Woensdag 20/11/2019

Aanslagen Brussel

Topdokter Stefaan Nijs over 22/3: "Je zag die dag het lelijkste wat er in de mens zit, maar ook het mooiste"

Stefaan Nijs. Beeld Marco Mertens

Als u in de wijde regio rond Leuven zwaargewond raakt, is de kans groot dat u op de operatietafel van traumachirurg Stefaan Nijs belandt. In dat geval mag u zich gelukkig prijzen: professor Nijs en zijn team in het UZ in Leuven vechten tot de laatste snik om levens te redden. Dat deden ze ook op 22 maart 2016, de dag van de terreuraanslagen in Brussel. "Je zag die dag het lelijkste wat er in de mens zit, maar ook het mooiste."

Met een complexe elleboog- of schouderbreuk bent u bij topdokter Nijs overigens ook aan het goeie adres: hij is daarin een autoriteit en reist de wereld rond om te speechen op congressen of om les te geven. We spreken hem in zijn bureau, twee dagen voor hij naar Australië en Nieuw-Zeeland vertrekt.

“De secretaresses hebben mij eens een kaart gegeven met alle landen waar ik al ben geweest. Nieuw-Zeeland was daar nog niet bij, dat zullen we dus moeten inkleuren.”

Waarom wilde u destijds geneeskunde gaan studeren?

“Ik wilde slachtoffers van ongevallen verzorgen. Dat leek mij heel spannend, en dankbaar. Dat je iets kan betekenen voor een mens die alles dreigt te verliezen, trok mij enorm aan. Tijdens mijn studie kreeg ik veel interesse voor traumachirurgie, dus heb ik mij daar verder op toegelegd.”

Wat doet een traumachirurg precies?

“Wij behandelen mensen die een ongeval hadden, van zodra ze op de spoedgevallen aankomen tot ze volledig hersteld zijn. Ik help mensen met banale tot zeer ernstige letsels: van kneuzingen tot levensgevaarlijke verwondingen. Omdat dat spectrum zo groot is, doen wij heel vaak een beroep op collega’s met een specifieke expertise. Wij werken altijd in een team, en de traumachirurg is dan zo’n beetje de kapitein van het schip.”

U leidt het team, maar u opereert zelf toch ook?

“Ik opereer veel, ja.”

Wat voor operaties zijn dat dan?

Ik herstel veel breuken, van gewrichten of botten. Wanneer er organen geraakt zijn, kunnen we dat in eenvoudige gevallen met het team zelf herstellen. Bij complexe verwondingen halen we er de borst- en buikchirurg bij.

Wat gebeurt er op de spoedafdeling wanneer de melding binnenloopt dat er een patiënt op komst is?

“Zodra een patiënt op weg is naar het ziekenhuis, krijgen we een waarschuwing over de ernst van de letsels. Code rood is iemand in acuut levensgevaar. Code geel betekent mogelijk levensgevaar. Bij code groen staan er geen levens op het spel. Bij code rood of code geel staat het hele traumateam klaar.”

Maken de eerste ingrepen altijd het verschil tussen leven en dood?

“Het is vooral van belang om zo snel mogelijk de juiste behandeling te starten. Daarom heb je iemand nodig die beslissingen kan nemen op basis van relatief beperkte informatie. Je kan bij een zwaargewonde uiteraard geen week lang onderzoeken doen. Ervaring speelt een grote rol om die juiste keuzes te maken.”

Is het niet ontzettend moeilijk om in die drukte van dokters en verplegers zo’n belangrijke beslissingen te nemen?

“Je hebt er een stevige dosis koelbloedigheid voor nodig. De emoties laaien soms hoog op en de letsels zijn vaak heel ernstig. Dat hele traumateam krijgt een enorme adrenalinerush, maar als leider moet je even afstand kunnen nemen, rustig analyseren en knopen doorhakken. En ik ga niet twijfelen. Soms moet ik alsnog een beslissing corrigeren, maar je mag niet door twijfel verlamd worden.”

