Zondag 29/05/2022

Topbankier en baron uit een vondelingengeslacht

Thomas De Kleine laat er geen gras over groeien. Nauwelijks een week oud en al een Bekende Vlaming. De eerste cliënt van de Antwerpse vondelingenschuif heeft niemand onberoerd gelaten. Kandidaten staan in de rij om de achtergelaten boreling te knuffelen of desnoods te adopteren. Joseph-Charles Narmon kreeg minder aandacht toen hij 156 jaar geleden in de schuif werd gedeponeerd. Verweesd, mismaakt en een tikje achterlijk: zijn lot was ongenadig maar niet gespeend van ironie. Kleinzoon François Narmon werd topbankier, op dezelfde plek waar zijn grootvader te vondeling werd gelegd.

Door Erik Raspoet / foto Stephan Vanfleteren

Gedurende 27 jaar was François Narmon de nummer één van het Gemeentekrediet. Toen hij twee jaar geleden met pensioen ging, had hij niet alleen de naam van zijn werkgever veranderd. De bescheiden kredietverstrekker voor lokale besturen groeide onder Narmons bewind uit tot een polyvalente grootbank met Europese ambities. Een dag telt voor iedereen maar 24 uren, maar sommigen halen uit dat tijdsbestek meer dan anderen. Behalve CEO van Dexia was Narmon een tijdlang voorzitter van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité en doceerde hij boekhouding aan de VUB en de ULB. Intussen heeft hij, zoals dat mooi heet, al zijn functies neergelegd. Maar tijd om zich te vervelen, laat staan zijn memoires als bobo van de haute finance te schrijven? De 74-jarige Narmon heeft de handen vol met de drie tienerzonen die aan zijn tweede huwelijk zijn ontsproten. Het gezin betrekt een riante villa in Meise, met moderne smaak en onbeperkte middelen ingericht. Goed geboerd aan de Pachecolaan, waar niet alleen het hoofdkwartier van het Gemeentekrediet alias Dexia is gevestigd. Het is ook daar, in een wijk die lange tijd als de infame bas-fond van Brussel bekendstond, dat het geslacht Narmon op de kaart werd gezet. In zijn geval mag dat letterlijk worden genomen.

François Narmon: "Ik was al 58 toen ik de waarheid over mijn afkomst vernam. Als nakomertje heb ik mijn grootvader langs vaders kant nooit gekend, net zomin overigens als mijn andere grootouders. Thuis werd er nooit over gesproken en mijn eigen vader is gestorven toen ik amper twaalf was. Maar ook mijn moeder, die nochtans tot 1972 heeft geleefd, is er nooit over begonnen. Dat heeft niks met taboes of complexen te maken, het is er simpelweg nooit van gekomen en ik heb er als kind nooit naar gevraagd. Voor mij was het simpel: ik kwam uit een kleine familie en daar moest verder niets achter gezocht worden. Maar veel later, toen ik al directeur-generaal van het Gemeentekrediet was, begon het te knagen. Wat heeft mijn naam te betekenen? En waarom kom ik nooit een andere Narmon tegen? Behalve mijn eigen kinderen en de nakomelingen van mijn overleden broer kende ik geen naamgenoten. Er zijn nu in totaal 21 Narmons, niet wat je noemt een volksstam.

"Het toeval wilde dat er op kantoor een medewerkster rondliep die zich met stambomen en naamkunde bezighield. Ik zoek dat wel even op, stelde ze voor. Een poosje later kwam ze mijn kantoor binnen. Neem een stoel en ga zitten, zei ze, want ik heb groot nieuws. En inderdaad, ze had ontdekt waarom er zo weinig Narmons in de telefoongids stonden. De naam ging maar drie generaties terug. De eerste Narmon was mijn grootvader, die de naam had gekregen nadat hij in 1852 te vondeling werd gelegd. Ik stond paf, het woord vondeling was in onze familie nooit gevallen. Maar mijn medewerkster had nog meer ontdekt. De schuif waarin mijn grootvader werd gestopt bevond zich in het oude Sint-Janshospitaal dat tijdens de oorlog werd afgebroken om plaats te maken voor een parking. Op dat terrein heeft het Gemeentekrediet in de jaren zestig zijn hoofdzetel gebouwd, ik was daar zelf nauw bij betrokken. Mijn medewerkster was er zeker van: de vondelingenschuif waarin 150 jaar eerder mijn opa werd gelegd, bevond zich precies onder de plek waar mijn bureau stond. Voor mij blijft dat een onwezenlijke gedachte. Schrijf zo'n toeval in een roman en de lezers zullen zeggen dat het bij de haren is gesleurd."

