij is al bezig met de computer. De computer is alwetend en onfeilbaar. Als die diagnosticeert dat ik CTS heb, heb ik CTS. Twijfel, laat staan tegenspraak, is overbodig, zo al niet ongepast. Wie weet het nu beter, de computer of ik. De medische wetenschap is computerwetenschap. Ik lijd aan CTS, punt, al ben ik er instinctief intuïtief nog zo zeker van dat ik er niet aan lijd. Komt nogal eens voor bij zwangere vrouwen en vrouwen in de overgang na inspannende polsbewegingen als het uitwringen van een dweil, zegt de computer. Mijn moedeloosheid is een onderaards zwart meer als in een druipsteengrot in de Ardennen. Probeert u deze pillen eens. Wij gaan proberen of een cortisone-injectie iets uithaalt. U moet uw hand 's nachts op een kussen laten rusten, hoger dan uw lichaam. De CTS-specialist Mafouz mompelt opnieuw ja ja na vluchtige inspectie van het EMG-papier. Al duizend keer zo'n papier op zijn bureau gehad. Hij is een routinier. Mij ziet hij voor het eerst van zijn leven, alsof hij mij niet ziet, zoals de sfinx het toeristenplebs rondom zijn fundament niet ziet. Al duizend keer iemand als ik met een kwipse hand tegenover zich gehad. Al duizend keer zo'n hand. Hij verlangt naar een hangbed onder de palmen in zonnig Egypte. En zoals duizend keer eerder tegen andere cliënten, zegt hij toonloos afgemeten: ik zal een operatie aan uw pols uitvoeren. De medische specialist duidt zichzelf aan met ik, niet dus zoals het mussenvolk in de huisartsbisnis met wij. U kunt een afspraak maken aan de balie. De minuten zijn om. Er wachten nog twaalf anderen. Toet Ankh Mafouz heeft meer te doen. Goedemorgen.

In godes naam dan maar een tunneloperatie. Schaadt het niet, mogelijk levert het toch iets op. Ik wil in ieder geval weer kunnen schrijven, waartoe ik mijn rechterhand nodig heb. Bittere bloemen is voor 3/4 voltooid, tot vlak voor de eindsprint, de deadline al in zicht. Toen verkrampten mijn vingers, rolde de pen over het tafelblad van mij weg en kon ik hem niet meer oppakken. Het boek ligt tot mijn wanhoop al maanden stil, ik kan het niet afronden, hoewel de woorden en zinnen door mijn hersens spatten. Als het onvoltooid blijft, versnipper ik het manuscript, zo staat voor mij al vast. Niet-afgemaakt werk op tafel laten liggen, zonder uitzicht op voltooiing door welke reden of oorzaak ook, blijft herinneren aan artistiek faillissement. Het moet dus weg. Schuberts Unvollendete loochent dit goddank, het zielige postume ding van Mulisch bevestigt het. Het is goed mogelijk een manuscript te versnipperen met de linkerhand. Tot het ondergaan van poliklinisch te verrichten tunnelwerkzaamheden dient men nuchter te zijn vanaf middernacht. Op de plaats van handeling ligt men naakt in bed. Vrouwen in het wit rijden het bed naar de OK, dit is de operatiekamer. Daar is iedereen in het groen, uniseksueel in een wijde broek onder een latex douchemuts. Ik ook zo'n muts, die mij tot over de oren wordt gespannen. U bent toch wel nuchter? Ja. Naam? Geboortedatum? Om er zeker van te zijn dat er geen verkeerde onder de lampen ligt. Toegedekt met groene lakens, uitgezonderd de arm waar de vernauwde tunnel moet worden opengekrikt of -geblazen of omgeleid of nog iets anders, ik zal het wel merken. Alles routine. Ik ben routine. Aan een routineklus als ik hoeft niets te worden uitgelegd. Niet over mijn gezicht, zeg ik en heb met mijn gezonde hand de groene lap al van mijn ogen weggetrokken. Een schrijver