Wanneer wist u dat u die koelbloedigheid had?

“Die zal voor een deel aangeboren zijn, maar je kweekt die ook wel.”

Door welk onheil worden de meeste van uw patiënten getroffen?

“De meeste mensen hebben thuis een dom ongeval gehad. Er vallen veel meer zwaargewonden omdat mensen van de trap donderen of uit de dakgoot tuimelen, dan door ongevallen in het verkeer. De perceptie daarover is volledig verkeerd.

Ik werd traumachirurg omdat ik jonge verkeersslachtoffers wilde redden, maar ik behandel veel meer oude dan jonge patiënten. Patiënten met levensbedreigende letsels zijn wel vaker jongeren. Bij jonge mannen is een verkeersongeval nog altijd doodsoorzaak nummer één. Bij jonge vrouwen tot 35 ook.

Bij mannen tussen 40 en 45 is een ongeval of geweld de voornaamste doodsoorzaak, ook zelfmoorden horen daarbij. Een aanzienlijk deel van onze patiënten zijn mensen die een zelfmoordpoging ondernamen.”

Op die momenten bent u het leven aan het redden van mensen die er eigenlijk wilden uit stappen.

“Ik heb al veel mensen gered na een zelfmoordpoging. De meesten van hen ondernemen nadien nooit meer een poging. Die mensen zijn dankbaar dat we hun leven gered hebben. Natuurlijk denken ze er niet allemaal zo over, maar daar kan en wil ik niet over oordelen.

We krijgen ook patiënten die neergeschoten zijn, soms terwijl ze een misdaad aan het plegen waren. Ook dan is het niet aan mij om daar een oordeel over te vellen. Dat zal een rechtbank later wel doen.”

Stefaan Nijs Beeld Marco Mertens

Wat doen schotwonden met een lichaam?

“De ernst van die letsels hangt af van de munitie waarmee geschoten werd. Een 9mm-kogel kan flink wat schade aanrichten, maar de impact van oorlogsmunitie – bijvoorbeeld van een —kalasjnikov – is veel groter. Als zo’n kogel je raakt, gaat er een enorme schokgolf door je lichaam die organen kan doen scheuren. We zien in België gelukkig niet zo vaak zulke schotwonden. Mensen die hier gewond raken door geweld, lopen meestal steekwonden op.”

Geeft u soms patiënten op omdat ze er te erg aan toe zijn?

“Zolang het niet hopeloos is, ga je ervoor. Zelfs al is de kans dat iemand toch overlijdt 98 of 99 procent. Zodra het duidelijk wordt dat alle hulp zinloos is, neem je met het team de beslissing om te stoppen.”

Wanneer u een roekeloze chauffeur ziet, denkt u dan: "Die zou eens moeten zien wat ik op mijn operatietafel krijg"?

(denkt lang na) “Ja. Maar je ontwikkelt ook een zeker fatalisme, het besef dat je lot van details afhangt. Natuurlijk denk ik ‘Pas toch op!’ als ik mensen roekeloos zie rijden. Maar ik ben niet het type dat dat ook tegen die chauffeur gaat zeggen.

Ik geef ook schoolvoordrachten over verkeersslachtoffers. Dan hoop ik telkens dat ik bij die jongeren wat bewustzijn kan creëren.”

Bij de laatste BOB-campagne bliezen minder chauffeurs dan ooit positief. En ook het aantal verkeersdoden daalt. Merkt u daar iets van in het ziekenhuis?

“Absoluut, en dat kunnen we alleen maar toejuichen. Maar we hebben nog een hele weg af te leggen. België is nog altijd één van de slechtste leerlingen van de klas in Europa.”

Wat kan er beter?