Voor zijn zestigste verjaardag heeft hij op kantoor een prachtig cadeau gekregen. Dezelfde medewerkster die het geheim van zijn afkomst wist te ontsluieren had zich in de levensloop van Joseph-Charles Narmon verdiept. Ze schreef er een monografie over, met de vondeling in de eerste persoon enkelvoud. Haar queeste in de archieven van het Brusselse OCMW had ontroerende details aan het licht gebracht. De boreling was nog geen dag oud toen hij in de schuif werd gelegd. Afgaande op het register van het Hospice des Enfants Trouvés et Abandonnés gebeurde dat met de nodige omzichtigheid. Warm ingeduffeld in een linnen hemd, wollen trui en katoenen jakje, het tere hoofdje beschermd door twee mutsen. Het register vermeldt voorts een kaart met een in krom Frans gestelde opdracht. "21/3/1852. Neé un garçon qui doit se appeler Joseph Châr, c'est le nom pour le Baptême." Het kaartje is zigzagsgewijs doorgeknipt, een teken dat de moeder de hoop koesterde om haar lentekind vroeg of laat op te halen met de tweede helft van het kaartje als identiteitsbewijs. Dat is nooit gebeurd, wat bij de hoofdpersoon van de monografie existentiële vragen doet rijzen. Wie was zijn moeder en waarom heeft ze hem te vondeling gelegd? Deed ze het uit armoede? School er een familieschandaal achter? Was ze misschien ongehuwd zwanger geworden? En heeft ze het wel zelf gedaan of was ze in het kraambed gestorven? Allemaal vragen die eeuwig onbeantwoord zullen blijven.

"Hij heeft geluk gehad", zegt François Narmon. "Brussel was de enige stad die nog een vondelingenschuif had. Onder Napoleon was dat een algemeen verschijnsel in onze steden, maar in het tweede kwart van de negentiende eeuw werden ze een na een opgedoekt. Niet dat er daarom geen vondelingen meer waren, ze werden gewoon op andere plaatsen gelegd. In een kerkportaal, of voor de deur van een bemiddelde familie. Dat was veel riskanter, want lang niet alle kinderen werden tijdig ontdekt. Heel wat gekke familienamen in het telefoonboek vinden daar hun oorsprong. Vandendorpel, Kerkstoel... Allemaal verwijzingen naar de vindplaats. Het was lange tijd een traditie om vondelingen een belachelijke naam te geven. Het was zo grof dat de stad Brussel in 1816 een reglement heeft uitgevaardigd om die kwetsende praktijk te verbieden. In de tijd van mijn grootvader werd er met willekeurige lettergrepen gewerkt. Narmon heeft geen betekenis, maar ik vind het wel goed klinken. Bij de keuze van de voornaam werd de opdracht van de moeder gevolgd. Joseph-Charles hebben ze ervan gemaakt, dat staat heel chic."

Zoals gebruikelijk in die periode werd Joseph-Charles bij een pleeggezin ondergebracht. Zijn kindertijd heeft hij bij een hoefsmid in het Waalse Houdeng-Aimeries gesleten. Pleeggezinnen ontvingen een toelage om het mondje meer te voeden. Zesentachtig frank in het eerste levensjaar, plus een bonus van 25 frank als de baby de kaap van negen maanden haalde. Hoe ouder het kind werd, hoe kleiner de toelage. Logisch, want het pleegkind veranderde mettertijd van een last in een economische troef. Een extra paar handen om op het land te werken was altijd welkom. Normaal gesproken eindigde de voogdij op twaalf jaar, maar in het geval van Joseph-Charles werd tot een verlenging met twee jaar besloten. De motivatie in het vondelingenregister klinkt cru. Difformité et idiotie, als stigma kan dat tellen. "Hij was niet rijp om al op eigen benen te staan", gist zijn kleinzoon. "Grootvader kon lezen noch schrijven. Maar was hij daarom echt achterlijk of idioot? Ik weet het niet, het is best mogelijk dat hij nooit naar school is geweest. Dat hij mismaakt was, staat wel vast. Grootvader had een opvallende bult. Op zijn twaalfde is hij naar Grimbergen verhuisd, hij heeft heel zijn leven als koewachter op de boerderij gewerkt. Na die verhuis was het ook gedaan met zijn chique naam. Joseph-Charles Narmon, dat kregen ze op de boerenbuiten niet over hun lippen. Jef den Boelt, zo is hij door het leven gegaan."

