Dinsdag 20/04/2021

Torremolinos, maar dan zonder Hollanders

schilderkunst

prado eert belgische landschapsschilder carlos de haes met tentoonstelling

Zo onbekend hij in België is, zo hoog staat hij in Spanje aangeschreven. Carlos de Haes, Spaanse Brusselaar of Brusselse Spanjaard. Voor de Spanjaarden zelf bestaat er geen twijfel. 'Haes' legde het negentiende-eeuwse Spaanse landschap op zo'n onnavolgbare wijze vast dat ze hem als een van hen beschouwen. Het Prado in Madrid toont nu voor het eerst zijn volledige Haes-collectie.

Madrid

Van onze correspondent

Rudy Pieters

'Haes' staat niet zelden op de koperen naamplaatjes onderaan op de schilderijen, en zo werd hij ook vaak genoemd, señor Haes. Dus hebben ze het ook in het Prado zo geschreven, in statige hoofdletters, op de lijst tussen muur en plafond: HAES. Links daarvan Bruselas 1826, rechts Madrid 1898: plaats en jaar van geboorte en overlijden. De schilderijen, een kleine honderd, hangen in groepjes van vijf of zes bij elkaar, dikwijls boven elkaar. Heel druk. Ongewoon voor een moderne tentoonstelling, negentiende-eeuws zelfs. En dat was de bedoeling.

José Luis Diez, in het Prado hoofd van de afdeling 19de-eeuwse kunst, wilde voor deze tentoonstelling de 'Sala Haes' evoceren, de zaal die het Madrileense Museum voor Moderne Kunst na diens overlijden aan hem wijdde. De Haes had zijn werk aan zijn favoriete leerlingen nagelaten en die schonken het op hun beurt aan het Museum voor Moderne Kunst, 180 schilderijen, 129 tekeningen en 47 etsen. Zo ontstond de Sala Haes, met 'Haes', geboorte- en sterfgegevens op de lijst. Alle goede bedoelingen ten spijt ging de eenheid van de zaal al na enkele jaren verloren: een groot deel van de schilderijen raakte via depots in musea en overheidsgebouwen over heel Spanje verspreid. Nadat ook het museum zelf verdween, verhuisde de rest van de Haes-collectie in 1971 naar het Prado; van geen negentiende-eeuwse kunstenaar bezit dit museum meer werken.

Het Prado is zijn 19de-eeuwse kunst, zijn grootste maar tegelijk minst bekende verzameling, volop vanonder het stof aan het halen. Vandaar deze tentoonstelling. De Carlos de Haes-collectie werd voor het eerst in honderd jaar weer verenigd, twee jaar lang werden de stukken gerestaureerd en bestudeerd, met een catalogue raisonnée als resultaat. Voor "de meester bij uitstek van de Spaanse landschapsschilderkunst", zoals het Prado hem aankondigt, is geen moeite te veel.

Carolus De Haes werd in Brussel geboren als zoon van een uit Eindhoven afkomstig bankier. Toen die in 1835 bankroet verklaard werd, trok de familie naar het Andalusische Málaga. Carlos, zoals hij spoedig zou gaan heten, was toen negen. Hij zou zijn geboorteland niet vaak meer terugzien.

Op 24-jarige leeftijd keerde hij nog eens terug om in Brussel zijn artistieke studies af te maken. Vijf jaar bleef hij er, een tijd waarin schilder Joseph Quinaux (1822-1895) hem op een nieuwe, realistische manier, wars van academische, romantische stereotypen, naar de natuur leerde kijken.

Niet dat België het mekka van het geschilderde landschap was, dat was Frankrijk, waar de school van Barbizon de weg voor de impressionisten bereidde, maar Belgische kunstenaars als Quinaux, die hun schildersezel in de bossen van Fontainebleau opstelden, stonden hoog in aanzien vanwege hun bijna obsessieve hang naar het detail, Van Eyck achterna.

Carlos de Haes ontpopte zich algauw tot een meester in het genre, met een nauwkeurige techniek die een uitzonderlijk, bijna fotografisch realisme opleverde. Naar Spaanse normen absoluut nieuw, zozeer dat de Belg bij zijn terugkeer op slag beroemd werd. Hij won drie keer de nationale medaille voor schone kunsten - een krachttoer, want doorgaans werd op de landschapsschilderkunst neergekeken - en werd in 1857, nauwelijks 31 jaar oud, professor landschapsschilderkunst in de belangrijke Academie voor Schone Kunsten van San Fernando in Madrid, het begin van een Spaanse bloeiperiode in dit genre. De Haes was toen van plan naar België terug te keren maar het vroegtijdige succes hield hem in Spanje. Voorgoed.

Belgische landschappen moet je in De Haes' omvangrijke oeuvre nauwelijks zoeken; het is vooral zijn tweede vaderland dat hij in beeld bracht, van de Baskische rotskust tot de palmbomen van Elche. Het zijn niet aflatende, vaak geslaagde pogingen om het rijke, mediterrane licht te vangen, dat bij valavond nog zo intens kan zijn dat iemand daarboven een spot lijkt te hebben aangestoken. Met zijn beheersing van de schaduweffecten laat hij de kijker voelen hoe schraal dat onmetelijke roodbruine binnenland wel is.

De Haes had een zwak voor bergen. De Picos de Europa, het merkwaardige hooggebergte dat aan de Noord-Spaanse kust uit het niets opdoemt, figureert ontelbare keren op zijn doeken. Daar maakte hij in 1876 zijn belangrijkste werk, Canal de Mancorbo en los Picos de Europa. Een beekje leidt de toeschouwer door de donkere voorgrond tot hij ineens, in het midden van de scène, voor die majestueuze bergen staat, die in een bevreemdend, zijwaarts licht doen wat bergen van dat kaliber horen te doen: oprijzen.

Onlangs was in de Madrileense Fundación Carlos de Amberes, waar een De Haes-tentoonstelling uit Santander op bezoek was, de aanloop naar Canal de Mancorbo te zien, een studie die De Haes in 1874 ter plaatse schilderde, met de oprijzende Picos voor zijn neus. Als je de reproducties van beide werken naast elkaar legt, zie je hoe hij twee jaar later, in zijn Madrileense studio, verschillende elementen, vooral bomen, aan de definitieve versie toevoegde, romantiserende toetsen die de compositie beter uitkwamen. Tien jaar later zou zijn penseel zelfs een heel dorp te voorschijn toveren in een ander berglandschap. Een meester van het detail was De Haes wel, een zuiver realist zeker niet.

Op de panoramische vergezichten valt op hoe weinig het Spaanse landschap veranderd is in al die tijd, een onvermijdelijke indruk in een land met zoveel leegte. Tegelijk legde De Haes een verloren Spanje vast, vooral aan de zuidkust, waar hij zijn jeugd doorbracht. Kust in de omgeving van Torremolinos staat onder een bekroond werk uit 1860. Vandaag is deze costa onder het massatoerisme bedolven; anderhalve eeuw geleden was het niet meer dan een verlaten strand, met in de verte de witte huisjes van het dorp, en op de voorgrond twee mannen en een hond. Voor de rest geen levende Hollandse ziel te bekennen.

Na 1876, toen zijn Spaanse vrouw, met wie hij in 1875 trouwde, de geboorte van hun dochtertje niet overleefde en het dochtertje twee dagen later stierf, verdween de kleur uit De Haes' werk. Hij sloot zich op in zijn werk, ging steeds vaker Nederlandse en Franse landschappen opzoeken, zocht naar het grijze, nevelige licht. Aan vrienden vertelde hij vaak dat hij veel te weinig in Nederland en Vlaanderen was geweest. Het heimwee knaagde.

In 1883, een van de laatste jaren dat hij nog kon werken, schilderde hij de boeg van een vergaan schip op een verlaten strand, een lijk in ontbinding. "Ik vegeteer eindeloos", schrijft hij in 1896 aan een neef in Eindhoven. "Werken, de enige passie in mijn leven, wordt mij door hart- en oogproblemen onmogelijk gemaakt." Twee jaar later sterft hij aan een longontsteking, een vereenzaamde noorderling in het land van de eeuwige zon.

De tentoonstelling loopt nog tot 12 januari 2003, toegang 3 euro.

Het Prado bezit van geen enkele 19de-eeuwse kunstenaar meer werken dan van geboren Brusselaar Carlos de Haes

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234