“De sterftecijfers na een zwaar ongeval liggen bij ons bijna de helft hoger dan in Nederland, Duitsland of Engeland, omdat men daar traumacentra heeft waar de klok rond gespecialiseerd personeel klaarstaat. Bij ons worden verkeersslachtoffers nog altijd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht, maar daar ben je niet noodzakelijk het best geholpen. Het komt er niet op aan om zomaar snel bij een dokter te zijn, maar wél bij een dokter die zo vlug mogelijk de juiste behandeling kan starten. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg opperde vorig jaar om in ons land vier tot zeven van zulke traumacentra op te richten. Dat zou veel levens kunnen redden.”

Minister van Volksgezondheid Maggie De Block liet al uitschijnen dat ze dat een prima idee vindt.

“Dat is een goed teken. We moeten natuurlijk ook op preventie blijven inzetten, want voorkomen blijft beter dan genezen.”

De Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie pleitte er na de aanslagen voor om burgers te leren hoe ze bloedingen moeten stelpen. Het duurt even voor hulpverleners ter plaatse zijn, en voor slachtoffers met zware bloedingen zijn minuten van levensbelang.

“Ik ben daar een grote voorstander van. Er sterven veel meer mensen omdat ze doodbloeden dan mensen die een hartstilstand gekregen hebben. Veel van die mensen hadden gered kunnen worden. Op steeds meer plaatsen hangen we automatische defibrillatoren om mensen met een hartstilstand te kunnen redden. We pleiten er al jaren voor dat iedereen hartmassage en mond-op-mondbeademing leert uit te voeren. Een bloeding leren stoppen is veel eenvoudiger en kan meer levens redden.”

Helemaal leeg

Volgende maand is het twee jaar geleden dat de aanslagen in Brussel plaatsvonden. U behandelde zelf veel slachtoffers. Hoe kijkt u op die dag terug?

“De mensen die we toen hebben behandeld, waren slachtoffers van het lelijkste wat er in de mens zit. Maar je zag die dag ook het mooiste in de mens bovenkomen, de enorme solidariteit tussen slachtoffers bijvoorbeeld. Mensen die zelf zwaargewond waren, zeiden: ‘Verzorg die andere maar eerst, want die is er nog slechter aan toe dan ik.’ Dat was ongezien. Ook de solidariteit tussen hulpverleners was ongelooflijk. Er zijn nog altijd mensen boos op mij omdat ik toen gezegd heb dat ze niet moesten komen, dat we al meer dan genoeg volk hadden (lachje).

Het klinkt wat vreemd, maar in die zin was het ook een fantastische ervaring. Je staat voor iets verschrikkelijks, maar je ziet ook de kracht van de menselijkheid, mensen die zich tot het uiterste voor anderen inzetten... Het was prachtig om dat te zien op een dag van onvoorstelbaar leed.”

Hulpverleners aan metrostation Maalbeek. Beeld Photonews

U houdt er dus ook een goed gevoel aan over?

“Ieder slachtoffer dat ik kan helpen, is zingevend. Als ik iemand tegenkom die ik met veel moeite in leven heb kunnen houden, en ik zie dat zo iemand opnieuw probeert te sporten, of weer aan het studeren, of aan het werk is: dan weet ik waar ik het voor doe. Als je dan op een dag vijftien mensen tegelijk binnenkrijgt en je kan aan het eind van die dag zeggen dat er niemand is doodgegaan, dan is dat een fantastisch gevoel.

We zijn er die dag in geslaagd om mensen te behoeden voor amputaties, we hebben benen verschillende centimeters ingekort om voeten te redden. Twee jaar later kunnen die mensen opnieuw stappen, en hebben we de botten in hun benen zelfs weer de lengte kunnen geven die ze voordien hadden.

Bij één meisje hebben we helaas wel beide benen moeten amputeren. Zij was enkele dagen na de aanslagen overgekomen uit een ander ziekenhuis. Haar moeder stuurt mij nog regelmatig filmpjes van haar revalidatie. Ze is opnieuw aan het sporten en rijdt zelfs weer paard.”

Voor u was het een héél lange dag. U had er die ochtend al een shift op zitten.