Het heeft er lang naar uitgezien dat Jef den Boelt zowel het begin als het einde van het geslacht Narmon zou belichamen. Hij liep al tegen de veertig aan toen hij op de boerderij verkering kreeg met een weduwe, tevens moeder van twee kinderen. Ze trouwden en vestigden zich in Jette, er kwamen nog twee zonen van. De oudste zou op zijn beurt twee dochters krijgen, het was aan de jongste om de naam voor uitsterven te behoeden. Hendrik heette hij, maar in de volksmond werd dat Ree van Jef den Boelt.

Een naam met scharnieren, François Narmon zou het goed kunnen gebruiken. In 1994 werd de Dexiabaas in de adelstand verheven. Op de tafel, naast de monografie over zijn grootvader, ligt een kleurenprent met zijn wapenschild. Hij heeft destijds een heraldicus ingehuurd om de gewenste symboliek in zijn wapen te vatten. De korenhalmen, nederige getuigen van een agrarische achtergrond. De ecu's in zijn met weelderig groen getooide helm, een verwijzing naar zijn loopbaan als bankier. Over zijn leuze heeft hij geen seconde moeten nadenken. Pérséverant, volhardend, de keuze lag voor de hand. Volharding was bittere noodzaak om als zoon van Ree van Jef den Boelt de maatschappelijke ladder te beklimmen.

"Ik kom uit een straatarm nest", zegt baron Narmon. "Boeken of kranten heb ik thuis nooit gezien. Moeder kon een heel klein beetje lezen, maar vader was compleet analfabeet. Hij was hoop en al tot zijn tiende naar school geweest. En dan nog, als er op het land werk was, bleven de kinderen thuis om te helpen. Mijn ouders hebben lange tijd op een privédomein gewoond, vader deed de tuin, moeder hielp in de keuken. Ze werkten voor een hongerloon. Kort voor de oorlog is vader hovenier geworden aan de gemeente Jette. Omdat hij zo vroeg gestorven is, trok moeder een heel bescheiden weduwenpensioen. Wij hadden niks thuis, zelfs een fiets konden we ons niet permitteren. Ik liep school aan het atheneum van Koekelberg. Vier keer per dag drie kilometer te voet, want ik ging 's middags thuis eten. Ik heb er sterke benen van gekregen. Die komen nog altijd van pas, want ik ben een fervente skiër. Ondanks de armoede heb ik ook mooie herinneringen. Twee keer per jaar bezochten we de familie van mijn overleden vader, helemaal in Relegem. We namen de kortste weg, dwars door de velden. Ik zie me daar nog lopen, met mijn moeder, mijn broer en mijn nichtje. De korenbloemen en papavers tussen het rijpe graan, het was prachtig. Ik ben altijd een natuurliefhebber gebleven".

Wie had kunnen denken dat hij ooit op latten van een berg zou sjezen in een mondain skioord? Hij die als kind nooit op reis kon gaan? Een uitstap maken? "Veel te duur", zegt Narmon. "We kwamen nooit buiten onze arbeiderswijk in Jette. Te voet naar Relegem, verder ben ik niet geraakt. Met de trein naar Oostende was onbetaalbaar. Ik heb de zee pas gezien toen ik al in Gent studeerde."

