Dinsdag 16/07/2019

Top-100 van de Tour

Waarom een tophonderd van Tour-renners? Waarom lenen twee 'ernstige' journalisten zich tot een rangschikking die eigenlijk niet bestaat? Is het meer dan een geinig spelletje, en dan misschien nog een misplaatst ook? Want kun je renners wel vergelijken? Kun je verschillende generaties en tijden over één kam scheren? Kun je de ene kampioen boven of onder een andere rangschikken, zonder dat die renners nog kunnen knokken voor hun plaats? Wel ja, dat kun je. Sterker, goede renners doen het voortdurend zelf. Echte kampioenen overwinnen niet alleen zichzelf, blijven niet alleen de concurrentie van vandaag voor. Echte kampioenen meten zich voortdurend met de mythe van mannen die mogelijk al gestorven zijn. Echte kampioenen vinden dat er maar één de beste kan zijn, zijzelf namelijk.

W

aarom trainde Lance Armstrong dit jaar weer zo verbeten in zijn Spaanse buitenverblijf? Om de Tour te winnen, dat zegt hij zelf. Wat hij noch zijn entourage hardop zeggen, maar wat ze ook niet ontkennen en wat iedereen vermoedt, is dat Lance Armstrong in 2003 de Tour wil winnen om er in 2004 nog een eindoverwinning bij te doen. Als - áls - dat lukt, is Armstrong immers zesvoudig Tour-winnaar. Dan heeft hij het record gebroken dat nu gedeeld wordt door Anquetil, Merckx, Hinault en Indurain.

Dat zijn inmiddels de tegenstanders van Lance Armstrong geworden. Armstrong rijdt een Tour op twee niveaus: tegen Beloki en Mayo en Ullrich en alle tegenstanders van vandaag, maar ook tegen de geest van Jacques Anquetil, de aura van Eddy Merckx, de verhalen van Bernard Hinault en de reputatie van Miguel Indurain.

Maar stel dat Lance Armstrong slaagt in dat opzet. Is hij dan ook echt 'de beste aller tijden'? Was Merckx toch niet beter - die trok in de Pyreneeën-rit naar Mourenx-Ville Nouvelle al van op de Tourmalet ten aanval, helemaal alleen de Aubisque over, en dan nog eens het lange stuk tot de finish. Dat hebben we Armstrong nog niet zien doen. Aanvallen halfweg de slotcol, ja, als de tegenstanders al zijn afgemat, afgemaakt vaak, door de eigen ploegmaats.

Die vergelijkingen zijn niet zomaar een spelletje. Renners die veel gewonnen hebben, beginnen op een bepaald ogenblik bewust een palmares op te bouwen. Rik Van Looy is bijvoorbeeld nog altijd erg trots dat hij de enige renner is die winnaar werd van alle klassiekers, of tenminste de wedstrijden die in zijn tijd dat predikaat verdienden. Reken maar dat Roger De Vlaeminck ieder jaar de vingers kruist dat Johan Museeuw Parijs-Roubaix níét wint, dat hij níét op gelijke hoogte komt met hemzelf, dat er één en slechts één 'monsieur Paris-Roubaix' blijft, De Vlaeminck zelve. In de jongste Giro was Mario Cipollini aanvankelijk zo zenuwachtig dat hij flaterde en faalde als een nieuweling, en pas na een week was hij zo blij als het grote kind dat hij toch wel gebleven is. Pas na een aantal ritten was het hem immers gelukt om het record van eenenveertig ritoverwinningen van Alfredo Binda te evenaren, een dag later zelfs te verbeteren. Dat 'record aller tijden' breken was eigenlijk de enige echte doelstelling die sprinter Mario Cipollini zich dit seizoen kon stellen, en op de keper beschouwd is het zelfs de voltooiing van zijn carrière. Nu heeft Cipollini een ereplaats in de wielergeschiedenis.

Het werkt zelfs averechts. Iedereen met enige liefde voor en kennis van de wielersport hoopt dat Oscar Freire nooit meer wereldkampioen wordt. Want stel dat hij nog eens wint, dan komt Freire op hetzelfde niveau als Binda, Van Steenbergen en Merckx. Echte wielerliefhebbers vinden dat hij daar niet bijhoort.