moet altijd alles zien. Zo zie ik dat in de witte gaarkeuken, waar ik op het aanrecht ben gelegd, tegen een der muren een ingelijste poster van de Golden Gate Bridge hangt. Een zuigende zelfmoordmagneet. Al zo'n dertienhonderd koene springers sedert 1937, het jaar van de opening. De bejaarde schrijver die opeens niet meer kan schrijven en zich vloekend zowel als gelaten moet neerleggen bij het besef dat aan zijn oeuvre niets meer zal worden toegevoegd, wat zou die nog verderleven. Van de brug af de golven in dan maar. Dat zijn zo van die gedachten. Daar treedt de heer Mafouz in het licht. Eveneens groen omhuld, maar zijn groen is lichter, zwemend naar geel, zoals lenteblaadjes. Niet het hoofd gedekt met zo'n latex vod, maar met iets als een generaalspet zonder klep, in dezelfde voorjaarstint. Onderscheid moet er zijn. Zo uitgemonsterd staat hij licht te geven in het licht, zonder dat hij een zonnetje is. Zijn kille gloed is die der soevereiniteit. Hij is de tunnelheler. Ontzagvolle stilte slaat neer. Zegt niets. Mij ziet hij niet eens. Ik hem wel, daar mag hij gerust op zijn. Mijn arm met de dode hand ligt opzij van mij op een plankje naar hem uitgestrekt. In de rug van de hand is een naald gestoken, de bovenarm wordt strak afgebonden. Die naald heeft te maken met anesthesie, weet ik van andere operatie-ervaringen, door het afbinden blijft de verdovingsvloeistof binnen de arm, lees ik later. Er ontstaat gevoel dat het tegendeel van enig gevoel is: of nu de hele arm sterft. Terwijl ik ernaar kijk trekt het bloed er uit weg, dan wel stolt het tot iets dat kouder is dan wat voor kouds dan ook, waar de volstrekte gevoelloosheid het gevolg van moet zijn. Mijn lichaamsdeel, witter dan witlofwit, ligt als een detail van Rembrandts anatomische les van mij afgezonderd. Carpaaldeskundig werpt de farao er zijn blik overheen, neus en mond bedekt met een kapje, niet groen zoals de hem omringende hofhouding er een draagt, maar zwart. Zo zat Napoleon altijd op een wit paard om op te vallen tussen het grauw. Hij steekt zijn beplasticte hand omhoog en gromt. Een omstaander slaat er een glinsterend werktuig in. Daarmee gaat hij in de weer. Als duizend keer eerder. Knipt, snijdt, klieft iets in mijn polsgebied. Gromt instructies. Daartussendoor geluiden van metalen instrumenten in iets anders van metaal. Tunnel open, beklemde zenuw kan er weer door. Iemand dept zijn voorhoofd. Het is drukkend heet in de OK. Bezig is hij de incisie dicht te nieten. Het is voorbij en God zag dat het goed was. Zelftevreden achterwaarts treedt hij. Verwijdert het kapje van zijn gelaat. Dezelfde iemand, een uniseksvrouw, strikt iets los in zijn nek, stroopt de condooms van zijn vingers. Zonder een woord te hebben gezegd, verdwijnt hij ritselend in zijn lentegeel als wind in woestijnzand. Waar hij stond spant de gouden brug zich weer over de baai van San Francisco. Het heeft een kwartiertje geduurd. Dat zij een vrouw is, zie ik aan het blond dat buiten haar regenmuts langs haar wangen en van achter over haar kraag valt. De vrouwschim die in de schaduw van de pianovirtuoos de bladen van zijn notenboek omslaat. Onder die brug gaat men nu, na driekwart eeuw zelfmoord, net als in de hoofdhal van het Academisch Ziekenhuis, netten spannen om de springers op te vangen. Alsof men van daaruit niet evengoed alsnog in het snelle water kan duiken. U kunt nu gauw weer schrijven, zegt ze. Ik zwijg maar. Ik heb er geen