“Ik had heel de nacht geopereerd – een reconstructie van iemands hand. Ik had om half negen nog een vergadering en was van plan om daarna naar huis te gaan. Om acht uur belde een collega, die vroeg wat we gingen doen met die ontploffing in Zaventem. Kort daarna zijn de eerste patiënten binnengebracht. Ik ben de hele dag gebleven. Iederéén is doorgegaan tot het werk gedaan was. Ook in de weken daarna.”

De verwondingen van de slachtoffers waren van een aard die u nog nooit had gezien, zei u. Terwijl u toch één en ander gewend bent.

“Ontploffingsletsels zien we hier normaal niet, zeker niet van shrapnelbommen. In mijn team zaten twee militaire chirurgen die in oorlogsgebieden gewerkt hadden. Ze hadden eens een presentatie gegeven van wat ze daar juist deden, maar dat soort letsels op je operatietafel zien, is toch totaal anders.”

Wat voor letsels heeft u toen behandeld?

“De bommen zijn laag afgegaan, dus de meeste slachtoffers hadden zware verwondingen aan de benen. We hebben heel veel botten moeten reconstrueren. Zo’n ontploffing veroorzaakt ook een enorme steekvlam, waardoor mensen uitwendige en inwendige brandwonden oplopen. Ze ademen de vlammen in, waardoor hun longen verbranden.”

Uw team heeft alle slachtoffers kunnen redden die in het UZ terechtkwamen.

“Wij hebben 24 slachtoffers behandeld. Veertien van hen waren in levensgevaar. Ze hebben het allemaal gehaald. Je komt daar natuurlijk niet ongeschonden uit. Die veertien patiënten hebben ondertussen samen al 120 operaties gehad. De meesten houden er blijvende beperkingen aan over.”

Een extra complicatie was dat de bommen vol kleine stukken metaal zaten.

“De meeste slachtoffers hadden honderden stukken metaal in hun lichaam. Die hebben we niet allemaal kunnen verwijderen, dat is gewoon onbegonnen werk. Soms zaten die stukjes ook op zo’n moeilijke plaats dat ze weghalen te gevaarlijk was. Dan laat je ze best gewoon zitten.”

Kan dat geen kwaad?

“Dat metaal raakt ingekapseld. Meestal heeft dat geen gevolgen. Met metalen stukjes in je lichaam mag je wel niet meer onder de MRI-scanner. Door de magnetische straling van die scanner kunnen die stukjes bewegen of warm worden.”

Hoe blijft u op zo’n dag recht? En vooral ook: hoe blijft u hele delicate en technische operaties tot een goed einde brengen?

“Je werkt op pure adrenaline. Ik heb die dag nog tot elf uur ’s avonds gewerkt, ben een paar uurtjes naar huis gegaan, en de volgende ochtend was ik hier om halfzes al terug.

De volgende dag hadden wij ’s avonds een personeelsfeest. We wilden dat eerst afgelasten, maar de psychiaters adviseerden om het wél te laten doorgaan. Het beste wat we konden doen, was praten met elkaar: ‘Wat heb jij gezien? Wat is er nog gebeurd met die of die patiënt?’ Dat feest heeft ons allemaal veel deugd gedaan. We konden ons hart luchten, dat was precies wat iedereen nodig had. Die avond werd het natuurlijk ook weer laat. De volgende dag kwam de koning het ziekenhuis bezoeken, en moest ik hier ook weer om zes uur ’s ochtends zijn.

Die donderdagavond zat ik hier om negen uur in mijn bureau, ik was helemaal leeg. Ik heb mijn vriendin gevraagd om me te komen halen. Zij heeft me in mijn groen pakske in bed gestopt.”

Door de hel

U zat er fysiek volledig door. En mentaal?

“Posttramautische stress kan ook hulpverleners treffen. Om dat te vermijden is het heel belangrijk om vanaf het begin te praten over wat er gebeurt. Dat hoeft niet in praatsessies met psychologen, het werkt zelfs beter om binnen je team te praten. Ook op dat vlak hebben we het schitterend gedaan.