Wat opgaat voor de klassiekers of de Ronde van Italië, telt natuurlijk voor de Tour de France, dat summum van de wielersport, die wedstrijd waarin alles wordt uitvergroot, overdreven, op zijn scherpst gesteld, die soms mythische proporties aanneemt. Meer dan welke andere wedstrijd is de Tour de France traditie, geschiedenis. Er is een bibliotheek aan boeken over de Tour-geschiedenis, en die blijft uitdijen, jaar na jaar.

Zeker bij Tour-winnaars speelt die competitie. Jacques Anquetil stopte in 1964 met vijf zeges, destijds een meer dan royale verbetering van het record van drie eindoverwinningen van Philippe Thys en Louison Bobet. Toen kwam Eddy Merckx, en die startte in 1975 in de Tour met de vaste wil en overtuiging om het absolute record binnen te halen. Dat Thévenet hem klopte, was erg, maar tot vandaag is het grootste gemis bij Merckx niet dat hij van Thévenet verloor, wel dat hij geen zes Tours gewonnen heeft en niet alleen op die hoogste trede staat. Bernard Hinault heeft eerst hemel en aarde bewogen om toch maar zijn vijfde Tour-zege vast te krijgen - de concrete ambitie van zijn jonge ploegmaat Lemond moest duidelijk wijken voor zijn historische aspiratie - en het jaar daarop heeft Hinault verschrikkelijk zijn best gedaan om Lemond opnieuw de baas te blijven. Niet omdat hij Lemond niet mocht, maar omdat Hinault iets te bewijzen had: zes Tours winnen. Miguel Indurain leek die obsessie niet te hebben. Maar toen hij vertrok voor zijn zesde Tour, kwam die - erg symbolisch - ergens halverwege aan in 'zijn' Pamplona. En toen hij juist daar de Tour verloor, toen het bij hem daagde dat hij nooit een zesde Tour zou winnen, gaf Indurain er meteen de brui aan. Zonder die historische uitdaging was er blijkbaar niets dat de zwijgzame Spanjaard nog vooruit kon branden.

Maar als je gaat vergelijken, klasseren, selecteren dus ook, moet je dat wel met argumenten doen, moet je een 'kader' hebben, hoe persoonlijk dat ook is, hoe moeilijk dat soms te verantwoorden valt. Toch zijn er een paar regels en afspraken die in de praktijk een nuttige gids bleken bij de totstandkoming van onze erelijst.

Eén, de belangrijkste: ook in de Tour - zéker in de Tour - komt het aan op winnen. Sport is de beste zijn, topsport is de allerbeste zijn, en het liefst zo vaak mogelijk. Maar in dat winnen is er ook een strikte hiërarchie. In de Tour is geel niet zomaar belangrijker dan groen. De strijd om de gele trui is het wezen van de Tour de France. Je kunt de volgorde zelfs: omdraaien: zonder gele trui is er geen Tour. Niets is belangrijker of hoger dan in het geel Parijs bereiken. Geen honderd ritten, geen twintig podiumplaatsen wegen op tegen één eindzege in de Tour. De galerij winnaars is het echte pantheon van de Tour de France.

Een gevolg daarvan is dat de protagonisten van die strijd om het geel voorrang krijgen op andere renners, ook al hebben die - paradoxaal misschien met wat hierboven staat, namelijk dat winnen telt - meer ritoverwinningen op hun naam staan. Maar topsprinters doen zelden mee voor geel. Klimmers wel. Want zelfs als de gele trui te hoog gegrepen is voor de specialisten van het hooggebergte, beïnvloeden ze natuurlijk wel die ene strijd waar het in Frankrijk om gaat.

