Maandag 23/11/2020

Trap van steen en wolken

Wielerliefhebbers aller landen, kluister uzelf aan de buis, want vandaag rijdt het Giro-peloton over de Stelvio. De Stelvio! Meer dan 2.500 meter hoog, in mensentaal: bijna een kilometer hoger - verticaal! - dan de Mont Ventoux of L'Alpe d'Huez. De Stelvio is misschien wel de meest legendarische col van wat hoe dan ook de meest magische van alle bergketens in Europa is: de Dolomieten. Daar waar Italië verglijdt in de Duitstalige landen, waar charme en finesse abrupt overgaan in graniet en meedogenloosheid. Daar waar topsport piekt. Walter Pauli

Stilfserjoch. Die haast onuitspreekbare mondvol Duits is eigenlijk de echte naam van wat wielerliefhebbers alleen maar kennen als 'Stelvio'. Maar in deze uithoek van Italië is alles ongewoon, en dubbelzinnig, in alle opzichten. Het land, de bergen, de sportieve strijd. Nergens wordt zozeer de rand opgezocht, zowel door wielrenners als door wielerorganisatoren, als in het noordelijkste stuk van Zuid-Europa. Dit is 'Italia Irridenta', een stuk Italië dat pas na de Eerste Wereldoorlog, bij het Verdrag van Versailles, echt Italiaans werd. Maar wat is echt Italiaans? De grote stad van dit stuk, nu ja, Italië, heet voor de buitenwereld Bolzano, maar wordt ter plaatse even vaak als 'Bozen' uitgesproken. De Stelvio is dus de Stilfserjoch, en die andere Dolomieten-col, Tre Cime Lavaredo, is eigenlijk 'Drei Zinnen'.

Het is niet alleen met de natuur zo. Francesco Moser is zogezegd een van de mooiste Italiaanse wielerkampioenen ooit. Maar wat is dat, een 'Italiaan'. In zijn geboortedorp Palu di Giovo spreekt iedereen hem nog altijd aan met 'Franz Moser' - Moser, hoeveel 'Oostenrijkser' kan een achternaam eigenlijk zijn?

Zo dubbelzinnig is ook het wielrennen dat hier werd bedreven. In de Dolomieten vierde Eddy Merckx zijn eerste écht legendarische overwinning, maar juist hier vermeed hij ook zijn eerste écht smadelijke nederlaag. En, haast vergeten, hier ging hij, samen met het halve peloton, ook écht in de fout. Het gebeurde op Tre Cime Lavaredo. Een speciale col. Eddy Merckx heeft drie memorabele beklimmingen van de Tre Cime op zijn naam staan. Al zal hij de eerste, in 1967, liever vergeten. Dat was tegelijk de allereerste keer dat die klim in de Giro werd opgenomen. Merckx werd toen namelijk gedeklasseerd, al was hij als tweede aangekomen, vier seconden na Felice Gimondi. Hij niet alleen trouwens: niet één renner werd in de uitslag opgenomen, alle uitslagen waren van geen tel, de hele etappe werd geannuleerd. Tre Cime bleek zo steil dat ineens iedereen, spontaan, aan de klink van de auto's ging hangen. En zo tuften de renners naar boven, behalve de koplopers, die het eerlijk deden. Alleen zij.

Merckx nam weerwraak zoals alleen hij dat kon. In 1968 was Tre Cime er opnieuw bij, en weerom was er een kopgroep ontsnapt, met onder anderen de begaafde Giancarlo Polidori. Ze liepen tot tien minuten uit. Het regende, het begon te sneeuwen. Het werd een sneeuwstorm. Toen bereikten de renners de voet van Tre Cime. En toen kwam Merckx. Hijzelf spreekt van 'de allerbeste' beklimming uit zijn hele loopbaan, en dat wil wat zeggen. Laten we samenvatten: hij kwam als eerste boven, dik veertig seconden voor Polidori. Op één klim maakte hij dus meer dan tien minuten goed.

Zijn derde memorabele optreden dateert uit 1974. Er werd toen stevig aan Merckx' poten gezaagd, onder meer door de jonge Gianbatista Baronchelli. Op Tre Cime waagt de Italiaan zijn kans. Hij versnelt, pakt een minuut. Merckx is zijn roze leiderstrui kwijt. Virtueel kwijt. Meer dan dertig jaar voor de komst van het internet gelooft Merckx al niet in virtuele realiteit. Op minder dan duizend - oersteile - meters voor de top perst hij er nog eens alles uit. Alles. Hij behoudt de roze trui, met amper twaalf seconden voorsprong. Nooit was er een kleiner verschil tussen een nummer één en twee in de Giro. Merckx had Tre Cime overwonnen, Baronchelli geklopt, en zelfs zichzelf overtroffen - en dat laatste is méér dan een col buiten categorie waard.

In de Dolomieten bracht de Giro-directie de Ronde van Italië tot haar hoogtepunt, maar tussen diezelfde, onwezenlijk hoge Dolomieten-pieken toonde diezelfde Giro-directie zich ook van haar allerkleinste kant, door alle hoge cols te schrappen 'vanwege sneeuw', want een Italiaan moest winnen. En die Italiaan, dat was uitgerekend Francesco Moser. In 1984 gebeurde dat: de Stelvio stond op het programma. Tot de rit moest worden gereden, en de Stelvio werd afgevoerd. De organisatoren vreesden dat roze trui Laurent Fignon, een veel betere klimmer dan Francesco Moser, de Italiaan zou uitschakelen voor de eindzege. De Stelvio meteen geschrapt: 'te veel sneeuw'. Het waren tijden dat er nog geen tv-camera's waren, behalve die van de Rai, en die zaten mee in de slag. Vandaag zou CNN of wie dan ook zeker gaan kijken, toen schreeuwden alleen de ooggetuigen van L'Equipe hun woede uit, want er lag géén sneeuw op de Stelvio. Maar Moser kon in de Dolomieten, van hun hoogste col beroofd, wel het verschil beperken, en in de slottijdrit reed hij Fignon uit het roze. Een schande, schaamteloos geknoei, maar in Italië doet dat geen pijn.