In Amerika was zijn levensverhaal al lang verfilmd. From rags to riches, aan gene kant van grote plas zijn ze er dol op. Dat hij zijn American dream wist te verwezenlijken, komt door drie troeven die het lot hem in handen speelde. Behalve de grote dosis volharding was er een ongemeen scherp verstand. Werd er aan de geestesvermogens van de allereerste Narmon nog getwijfeld, dan wekten de hersens van diens jongste kleinzoon alleen maar respect en bewondering. "Ik was een briljante leerling", zegt hij. "Op het atheneum was ik altijd de eerste van de klas. Ik kwam thuis met regeringsmedailles voor mijn schitterende resultaten. Maar toen werd ik achttien en was ik klaar met het atheneum. Thuis werd van mij verwacht dat ik zo snel mogelijk ging werken om de kost te verdienen. Mijn broer had dat ook gedaan. Even maar, want hij is snel getrouwd en verhuisd. Moeder stond voor een dilemma. Een extra inkomen was broodnodig om de eindjes aan elkaar te knopen. Maar vanuit het atheneum werd er sterk op aangedrongen: zo'n briljante student, die moet naar de universiteit. Ze wilde wel, maar waar moesten we het geld vandaan halen? Ik was intussen gaan aankloppen bij het Fonds der Meestbegaafden. Na een geslaagd examen kreeg ik een beurs van 4.000 frank per jaar. Beter dan niks maar nog altijd ruimschoots onvoldoende om van te studeren. Toen heeft moeder een onwaarschijnlijk besluit genomen. Ze is met mij en mijn nichtje naar Gent verhuisd. We huurden een armzalig appartement met twee kamers, het goedkoopste dat we konden vinden. Terwijl ik aan de universiteit studeerde, ging mijn moeder links en rechts poetsen. Stel je dat voor, ze was toen al 57. Op die leeftijd alles achterlaten, verhuizen naar een vreemde stad waar je niemand kent, jezelf afbeulen als schoonmaakster. En dat alles om je kind de kans te geven te studeren en vooruit te komen in het leven. Er zijn geen woorden om te vertellen hoe dankbaar ik mijn moeder ben."

François Narmon heeft toch een manier gevonden om zijn dank uit te drukken, zij het dan postuum. Centraal in zijn wapenschild, geflankeerd door twee adelaars, staat de T van Thérèse, de naam van zijn moeder, die in zijn gedachten voortleeft als Treizeke. Ze heeft haar jongste zoon nooit als baron horen aanspreken, maar zijn steile opgang heeft ze wel nog meegemaakt. Na twee jaar Gent keerde de familie terug naar het vertrouwde Jette. François Narmon zette zijn studies handelsingenieur voort aan het befaamde Solvay-instituut van de ULB. De perfect tweetalige Vlaamse Brusselaar werkte het driejarige curriculum in twee jaar af en besloot met een grote onderscheiding, een prestatie zonder voorgaande. "Ik moest wel", zegt hij. "Ik had een studiebeurs voor vier jaar gekregen, dat extra jaar had ik nooit zelf kunnen financieren. Ik ben onmiddellijk gaan solliciteren, ik brandde van ongeduld om mijn eerste salaris aan mijn moeder af te geven. Overal waar ik aanklopte, werd ik enthousiast ontvangen. Prachtig diploma, schitterende punten, perfect tweetalig. Tot ze vernamen dat ik vier maand later voor anderhalf jaar naar het leger moest. Kom na je dienstplicht maar terug, kreeg ik overal te horen. Terwijl ik aan de lopende band sollicitatiebrieven schreef, viel er briefje van het Gemeentekrediet in de bus. Het kwam rechtstreeks van Marcel Van Audenhove, de directeur-generaal die ook les gaf aan het Solvay-instituut. Het Gemeentekrediet was in die tijd op zoek naar tweetalige universitairen. Van Audenhove kende me niet persoonlijk, maar hij had een tip gekregen van een van mijn professoren. Die François Narmon, die heeft precies het profiel dat je zoekt. Ik mocht bij hem op gesprek en maakte een goede indruk. Even leek het erop dat mijn dienstplicht weer roet in het eten zou gooien, maar daar heeft hij iets op gevonden. Om de wachttijd te overbruggen mocht ik op de verzendingsdienst aan de slag. Pakjes maken, folders naar agenten sturen, dat was dus mijn eerste baan bij het Gemeentekrediet. Ik herinner me nog de de eerste keer toen ik aan de kassa mocht aanschuiven voor mijn salaris. Hoe trots ik was toen ik 's avonds die 2.400 frank aan mijn moeder kon afgeven."

De rest is financiële geschiedenis van België. Narmon mocht na zijn legerdienst meteen als kaderlid beginnen, weliswaar niet zonder eerst met sprekend gemak een ingangsexamen af te leggen. Hij is zijn hele beroepsleven bij het Gemeentekrediet gebleven, de T in zijn wapenschild zou ook die van professionele trouw kunnen zijn. Toen Treizeke in 1972 stierf, was hij al opgeklommen tot de nummer twee van de bank, de gedoodverfde opvolger van zijn mentor Marcel Van Audenhove. "Natuurlijk heb ik haar geholpen", zegt Narmon. "Ze heeft haar levensavond zonder geldzorgen gesleten. Denk nu niet dat ze het over de balk gooide. Luxe liet haar koud, ze zou niet eens geweten hebben wat ze met een smak geld moest aanvangen. Moeder is altijd een bescheiden volksvrouw gebleven."