De positieve commentaar op ons werk heeft veel geholpen. Iedereen was dankbaar. We zijn die dag allemaal veranderd, maar niemand in mijn team is er psychisch onderdoor gegaan, integendeel. De motivatie om goed werk te doen is alleen nog maar groter geworden. Een jaar later kantelde in Leuven een trein. Binnen het halfuur, nog voor er één slachtoffer hier was, had ik zes volledige chirurgenteams klaarstaan. Er viel uiteindelijk één zwaargewonde, maar wéér zag je die solidariteit en die kracht. Dat is heel mooi.”

In welke zin heeft 22 maart u persoonlijk veranderd?

(denkt lang na) “Mijn fatalisme is nog toegenomen. Dat bedoel ik niet in negatieve zin, ik ben me er van bewust dat ik moet accepteren wat er op mijn pad komt. Ik reis heel veel. Ik had perfect daar op de luchthaven kunnen zijn. Het had mij ook kunnen overkomen.

De echtgenoot van één van mijn chirurgen in opleiding was in de luchthaven toen de bommen afgingen. Die had dood kunnen zijn. Als het je lot is, dan komt het. Je kan wel proberen het lot een beetje te sturen door geen onnodige risico’s te nemen en gezond te leven, maar uiteindelijk valt er niet aan te ontsnappen.”

Leert iemand met uw beroep het leven niet méér naar waarde te schatten? U ziet zo vaak hoe snel het afgelopen kan zijn.

“Je beseft hoe relatief het leven is. Als er mij iets goeds overkomt, kan ik daar echt van genieten, want morgen kan het voorbij zijn.”

Een brandweerman die er die dag bij was, zei in Humo dat ongevallen of natuurrampen nog te aanvaarden zijn, omdat die nu eenmaal onvermijdelijk zijn. Maar mensen die erop uit zijn om zoveel mogelijk anderen te vermoorden, dat was een schok voor zijn vertrouwen in de mens. Herkent u dat?

“Ik denk dat het voor de hulpverleners ter plaatse wel anders is dan voor ons. Zij hebben apocalyptische taferelen gezien. Zij hebben mensen voor hun ogen zien sterven. Wij hebben vooral levens gered. Daar hou je toch een ander gevoel aan over. Mijn mensbeeld heeft het alvast niet drastisch veranderd. Ik besefte al langer hoe wreed mensen voor elkaar kunnen zijn.

Van mijn veertiende tot mijn achttiende heb ik op de kadettenschool gezeten: het was de tijd van de Koude Oorlog. Wij werden er – wellicht meer dan andere jongeren – aan herinnerd dat we voorbereid moesten zijn op de oorlog, op de Russen die gingen komen. Geweld en wreedheid tussen mensen was iets waarmee je altijd rekening moest houden. Dat is een deel van onze natuur.”

Als we het goed begrijpen, ambieerde u eerst een carrière in het leger?

“Ik wou gevechtspiloot worden, maar ik had nogal wat moeite met de discipline in het leger. Ik was een moeilijke puber, met soms revolutionaire gedachten. Het was de tijd van de punk, hè. Dat was mijn muziek. Op mijn zeventiende besefte ik dat een militaire carrière toch niks voor mij was en ging ik geneeskunde studeren. Ondertussen is mijn relatie met militairen veel beter, de meeste chirurgen van het Belgische leger komen bij ons het vak leren.”

Denkt u nog vaak terug aan 22 maart?

“Het is er altijd, hè. (lange pauze) Maar als ik eraan terugdenk, haalt het positieve de bovenhand. Hoe het team gewerkt heeft en de solidariteit tussen de slachtoffers, dat is voor mij veel krachtiger dan de pijn en de miserie die ik gezien heb. Ik probeer sowieso in alles het positieve te zien. Misschien heb je dat ook wel nodig om mijn werk te kunnen doen.”

Over een paar dagen staat u weer in Zaventem.

“Ik kijk dan weleens naar die plaatsen. Toen de luchthaven pas heropend was, moest ik ook het vliegtuig nemen en dat was toch wel confronterend. Vertrekken in die beschadigde luchthaven, dat was even slikken.”

Hebben jullie als traumateam ook iets geleerd van die dag?

“Ik heb al veel lezingen gegeven over 22 maart. Ik ontmoette daarbij al collega’s die de aanslagen in Berlijn of Nice meegemaakt hadden. Je leert van elkaars ervaringen. Voor mij is terreur een realiteit geworden. Het is niet langer iets wat zou kúnnen gebeuren. Ik hoop dat we het nooit meer meemaken, maar ik heb het gevoel dat het nog eens zal gebeuren en dat we dan zo goed mogelijk voorbereid moeten zijn.”

Heeft u de slachtoffers van 22 maart die in het UZ zijn behandeld allemaal opgevolgd?

“Sommige wel. Anderen zijn door medewerkers opgevolgd. Zij hebben er ook meer geopereerd dan ik. Mijn taak die dag was vooral om te beslissen welk slachtoffer geopereerd moest worden door welke chirurg, en in welke volgorde.

In principe volgen we mensen een jaar, maar sommige patiënten volgen we jaren later nog. Ik zie bijvoorbeeld nog altijd twee keer per jaar enkele kinderen van de busramp in Sierre. De kinderen die de ramp overleefd hebben, zijn toen allemaal naar hier gekomen. De meesten van hen heb ik zelf geopereerd.”

Is kinderen opereren zwaarder dan volwassenen?

“Het is anders. Bij de kinderen van Sierre kwam daar nog bij dat ze net zo oud waren als mijn tweede zoon toen. Ik kon me heel goed inbeelden door welke hel hun ouders gingen.”

Het busongeval in Sierre. Beeld BelgaImage

Niet twijfelen

In welke mate laat u emoties toe tijdens uw werk?

“Emoties zijn voor achteraf. Wanneer ik opereer, wil ik maar één ding: de best mogelijke chirurg voor de patiënt zijn. Ik sta er ook niet bij stil of het om een moeder of een kind gaat. Soms moet ik heel drastische beslissingen nemen. Als je dan denkt: ‘Gaat die jongen er nu van afzien als ik zijn been amputeer?’ dan kan je dat niet. Als je op zo’n moment begint te twijfelen, gaan er mensen dood. Dan heb je die koelbloedigheid nodig. Bij deze job speelt ook je ego een rol: ik geloof dat ik het recht heb om een mensenleven te beïnvloeden. Je moet een beetje gek zijn om zo’n beslissingen te willen nemen (lachje).”

Emoties zijn voor later. Hoe uiten die zich dan?

“Je neemt dat mee naar huis. Je praat met iemand over hoe erg het is, wat je gedaan of gezien hebt. Je ontwikkelt ook een zekere affectie voor een patiënt. Mensen van wie je het leven gered hebt, die onthoudt je.”

Zijn er patiënten die u in het bijzonder bijgebleven zijn?

“Je herinnert je elk leven dat je gered hebt. Als je die mensen eens terugziet: dat doet je goed, hè. Het klinkt misschien wat grootsprakerig, maar op zo’n moment weet je: mijn leven heeft zin, ik heb voor mensen iets betekend. Als de kinderen van Sierre met Kerstmis een kaart sturen, of ze sturen een mailtje omdat ze geslaagd zijn voor hun examens... Eén van die meisjes zat eens bij mij op de raadpleging, omdat ze nog last had van haar knie. Dat meisje had haar lief meegebracht. Die kinderen zijn ondertussen al zeventien jaar, hè. Ze stelde hem aan me voor: ‘Dit is nu mijn vriendje!’ (glundert) Dat zijn fantastische momenten.”

Dat compenseert wellicht ook de ellende die u soms ziet?

“Ik heb het er onlangs nog met een Rotterdamse collega over gehad. Er zijn twee dingen die ons drijven: de patiënten die je terugziet en die je dankbaar zijn, en onze wil om technische perfectie af te leveren. Ik kan enorm genieten van een geslaagde operatie. Als een bot aan flarden is, en ik kan dat in elkaar puzzelen, of als iemand dreigt dood te bloeden, en je krijgt de bloeding snel onder controle: dat geeft een enorme kick.”

Heeft u een vaste routine na een operatie? U stapt dan toch uit een soort cocon waar u urenlang in gezeten hebt.

“Ik bedank mijn team en kom dan meestal nog naar mijn bureau. Even neerzitten, iets drinken, de film laten afspelen. Dan voel je je even helemaal leeg.”

Veel topsporters hebben vaste rituelen voor een wedstrijd. Bestaat dat ook bij chirurgen?

“Dat zal zeker bestaan in ons vak, maar ik ben niet bijgelovig.”

U opereert wel graag met muziek.

“Ja. Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig, met punk en new wave, en later kwam de grunge. Die muziek speel ik nog altijd. In de operatiezaal zet ik weleens Rammstein of Metallica op. Maar het kan evengoed Linkin Park zijn.”

Dat af en toe iemand het niet redt, hoort erbij. Kan u dat makkelijk plaatsen?

“Iemand die overlijdt, is het slechtste gevoel dat er is. Iemands leven redden, is dan weer het allermooiste. Geen enkel gevoel komt ook maar in de buurt van een mensenleven redden.

Als iemand doodgaat, zit je heel diep. Je overloopt dan de hele operatie. Bij iedere stap die je gezet hebt, stel je jezelf de vraag: wat had ik anders kunnen doen? In de overgrote meerderheid van de gevallen kom je tot de conclusie dat je niks anders had kunnen doen.

Op zo’n momenten zijn we er als team voor elkaar. Je kan dat thuis wel vertellen, maar alleen iemand die gelijkaardige beslissingen heeft moeten nemen, kan je begrijpen. Maar je moet ook verder. Als je begint te twijfelen aan jezelf, kan je deze job niet meer doen.”

Krijgt u psychologische begeleiding?

“Die is er als het nodig is.”

Na de eerste aflevering van ‘Topdokters’ kreeg u al meteen de wind van voren, omdat u gezegd had dat u honderd uur per week werkt. Enkele van uw collega’s vonden dat onverantwoord.

“Ik heb gemiddeld twee wachtdiensten per week, dan ben ik thuis of in het ziekenhuis. Omdat je binnen het kwartier in het ziekenhuis moet kunnen staan, zijn dat werkuren. Dat tikt dus aardig aan.

Een normale dag begint voor mij tussen zeven en halfacht ’s ochtends en eindigt tussen zeven en acht uur ’s avonds. Gemiddeld heb ik ook nog eens twee of drie vergaderingen die tot tien of elf uur duren. In het weekend of ’s avonds is er ook nog een boel administratief werk te doen. Als je dat allemaal optelt, kom je aan honderd uur. Maar ik ben dus geen honderd uur per week met patiënten bezig. Laat dat duidelijk zijn.”

Hier en daar suggereerde een dokter dat u soms wel half slapend boven uw operatietafel moet hangen.

“Dat is natuurlijk nonsens. Die mensen trekken mijn uitspraak uit de context omdat ze het aantal werkuren in de geneeskunde willen terugdringen. Drie dagen na elkaar wachtdienst hebben, dat is niet meer van deze tijd: daar sta ik volledig achter.

Als arts in een academisch ziekenhuis geef je ook nog les én doe je onderzoek. Lessen voorbereiden en examens verbeteren, doe ik ’s avonds en in het weekend. Van oververmoeid met patiënten bezig zijn, is geen sprake. Ik weet echt wel beter.”

Veel slaap kan u toch niet nodig hebben?

“Ik slaap vier tot vijf uur per nacht. Maar dat doe ik al mijn hele leven.”

Naast al uw taken hier, trekt u nog geregeld naar het buitenland. Hoe houdt een mens dat vol?

"Het draait allemaal om passie. Ik doe dit gewoon doodgraag.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234