In de Dolomieten maakte Marco Pantani naam en faam - hier reed hij, in 1994, in de aller-allereerste beklimming van de Mortirola, bijna Evgeni Berzin in de vernieling. In diezelfde Dolomieten eindigde in 1999 voortijdig een bijna-gewonnen Giro van Pantani, ruïneerde hij zijn carrière en verkortte hij hoe dan ook zijn leven, toen hij hier op een te hoge hematocriet werd betrapt. Zo zijn de Dolomieten: nauwelijks te overmeesteren, zelfs amper door Eddy Merckx, en niet door Marco Pantani, verraderlijker, maar ook verrassend, en altijd harder, wreder, meedogenlozer, maar op hun manier ook eerlijker dan welk ander gebergte ook.

En de Stelvio is zo ongeveer het nec plus ultra van deze Dolomieten. Met zijn 2.757 meter, meer dan 24 kilometer klimmen, met heelder stroken tot 15 procent, is de Stelvio echt wel een huizenhoge col, zelfs te midden van andere Dolomieten-reuzen. Een trap van steen en wolken, zoals Johan Daisne ooit schreef. Geen bomen, wel sneeuw. Een col die je, bij wijze van spreken, eigenlijk alleen maar met een zuurstofmasker zou mogen beklimmen.

Meer dan 2.000 meter is in heel Europa een uitzondering, maar in dit stuk tamelijk 'gewoontjes'. Elders is dat níét zo. Over het algemeen ziet de indeling er zo uit: de eerste grens ligt rond 1.500 meter, zeg maar: de Parijs-Nice-cols. Heel veel goede renners kunnen prima klimmen over dat soort hellingen: Freddy Maertens, Sean Kelly, Laurent Jalabert, zelfs Gerrie Knetemann, of, één generatie vroeger, Roger De Vlaeminck: tot 1.500 meter waren ze onklopbaar, en dus grossierden ze in overwinningen in Parijs-Nice en Tirreno-Adriatico.

Dan komen de cols tot en met 2.000 meter, echte reuzen al, Croix-de-Fer, Glandon, L'Alpe d'Huez, L'Aubisque, de Mont Ventoux ook.

En dan de plus-tweeduizenders. De legendes. Tourmalet (2.115), Galibier (2.646), Izoard (2.361), Iseran (2.770). En af en toe doet men ook de col de Restefonds (2.902 meter, het 'dak van Europa', maar zéér zelden beklommen). Dat is in heel Frankrijk het geval: op Tourmalet en Galibier na vermijdt men de hoogste cols al te vaak.

In de Dolomieten niet. Daar zijn ze vaste prik, en de meeste liggen op een hoopje, in de buurt van Merano en Cortina d'Ampezzo. We hadden het al over Tre Cime (2.400) en de Stelvio (2.757), er is ook de Pordoi (2.239), de Selle (2.214), de Marmolada (2.057), de ongenadige Gavia (2.621), waar Johan Van der Velde zijn inzinking kreeg, waar die mooie Nederlander verkilde, bevroor - het leverde hem de bijnaam l'uomo di Gavia op, een absolute eretitel.

En dan de Stelvio, een van de weinige cols die ook geschikt zijn voor auto's (hij verbindt vallei met vallei, dus van het type Tourmalet). De bochten zijn berucht: oneindig veel haarspeldbochten, renners die naar boven kijken kunnen inschatten hoeveel honderden meters hoger de koplopers rijden. De col met het meest magnifieke uitzicht, altijd tussen de sneeuw, met haarspeldbochten die meer indruk maken dan die van L'Alpe d'Huez.

En dan de renners. Eén nummer om te vermelden, om het af te leren. De Giro van 1980, de allereerste van Bernard Hinault. De Italianen sputterden driftig tegen, Moser, Saronni en Visentini op kop. Hinault zal eens laten zien wie de baas is. In de rit naar Roccassero gaat hij er eens voor, alleen Wla-dimiro Panizza kan volgen. Wijlen Panizza was meer dwerg dan mens, zeer berucht vanwege zijn sportieve ontrouw: hij reed in dienst van élke grote kopman, verraadde ze állemaal, om telkens opnieuw door weer een andere vedette in dienst genomen te worden. Want ja, Wla-dimiro kon klimmen, had koersdoorzicht, een slecht karakter, nijdig temperament en groot hart. In 1980 was hij niet alleen de enige die Hinault kon volgen, hij was ook de man die de roze trui aantrok.

Tot de Stelvio kwam, en Hinault eens 'doortrok', samen met zijn ploegmaat Bernaudeau. Die laatste mocht de rit winnen, Hinault had de concurrentie op één berg - de Stelvio - toch op een minuut of vier gereden. Dat wil zeggen: de dichtste concurrentie, Panizza en co. De anderen - zoals Saronni, het jaar voordien nog Giro-winnaar - volgden op meer dan acht minuten. Zo was Hinault, zo was de Stelvio, en is die berg nog altijd. Een mijnheer. Meer, een signore. Met respect te behandelen. Een verstandig renner valt de Stelvio niet aan, een verstandig renner laat de Stelvio zelf de zwakkere concurrentie uitputten, uitschakelen, afmaken.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234