fiducie in. Ik weet al, met eendere stellige zekerheid dat geloof in God op waangedachten berust, dat het operatietje niets zal hebben uitgehaald. Ik mankeer niets aan mijn nervus medianus, waarvan de loop door een vernauwde tunnel wordt gestagneerd. Er moet iets anders het geval zijn, waardoor ik mijn hand niet meer kan gebruiken, ernstiger dan met een routineknipje kan worden afgedaan. Ik heb geen polssyndroom, nooit gehad, zoals ik ook geen hiv heb, of stembandkanker. Ikzelf ben de computer die dit vaststelt. Voorin de veertig zal ze zijn. Zomersproetjes op en rondom de neus. Haar gezicht glanst van hittewaas, dat waarschijnlijk ook mijn gezicht overdekt. Ze bevrijdt me van de band die mijn arm heeft afgekneld zodat bloed en warmte weer doorgang krijgen. Die hechtingen moeten er over twee weken uit. U kunt daarvoor een afspraak maken aan de balie. Met kordate bewegingen omzwachtelt ze met een strak drukverband mijn hand en arm tot aan de elleboog. Door de groene stof van haar klederdracht schemert het wit van haar slipje. U mag de eerste weken geen zwaar werk doen. Maar schrijven is geen zwaar werk eigenlijk, toch? Dat mag u zodra u voelt dat u het weer kan. Ik zwijg maar. Ook zij heeft ouders die veel van haar zijn blijven houden. Naakt, zou ik haar met mijn andere arm tegen mij aan onder de groene lakens kunnen trekken. O, wat doet u nou! riep zuster Mathilde geschrokken uit, haar hemelsblauwe ogen schitterden van tranen, maar het waren tranen van geluk dat eindelijk, eindelijk... U moet uw hand omhoog blijven houden, of horizontaal. Niet langdurig naar beneden laten hangen. Niet op de elleboog steunen. Mijn zus heeft weleens een boek van u gelezen. Ik ben heel slecht in titels. Men rijdt me van de OK terug naar de ruimte die de afdeling heet. Daar komt vier ledige uren later de Egyptenaar nog eens langs als een djinn. Het groene kazuifel van daarstraks verwisseld voor het witte van zijn gewone slome doen. Dat wit mag trouwens wel eens in de wasmachine. Kijkt niet naar mij, vraagt mij niets. Het sfinxenoog is gericht op mijn verpakte lidmaat, geëtaleerd op een hoog kussen. Al duizend keer zo'n lidmaat. Ja ja. Heeft zich al omgedraaid. Loopt weg. Ik mag naar huis.

Het verband kan er na een dag of tien af. Dat doe ik zelf en doneer de gore strook aan het Letterkundig Museum te 's Gravenhage. Dan moet ik terug naar de polikliniek om de hechtkrammetjes uit mijn pols te laten verwijderen. Wordt gedaan door een jeugdige adonis, sedert gisteren de puberteit ontgroeid. Hij is in opleiding, of doet vakantiewerk, zie zijn uitmonstering. Niet gerechtigd tot het dragen van de lange witte doktersjas, moet hij het doen met een verkorte uitvoering hiervan, die hem tot de broeksriem reikt. Men ziet terrasbedienden wel in dergelijk jasje. De jongen heeft het niet dichtgeknoopt, zodat de panden als bij een opengeklapte triptiek zicht geven op zijn T-shirt met het woord Edelwijs. Van onder draagt hij een jeansbroek, scheuren op de knieën. De lippen getuit of hij zal gaan fluiten rijdt hij een tafeltje naderbij. Schaartjes, tangetjes, pincetjes. Aandachtig buigt hij zich over de nietjes, die zo minuscuul zijn dat ze met het blote oog pas zichtbaar lijken als hij ze met een van zijn instrumentjes aanraakt en lospulkt. Mijn hand intussen? Die is nog altijd dood als tevoren. Weliswaar is dit het kenmerk van dood in het algemeen, maar inzake mijn hand had men mij wederopstanding