Maar daarom is niet iedere zogenaamde 'klassementsrenner' sowieso een plaats waard. Wie de Tour volgt, weet dat er eigenlijk twee soorten Tour-renners zijn. Zij die zich willen meten met de allerbesten, mannen met sportieve ambitie, ook al beseffen ze soms dat zij niet uit het hout van Tour-winnaars gemaakt zijn. Het zijn de Cyrille Guimards van het peloton, de Jef Planckaerts, de Herrera's en Fuentes. Nog dichter bij de top zitten mannen als Herman Vanspringel en Hennie Kuiper. Die hadden wel kunnen winnen. Er zijn ook nog andere klassementsrenners: altijd erbij, maar altijd in het zog, in de slipstream, zelfs in de afdaling hoeden ze zich ervoor de kop te nemen, zich te forceren. Die renners hebben naam, zelfs enige faam, in de jaren dat ze actief zijn, maar worden daarna toch zo snel vergeten. Kent iemand nog Sven-Ake Nilsson, een bedrijvige Zweed die omstreeks 1980 een paar keer bij de beste tien in Parijs eindigde? Wellicht roept de naam van de man nog een 'ach ja'-gevoel op - er zijn niet zoveel renners die Sven-Ake heten - maar niemand die zich nog een demarrage van hem zal herinneren, een rit waarin Nilsson zich heeft onderscheiden, dat hij heeft gedurfd. Erbij zijn was voor hem voldoende, maar het volstaat niet voor deze lijst. Ook Raymond Martin en Robert Alban vielen daarom weg, net zoals een paar mannen die vroeger wel eens het podium haalden: Gilbert Bauvin, Franco Balmanion of José Perez Frances.

Twee: sport is niet alleen wiskunde. Eén bergrit weegt vaak op tegen vier sprintoverwinningen, en zeker tegen winst in een overgangsrit. Sport leeft immers ook bij wat vroeger 'panache' heette: de atletische prestatie die bewondering opwekt, vervoering, applaus. Vooral dat telt. Luis Ocaña heeft 'maar' één Tour gewonnen en verder nooit het erepodium gehaald, maar de branie waarmee hij Eddy Merckx uitdaagde, het feit dat hij die superkampioen een van de grootste nederlagen uit zijn loopbaan toebracht, strekt Ocaña blijvend tot eer. Wie strijdend sneuvelt, of wie niet alleen wint maar zijn tegenstanders verplettert, slaan we hoger aan dan de mannen van de minutieuze regelmaat. Dat zijn goede renners, consciëntieuze profs, daar niet van, maar voor een rangschikking 'aller tijden' mag het wat meer zijn. Uitblinken kan ook in één rit - er staan dus een paar rittenkapers in de lijst - en natuurlijk snellen een aantal sprinters naar voren in dit klassement. Niet allemaal, natuurlijk. Zo is er een aantal renners niet opgenomen, ook al wonnen ze meerdere ritten. Wie was Pol Verschuere ook weer? 'Polleke' noemden ze hem, een kleine en best wel snelle Belg. Polleke Verschuere won liefst drie ritten, en de allereerste keer zelfs met aankomst op de Champs-Elysées. Renners als Johan Museeuw, Steven Rooks of Johan Bruyneel hebben nooit drie Tour-ritten gewonnen, maar toch komen zij veel meer in aanmerking voor een plaats in deze rangschikking. Dat heeft met de uitstraling van de rit te maken, de figuur van de winnaar, de herinnering ook. Als de prestatie echt beklijft, wordt de renner niet snel vergeten.

Herinnering is ook de eerste en voornaamste reden om deze tophonderd van renners 'van honderd jaar Tour' te beperken tot de periode na de Tweede Wereldoorlog. Jan Wauters (° 1939) weet nog uit eigen herinnering van Robic of Impanis. Hij kent alle naoorlogse renners, maar die van voor de oorlog alleen maar van horen zeggen. Walter Pauli (° 1965) kan het best meespreken over Merckx, Vanspringel en Ocaña. Maar hoe kunnen we ons een eerlijk en persoonlijk oordeel vormen over Lucien Petit-Breton, of hoe de broers Pélissier, Ottavio Bottecchia en Nicolas Frantz juist inschatten en tegen elkaar afwegen? Kan die kennis anders zijn dan boekenwijsheid? Neen toch. Sylvère Maes is voor Jan Wauters een ploegleider en selectieheer, net zoals het beeld dat van Antonin Magne bleef hangen niet dat van de renner is op zijn fiets, wel van de zwijgzame Mercier-directeur met zijn grote pet en zijn wichelroede. Het is niet dat we de vaak fenomenale prestaties uit het zogenaamde 'heldentijdvak' niet naar waarde willen schatten. Het is vooral dat we dat niet kúnnen. En wat we gedaan hebben, beschouwen we zelf als een beredeneerde maar nog altijd erg persoonlijke rangschikking. U mag er zich aan ergeren, u kan het er ook mee eens zijn, of erover discussiëren. Dat blijven wij ook doen, als we Armstrong straks bezig zien. Is hij nu beter dan Hinault, of toch zo goed als Merckx?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden