Vrijdag 10/04/2020

Ton en Tinneke op de Expo

Het verzameld werk van architect Jacques Dupuis tentoongesteld in Le Grand Hornu

Een jaar geleden zette de Brusselse gewestregering het licht op groen voor de bescherming van villa Le Parador in Sint-Pieters-Woluwe, een ontwerp van de Belgische modernistische architect Jacques Dupuis (1914-'94). Ook een monografie over het gebouw zag het licht. De vergeten architect en zijn eigenzinnige oeuvre zijn duidelijk aan herwaardering toe. Een fraai retrospectief in de fabriekshallen van Le Grand Hornu, het pareltje van industriële archeologie dat langzaam maar zeker wordt omgebouwd tot een museum voor hedendaagse kunst, is de voorlopige kroon op het werk.

Architect Dupuis, "ce paresseux élégant" met de allures van een stuurse dandy, moet een bezige bij geweest zijn. In het uitbundig geïllustreerde boek dat naar aanleiding van de tentoonstelling verschijnt, hebben Jan Thomaes en Maurizio Cohen zijn werk opgetast in bijna vierhonderd bladzijden. Meer dan zestig jaar lang heeft deze gecultiveerde bouwmeester de ruimte vormgegeven: hij ontwierp huizen en villa's, kerken en kapelletjes, scholen en ziekenhuizen, tentoonstellingshallen en kunstenaarsateliers maar evengoed glasramen, café-interieurs en een hoop stoeltjes, verlichtingsarmaturen of deurklinken in een aparte, neobarokke vormgeving die vandaag erg gedateerd aandoet. Het vreedzame samenleven van strakke modernistische volumes (muren van witgeschilderde baksteen, zuilen, horizontale lijnen, natuurstenen vloeren) met deze eigenaardige figuratieve ornamenten is Dupuis' sterkste stijlkenmerk. Het lijkt wel alsof de geest van de ontwerper niet kon stilzitten, net als zijn potlood dat overal krabbels en droedels achterliet.

In Le Grand Hornu treffen we tussen de talloze grondplannen, maquettes en foto's ook de tekeningetjes aan die Dupuis op menukaarten, omslagen en notitieboekjes maakte: personages en fabeldieren die uit een bizar sprookje zijn ontsnapt, Ensor-achtige karikaturen en onbestemd surrealistische dromen. Hij schilderde ook lyrisch-abstracte doeken die wel eens aan de muren van zijn huizen opdoken. In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog kwam Dupuis zelfs een tijd aan de kost als tekenaar voor de kranten Le Soir en La Dernière Heure; hij illustreerde een nieuw verkeersreglement en werkte voor de 'haringcampagne' van het ministerie van Bevoorrading. De bevlogen architect van Le Parador en enkele spectaculaire tentoonstellingspaviljoenen van de Wereldtentoonstelling van 1958 kalligrafeerde met evenveel verve de affiches waarop vrolijke vissen ons vermanend toespreken: 'Verkwist geen haring', 'Bewaart haring - legt ons in in zout'.

Dupuis nam geen genoegen met het rustige maar wat steriele modernisme van de manifesten en de kritiekloze volgelingen van Le Corbusier. Het waren vooral architecten uit het noorden die hem inspireerden: Erik Gunnar Asplund, Alvar Aalto, Arne Jacobsen, Hans Scharoun. Van hen leerde hij dat de verbeelding zich eerder door de emotie dan door de rede moet laten meeslepen. Als je een raam tekent, moet je je inbeelden dat je geliefde erdoorheen kijkt, schreef Aalto. Dupuis kon zich er iets bij voorstellen. Uit al zijn ontwerpen spreekt een gevoeligheid voor de omgeving en voor de mensen die zich zullen voortbewegen in de ruimte die hij ontwerpt. De horizon van het landschap krijgt zijn burgerrechten terug; het huis zal laag zijn en de helling van het bouwterrein volgen, zich niet opdringen. Het beschikbare licht in dit regenlandje moet door witte muren teruggekaatst worden. Als het even kan, volgt het grondplan het traject van de zon en de blikken van de bewoners: vandaag zou Dupuis een ecologisch bewogen kunstenaar zijn. Met lichtjes mystieke kantjes, maar dat komt in de beste families voor.

De ornamenten die hij laat vervaardigen, hebben een eigen karakter. Wanneer we drie, vier huizen bestudeerd hebben, herkennen we ze zonder enige moeite als 'typisch Dupuis': de zonneschijf, de vogel, de slang, de boom, de bliksem, het gewei, de ster. Ook de villa's en de rijtjeshuizen die de architect tekent voor opdrachtgevers in de omgeving van Brussel, in Herent, Knokke, Mons of Féluy hebben duidelijke gemeenschappelijke kenmerken. We kennen deze esthetiek van het moderne leven uit films van Jacques Tati, vergeelde jaargangen van Schöner Wohnen of stripverhalen van lang geleden - zouden het Ton en Tinneke geweest kunnen zijn die op de Expo '58 verdwaalden? De talrijke kapellen, kerken en liturgische voorwerpen die Dupuis heeft ontworpen, volgen dan weer de tijdloos geworden on-stijl die ook vandaag nog af en toe in een kerk opduikt.

De fraai verzorgde tentoonstelling in het oude lampenatelier van Le Grand Hornu brengt een panoramisch overzicht van het werk dat Dupuis alleen of samen met bondgenoten als Roger Bastin en Albert Bontridder heeft afgeleverd. Tientallen al dan niet gerealiseerde of intussen weer gesloopte gebouwen worden uitgebreid in beeld gebracht door originele tekeningen, foto's, maquettes of elementen uit het interieur. We leren dat Dupuis moeilijk loskwam van zijn geboortestreek (het land van Mons) en vooral opdrachten in Brussel en Wallonië uitvoerde: individuele huizen maar ook grotere projecten zoals het sportcomplex van Quaregnon, vakantiewoningen, een kinderdagverblijf, een gehandicapteninstituut of de redactiezaal van Le Soir. Het Belgisch paviljoen voor de Feria van Bogota (1956) is van hem, en de hand van de meester is ook zichtbaar in enkele tentoonstellingshallen van de Expo '58 en de voorgevel van Paleis 5 op de Heizel. Projecten voor een nieuw stadhuis in Amsterdam (1960) of het Maison Internationale de la Musique in Parijs (1960) werden nooit uitgevoerd. Het is allemaal interessant en fris maar van een veel te optimistisch modernisme dat we vandaag niet meer (of: nog altijd niet opnieuw) kunnen pruimen. Toch kunnen we iets voelen van de gedrevenheid en de zorg waarmee Dupuis zijn ontwerpen omringde - tot de alcohol hem in het begin van de jaren zeventig de das omdeed.

De samenstellers van de tentoonstelling konden geen mooier in memoriam voor 'hun' architect bedenken dan de twee collages met foto's die Dupuis onder meer in Italië en Brussel maakte. Ze kregen een ereplaats bij de ingang. We zien gebouwen en mensen, een vrouw die om een straathoek verdwijnt, het tere licht van het zuiden. Dupuis was een gevoelig, elegant maar eigengereid en wat eenzaam kunstenaar die gevoelige, elegante maar eigengereide en wat eenzame kunstwerken heeft gemaakt. Vandaag kunnen we er in Le Grand Hornu doorheen wandelen. En de oude mijngebouwen zijn natuurlijk altijd een bezoek meer dan waard. Daarvoor hoeven we zelfs niet te wachten tot het MAC's (Musée des Arts Contemporains de la Communauté française de Belgique) in 2002 zijn deuren zal openen.

De tentoonstelling Jacques Dupuis, l'architecte loopt tot 14 mei in Le Grand Hornu, rue Sainte-Louise 82 in Hornu, vlak bij Mons en Quaregnon (tel. 065/38.23.95). Ze is elke dag behalve maandag geopend van 10 tot 18 uur. De toegangsprijs bedraagt 100 frank. Het rijk geïllustreerde boek van Maurizio Cohen en Jan Thomaes kost 990 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234