voorgespiegeld. Niet dat ik een seconde heb geloofd in de geneesmethode die hier op mij is toegepast, wel dat ik nog steeds zit opgescheept met een onveranderd verlamde hand na al het gepruts dat eraan is verricht. Ik houd mijn krachteloze vingers voor Edelwijs omhoog. Dat operatietje heeft niets uitgehaald, zeg ik onpolemisch van dictie, maar kennelijk toch zo dat hij er het pincet van laat vallen. Iets van metaal valt in een metalen bakje. Ik herken het geluid. Het bakje is niervormig. Onbelangrijke details, nutteloze feiten, wat moet ik met zulke waarnemingen. Zal ik ooit nog kunnen schrijven? Stuurloos linkshandig de rest van mijn dagen in een schommelstoel? Daarin kan de schrijver alsnog alles lezen wat ongelezen in zijn boekenkasten staat, maar ik voorzie al dat ook daar niets van zal komen. Te opstandig. Te woedend. Ik heb al geen haar meer, mijn gebit bestaat uit implantaten, mijn ogen moeten een bril, ik hijg van ademnood terwijl ik al meer dan tien jaar met een luchtpijpprothese door het leven ga, mijn longen zijn tot op de vezel versleten, ik loop te hompelen met een invalidenstok, ruiken is opgehouden, proeven ook, om helemaal nog maar te zwijgen van het inspirerende prachtige vrolijke neuken van weleer. Wat daar nadert is de dood, wat al voldoende onacceptabel is. Woedend vanwege alle voorschotten die ik mijn dood al heb moeten afstaan. Laat me voor het korte eindje tijd dat er nog is in ieder geval mijn rechterhand kunnen blijven gebruiken. Mijn roman moet af. Daarna is er nog een en ander te schrijven en te voltooien: de laatste zangen van de vertoornde zwaan. Dan zal ik toch de dokter er even bijroepen, besluit Edelwijs, die een lieve, zachte jongen is, niet om pijn te doen. Hij verlaat het vertrek. Er gaan 25 minuten heen. Als hij weer binnenkomt loopt hij achter een medicijnman, mij onbekend, voor wie hij eerst de deur heeft geopend, als een lakei van Goebbels. De lange witte jas. Daarin trekkebeent deze CTS-deskundige als wijlen de genoemde schurk. Wollt ihr den totalen Krieg? Zelfmoord met een blauwzuurcapsule. Leuker heet hij. Dokter doctorandus Leuker. Wie verzint zoiets. Hij drinkt koffie uit het papieren bekertje dat hij omklemd blijft houden. Wat hij om te beginnen zegt, is: U zou niet moeten roken. Hetgeen er op duidt dat zijn aandachtje bij mijn hand is, waarvan wijs- en middelvingernagels nicotinebruin zijn. Mijn hand is nog altijd lam, kom ik terzake, dat is niet veroorzaakt door roken. Zo te zien paft u heel wat weg. Hand, herhaal ik. Mijn hand. Alles wat ik er niet mee kan, ben ik noodgedwongen bereid voor lief te nemen, maar niet dat ik er niet meer mee kan schrijven. Schrijven? Leuker walst het restje van zijn consumptie over de bodem van het bekertje. Schrijven is mijn beroep, leg ik uit. Leuker, wenkbrauwen: O? De carpaaltunnelingreep heeft niets uitgehaald. Zoals u ziet. Van dit laatste denk ik nog, terwijl ik mijn dorre klauw naar hem uitsteek, zal ik het er aan toevoegen of niet. Wat schrijft u zoal? Joseph Goebbels was ook schrijver. Verzen, romans, toneel, essayistisch politiek gedaas. Hij beschikte over een gezonde rechterhand. Ik word enigszins ibbel van mankepoot Leuker, die het bekertje leegdrinkt, het verfrommelt en Edelwijs achteloos toewerpt. Het gaat om mijn hand, zeg ik maar weer. Hij ziet mijn kromgedwongen vingers maar hij kijkt er niet naar, dat zien is als het langsflitsen van een vuurtorenstraal. Ik kan er niets aan