Maandag 28/09/2020

Toporkest in flexibiliteit

In 2001 riep de Amerikaanse componiste en bandleader Maria Schneider verrukt uit dat het Brussels Jazz Orchestra (BJO) zonder meer haar favoriete groep is om mee te werken. Dat wil wat zeggen, want Schneider is internationale top. Sindsdien is het met de reputatie van het BJO altijd maar crescendo gegaan. Dat hebben ze niet aan Schneider te danken, wel aan de eigen attitude: het BJO is een enorm professionele en flexibele jazzmachine die zich creatief kan plooien naar telkens nieuwe contexten.

Muzikale kameleon Brussels Jazz Orchestra zet voluit in op variatie

Het BJO is dan ook een projectgroep bij uitstek, een kameleon die veel verschillende temperamenten accumuleert. Een tuin met verschillende perken met een eigen karakter die toch in het geheel passen. Dat is ook een kwestie van overleven, vindt artistiek leider Frank Vaganée: ‘We willen zo vaak mogelijk optreden. Daarom moeten we veel variatie brengen.’

Het BJO is geboren uit een gemis toen de toenmalige BRT begin jaren negentig zijn bigband opdoekte. Er was op dat moment een hausse in opkomend jazztalent, maar nog een groot gebrek aan podia voor jazz. De jonge muzikanten organiseerden toen zelf vaak concerten, onder meer in De Kaai. Maar dat creëerde vooral speelruimte voor kleine en vaak experimentele ensembles. Muzikanten kregen nauwelijks kansen om ervaring op te doen in grote, traditionele jazzorkesten. Saxofonist Frank Vaganée vond dat een grote leemte: “Ik heb in mijn jeugd altijd in grote ensembles gespeeld, in fanfares en harmonies. Daar heb ik leren houden van het samen spelen, de sociale context van zo’n orkest, de indrukwekkende klank, de energie die vrijkomt en de impact daarvan op het publiek. Versmelting is cruciaal, het laten samenvloeien van diverse stemmen binnen een sectie en het uitspelen van secties tegenover elkaar.”

In 1993 besloten Vaganée, trompettist Serge Plume en trombonist Marc Godfroid daarom het heft in eigen handen te nemen: ze stichtten een 16-koppig orkest dat tweewekelijks publieke repetities hield in jazzclub Sounds in Brussel. Hun grote voorbeeld: de bigband van Thad Jones en Mel Lewis, traditionele jazz met een scherp, modern randje.

Het opmerkelijke initiatief liep al gauw in de kijker bij enkele producers van de omroep, zoals Johan Vandenbossche en Miel Vanattenhoven. Al meteen het eerste jaar mochten ze optreden op Jazz Middelheim. Het was duidelijk dat de jazzproducers dit orkest zagen als de feitelijke erfgenaam van de BRT-bigband. Later zou de omroep ook de eerste cd-opname realiseren (Live, 1997) en het orkest kreeg een plek op elke editie van Jazz Middelheim, zonder uitzondering.

Dat alles liet hen toe om te groeien, zowel kwalitatief als organisatorisch. In 1999 slaagde het erin om structurele subsidies te verwerven, dat was nooit eerder gelukt voor een jazzensemble. Rond dezelfde tijd zetten ze artistiek een stap verder door voluit in te zetten op samenwerkingsprojecten. De eerste projecten waren met de Belgische ‘internationals’ Toots Thielemans en Philip Catherine, daarna volgden vooral Amerikanen: Bill Holman, Maria Schneider, Kenny Werner, Jeanne Lee, Dave Liebman en Bob Mintzer. Er volgden ook concerten in de Verenigde Staten. Daardoor groeide de reputatie gestaag en kwam het BJO internationaal in beeld. In 2004 werd het door Downbeat opgenomen in de lijst van beste bigbands ter wereld. Dat was een heel uitzonderlijke eer voor een Europees orkest.

De internationale samenwerkingen hielpen om de reputatie te vestigen, maar de projecten in eigen land waren minstens zo belangrijk. In eerste instantie de samenwerking met trompettist, componist en arrangeur Bert Joris. De opname The Music of Bert Joris, uitgegeven naar aanleiding van Brugge 2002, is misschien wel het allermooiste werk van het BJO. Binnen de groep wordt trouwens al eens gegrapt dat BJO eigenlijk staat voor ‘Bert Joris Orkest’.

Een grap, niet meer dan dat, want grenzeloze flexibiliteit is en blijft het handelsmerk van het BJO. Ze hebben zelfs projecten gedaan met Paul Michiels, Joost Zweegers en Piet Goddaer. Ze gingen zelfs een confrontatie aan met de Brass Band Willebroek, wereldvermaard in het brassbandmilieu. Recent waagden ze zich zelfs aan het controversiële ‘Requiem’ van de Zweedse componist Nils Lindberg. Ook hier bewees het BJO dat zijn sterkte niet ligt in het neerzetten van een eigen signatuur, maar in de vaardigheid om voluit mee te gaan in de sterke ideeën van buitenstaanders.

Het is een consequente artistieke keuze, maar tegelijk een doelbewuste zakelijke strategie. Frank Vaganée daarover: “We zijn op zoek naar veel verschillende kleuren en temperamenten. Dat maakt ons veelzijdiger en sterker, ons spel wordt rijker. Maar we moeten het ook doen. De markt is erg klein en slechts weinig organisatoren zullen het orkest zomaar twee keer na elkaar uitnodigen, laat staan drie keer. Dat geldt niet alleen voor onze situatie in België. De tijden van Ellington en Basie zijn voorbij, ook voor de grote namen van nu. Een Europese tournee van een bigband telt vier of vijf concerten, niet meer. Voor ons gaat het hierom: als we veel willen spelen, dan moeten we gewoon heel wat variatie brengen in wat we doen.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234