Bescheiden is François Narmon niet. Zelfbewust is een beter woord om hem te typeren. Als selfmade man draagt hij de meritocratie hoog in het vaandel. "Ik heb heel snel begrepen dat ik er alleen voor stond. Met huiswerk bijvoorbeeld moest in mijn ouders niet lastig vallen, ze begrepen er geen letter van. Op school, tijdens de oorlog, werd ik voortdurend met mijn armoede geconfronteerd. De andere kinderen droegen schoenen, ik liep op klompen. De anderen aten brood en vlees, ik moest het met een koude aardappel en pekelharing stellen. Dat underdoggevoel heeft mijn ambitie gescherpt. Ik was niet afgunstig, ik gunde de anderen hun weelde. Maar ik was er wel op gebrand om het even goed te doen en ik besefte dat ik daarbij alleen op mezelf kon rekenen. Ik heb carrière gemaakt in een wat apart milieu. Het zijn vooral mensen van rijke afkomst die je in de financiële wereld ontmoet. Ik heb me moeten aanpassen. Als kind uit een arm gezin ben je niet alleen materieel gehandicapt. Aanzitten aan een banket, champagne drinken, kreeft degusteren, dat zijn vaardigheden die ik in mijn jeugd niet heb geleerd. Bij ons thuis werd water gedronken, een flesje bier was luxe. Maar ik was een snelle leerling, ook op dat vlak. Toch voel ik me soms nog wat onwennig als ik in welstellende kringen vertoef. Er lopen daar veel mensen rond die zich superieur wanen, terwijl ze zelf geen enkele verdienste hebben aan hun status. Wie rijk geboren is, moet daarom niet hoog van de toren blazen. Ik kan tenminste zeggen dat ik ervoor geknokt heb."

François Narmon moet zowat het tegendeel van een parvenu zijn. Veeleer dan zijn bescheiden afkomst te verdoezelen zet hij ze in de verf. Joseph-Charles Narmon maakt integraal deel uit van zijn legende. Het gebeurde op een tentoonstelling van zijn eigen Gemeentekrediet. In de vitrinekasten lagen de schatten uit het archief van het Brusselse OCMW. Daar heeft hij voor het eerst het doorgeknipte kaartje gezien dat bij zijn grootvader in de vondelingenschuif werd achtergelaten. "Het was een bijzonder moment toen ik het vasthield", zegt hij. "De samenstellers van de tentoonstelling hadden me vooraf gevraagd of ik er geen bezwaar tegen had. Natuurlijk niet, antwoordde ik, waarom zou ik me schamen? Het lot van mijn grootvader is mijn geschiedenis, ik ben er zelfs fier op."

"Deze week heb ik nog aan hem gedacht, toen ik in jullie krant een foto zag van de vondelingenschuif in Antwerpen. Er is veel controverse over die schuif, sommigen beweren dat ze moeders aanmoedigt om hun kind achter te laten. Ik zie dat anders, volgens mij heeft die moeder de beste oplossing voor haar kind gekozen. Geen enkele vrouw laat zomaar haar baby achter. Dat ze het toch heeft gedaan, wijst op een zwaar probleem. Wat was dan het alternatief voor dat kind? Opgroeien in een marginaal gezin? Of ergens anders achtergelaten worden, met alle risico's van dien? Ik denk dat die baby al bij al van geluk mag spreken. Wellicht wordt hij geadopteerd door een welstellende familie die hem alle kansen en een goede opvoeding zal geven. Dat geluk heeft mijn grootvader nooit gekend."

In welstellende kringen voel ik me soms nog wat onwennig. Daar lopen veel mensen rond die zich superieur wanen, terwijl ze zelf geen enkele verdienste hebben aan hun status. Ik kan tenminste zeggen dat ik ervoor geknokt hebSommigen beweren dat de vondelingenschuif moeders aanmoedigt om hun kind achter te laten. Ik zie dat anders: volgens mij heeft die moeder de beste oplossing voor haar kind gekozen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234