doen, hoor ik hem zeggen. Ik heb de operatie niet uitgevoerd, hoor ik de hork zeggen. Wie heeft de operatie uitgevoerd? Professor Mafouz zelf, antwoordt Edelwijs bedeesd namens mij, als hij merkt dat ik de naam van deze snijer niet onmiddellijk meer paraat heb. Mafouz, aldus Leuker gemeenzaam collegiaal, is de beste chirurg van ons instituut. Ik geloof het meteen. Zo ben ik de beste schrijver van de Lage Landen. Toen ik nog kon schrijven. De professor heeft waarschijnlijk iets geopereerd dat niet geopereerd hoefde te worden, opper ik. Wat geweldig brutaal van mij is. U bedoelt? Ik bedoel u ziet het, zeg ik, ik kan met deze hand nog steeds even veel als voordat ik deze kliniek voor het eerst betrad, te weten: niks. U moet wat geduld hebben, sust Goebbels, CTS duurt een dag of veertien voordat het is hersteld en genezen. Zo ibbel, dat wat mij betreft der totale Krieg nu meteen boven zijn arrogante kop mag losbarsten. Die veertien dagen zijn allang voorbij, meneer Leuker, en ik betwijfel ten sterkste dat er sprake is van tunnelsyndroom. De persoon tot wie ik mij richt reageert met een mondbeweging, nog net niet smalend, wat er nog bij had moeten komen. Hebt u verstand van CTS dan? Dat vraagt hij naar mijn beoordeling te ironisch, zelfs sarcastisch. Ik antwoord: Nee. Zoals ik ook geen verstand heb van blindedarmontsteking, waar ik niet per se aan hoef te lijden als ik crepeer van vlijmende pijn in de buikholte. Ik kan, zoals aan CTS, een operatie aan de blindedarm ondergaan, maar als ik er niets aan mankeer, al houdt u vol van wel, is het een zinloze operatie, na afloop waarvan en na verwijdering van de hechtingen ik nog altijd verrek van pijn in de buikholte. Idem dito is nog altijd het geval met mijn hand, al zou u mij aan zeven tunnels hebben geopereerd. Ho ho, brengt Leuker hier tegenin, zijn onschuld herhalend, ik heb u niet geopereerd. Een grottencomplex in de Ardennen, waar alles druppelt en druipt. Daar is een zwart moedeloos meer. Net als Hitlers propagandaminister zal ook deze Leuker aan zijn horrelbeen zijn geopereerd. Verschillende keren, door de beste chirurg van het instituut, en iedere keer vruchteloos, zoals mij nu overkomt met mijn horrelhand. Hij zal er toch wel iets van begrijpen? Zou hij weleens in Han zijn geweest? Ziedend beleefd vraag ik nu toch met enige aandrang: Kan ik de heer Mafouz te spreken krijgen, die de operatie wel heeft uitgevoerd. Van zowel klompvoet als Edelwijs komt het antwoord dat de tunnelkliever met vakantie is. Tot eind van de maand, waarvan de eerste week gisteren is begonnen. In Sharm-el-Sheikh, weet Edelwijs. Waar heeft hij het verfrommelde bekertje gelaten? Door de scheur in zijn broekspijp zie ik zijn knie. Dat ligt aan de Golf van Akaba, vult hij aan. Wat weet die jongen veel. Voor een nieuw consult met dokter Mafouz moet u een afspraak maken aan de balie. Maar intussen, zo adviseert Leuker, zou u oefeningen met uw hand moeten doen om de genezing te versnellen. Genezing? Is daar dan sprake van? Hoe brengt men versnelling in wat dood is? De medicus demonstreert oefeningen. De opgestoken duim en de draaibewegingen. De vingertoppen om de beurt naar de duim. De gestrekte vingers terugvouwen naar de binnenkant der hand. Ga niet langs Af, u ontvangt geen 2.000 euro. Aan te raden is ook nog, zegt de tunnelarchitect, een zachte bal. Die legt u in uw hand en u knijpt erin. Kunt u niet met uw linkerhand schrijven, suggereert Edelwijs.

Zo bezoek ik, vervuld van goede wil en diep geloof, al weet ik beter, een speelgoedpaleis van de firma Bart Smit. Een snoezige zachte kleuterbal voor in de box. Met het clowntje Bumba erop. Mijn loden hand rust erop, ik krijg mijn vingers er niet omheen geklemd, ik kan het ding niet eens van zijn plaats tussen andere Bumba's oppakken. Intussen verstrijken de tijden. Veel roken. De ene kankerstaaf na de andere, die ik wel nog met de linkerhand tussen de rookvingers van de rechter weet te schuiven, maar waarvan ik vervolgens de as niet op de vanouds gewende wijze kan aftippen. Onbewust vanzelfsprekend, zoals al langer dan driekwart van mijn bestaan, met de rechterhand de aansteker tot ontploffing brengen is een illusie geworden, gelijk aan de walmen die ik uitblaas. Wat ruik ik toch? Mijn vingernagels zijn aan het verschroeien. Ik demoraliseer. De gevoelloosheid van mijn hand lijkt zich van buiten en van binnen over mijn hele lichaam uit te spreiden. Knijpen in een zachte Bumbabal. In mijn slaap opeens een voorbijschietende streep van wit vuur, als ijs, van zulk intens licht dat ik er van wakker schiet. Dwars door mijn hersens. Als een sterrenscherf. Er is een explosie, die alles verblindend in gloed zet wat zich aan literatuur en angst in mijn hoofd bevindt. Een seconde of korter. Hiroshima. De klokken smolten en bleven dezelfde seconde stilstaan. Starend realiseer ik me wat ik heb gezien. Als het een droom was, dan een repeteerdroom. Maar het was geen droom. Al sliep ik, ik was bij volle bewustzijn en besefte dat wat ik zag, wat er gebeurde, een herinnering was die met een klap, hoewel onhoorbaar, in mij was teruggekomen. Een half jaar geleden. Delhaize. Daar loop ik achter het ijzeren wagentje. Het is in de paastijd, overal kuikentjes en haasjes en een kinderkoor. Precaire afweging: neem ik granen of scharrel, kies ik voor uitloop, eco, maïs, volaren, biologisch dynamisch? Een muur van eieren waar ik eiervreemd voor sta. Dan knalt er opeens een lichtstreep door mijn hersens, wit vuur, als ijs, en in een seconde slaat alles op tilt. Een ontlading van uitslaande vlammen in mijn denk- en bewustzijnsgebied, waarbij ik voorover wankel. Het is zover, denk ik nog, sterven duurt een seconde. Meteen is het ook weer voorbij, een vreemde gewaarwording die ik in de groentenafdeling al ben vergeten. Veldsla of rucola, eikenbladsla of lollo rossa. Ik besluit tot batavia. Daar ben ik geboren voordat ik stierf. Maar er is iets met mijn rechterhand, waarmee ik geen krop tussen andere kroppen kan uittillen. Hij lijkt vastgesoldeerd aan de stang van het boodschappenkarretje, de vingers er in kramp omheen als een apenklauw. Met mijn andere hand weet ik hem los te haken, maar hij blijkt onbruikbaar te zijn geworden. Opeens. Totaal. Voor alles. Aan de kassa gestuntel bij het uitladen der ingeslagen goederen en al helemaal bij het betalen ervan. Dat moet links gebeuren, daar het niet meer onbewust vanzelfsprekend kan met het zoveelste voorschot dat ik moet inleveren. Waarom kan dat plotseling van het ene nanomoment op het andere niet meer? Ik leg geen verband met de ufo die ik door het zwart achter mijn ogen voorbij heb zien razen. Een duizeling komt wel vaker voor. Bij deze herinnering hoort ook dat ik later besef geen eieren in huis te hebben. Niettemin had ik besloten tot de araucanasoort. Mintgroen, zodat ik die niet voor pasen hoefde te verven. Bij het zien van een lichtflits met explosie die mijn brein in lichterlaaie zet, me onmiddellijk een eerdere lichtflits met vuurwerkramp herinneren, dat betekent iets, waar heeft het mee te maken? Dat de reprise van de bominslag in het hersengebergte van cruciale betekenis moet zijn, zoals op Hiroshima niet zomaar Nagasaki volgde, begint de schrijver zich bewust te worden. Danig ongerust. Roken. Diep inhaleren. Vroeger zou ik zijn gaan zuipen van opgejaagde zenuwen en onbehagen. Weliswaar ben ik van de drank af, maar niet van al het andere. Bumba ligt voor mij op tafel als de balie belt, waar ik de afspraak heb gemaakt voor een nieuw onderhoud met de hooggeleerde carpale tunnelwetenschapper Mafouz. Diens vakantie zit erop, maar in IJsland is een vulkaan gaan braken. Zoveel papperige stof in het zwerk dat van vliegverkeer geen sprake kan zijn. De professor kan niet opstijgen van Sharm-el-Sheikh. Zodra hij er weer is, bellen we u terug, kwinkeleert de balie. En een prettige dag nog verder. De baliedame is er een met een hoofddoek strak rond de schedel. Een beetje een raar mondje. In die vulkaan kan ik mij inleven. Zelf gehuld in rook uit mijn trechter, voel ik eveneens neiging tot hartstochtelijk braken, kotsensbeu van mijn toestand. Inspannende polsbewegingen bij het uitwringen van een dweil. Er gaan dagen voorbij. Anderhalve week gaat voorbij. De balie belt niet. Mijn gestorven hand in de benedenronding van het autostuur maar weer, zo begeef ik me linkshandig levensverachtend door het verkeer, eigener beweging, zonder afspraak, naar het tunnelinstituut. Mohammed gaat naar de berg, omgekeerd kan ook. Ik verlang de beste chirurg van het knip- en naaiatelier te spreken, zeg ik ter balie tegen hoofddoek. Ik wacht wel, antwoord ik op haar bezwaren. Ik wacht. In de wachtkamer. Beschaafd geduldig. Mijn hele leven verloopt beschaafd in geduld wachtend, als ik maar wist waarop, inwendig woeden de revoluties. Mafouz, als ik ten slotte tegenover hem zit, heeft geen idee. Herkent mij niet als patiënt wiens carpaal hij heeft betunneld. Al duizend tunnels, duizend gezichten, die hij niet onthoudt. Bruin geworden en het dunne haar gebleekt door de zon in zijn land van herkomst. Ja ja, mompelt de sfinx. Spuugbelletjes in beide mondhoeken als hij er zowaar nog iets aan toevoegt. Uw klacht komt wel vaker voor. Soms. Gaat vanzelf over. Ik moet, zegt de geleerde, vermoeid van tegenzin, drie keer per dag mijn hand bij de pols een kwartiertje onder de lauwe kraan houden. Goedemiddag. Beschaafd, heus waar, en zelfs kalm verlaat ik zijn kabinet. Zonder handdruk, want dat gaat niet met een hand zo dood als een hunebedsteen, afgezien nog van het feit dat ik geen zin heb om hem als ik dat wel zou kunnen een hand te geven. Kluiten in het riet. Onzinverrichtingen. Gelul in de ruimte, waar nog altijd askorrels rondstuiven. Opnieuw naar een andere arts. Een vriendelijke prontige jongere vrouw. Kom haar wel eens tegen bij Delhaize. Daar liep ik achter mijn karretje, zo begin ik, en opeens -- En het is geen carpaal tunnel syndroom, zo besluit ik. Zij grijpt in. Assertief. Geen computer bij nodig. Via haar kom ik uiteindelijk te weten dat de overvliegende kometen en de vuuruitbarstingen in mijn hoofd de manifestaties waren van twee herseninfarcten.

Volgende week: 'Post mortem' van Peter Terrin.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234