Maandag 14/10/2019

Toen wij de kolonel nog leuk vonden

Louis Vanvelthoven is 73, maar de voormalige socialistische politicus herinnert het zich alsof het gisteren was. “Het was 1980. Ik zetelde in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, was burgemeester van Lommel, en ineens kreeg ik een tip: dat er in Lommel een Libische delegatie was neergestreken, en dat die getraind werd in het gebruik van nieuwe mijnen die door PRB werden gefabriceerd.”

In de jaren zeventig en tachtig woedde de Koude Oorlog volop. Die verdeelde niet alleen Europa in twee, maar in West-Europa ook de publieke opinie. Er waren haviken en duiven: de eersten wilden militair zo sterk mogelijk staan tegenover de communistische vijand, de tweede groep hoopte dat juist door ontwapening de communisten vlugger bereid zouden zijn tot detente en democratisering.

En die haviken en duiven verdeelden zelfs de politieke partijen. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog werd de SP geleid door een meer pacifistische fractie. Dat kon niet in de tijd van de unitaire BSP/PSB, omdat de Luikse federatie voluit ‘haar trots’ steunde, en vooral de werkgelegenheid daarin: de Fabrique Nationale (FN) in Herstal.

De Vlaamse socialisten hadden die erfenis niet, en trokken steeds nadrukkelijker te keer tégen bewapening, en dus ook tegen de eigen wapenindustrie. Dat was de signatuur van de nieuwe voorzitter Karel Van Miert, en hij kreeg een getalenteerde en overtuigde groep ‘Van Miert-boys’ mee: Louis Tobback, Freddy Willockx, Luc Van den Bossche, Norbert De Batselier, en Louis Vanvelthoven.

Vooral die laatste specialiseerde zich in de wapenindustrie. Wat Agalev’er Paul Staes was voor de afval- en atoomsector - a pain in the ass - was hij voor de producenten van granaten, springstof en ander schiettuig. En het ging niet om jachtgeweren, maar om de verkoop van vliegtuigen aan het apartheidsregime in Rhodesië (nu Zimbabwe). De VN hadden daar een embargo tegen ingesteld, maar de ambtenarij die onder PS-minister van Buitenlandse Zaken Henri Simonet ressorteerde had even niet goed opgelet.

En die Louis Vanvelthoven krijgt te horen dat in zijn eigen gemeente een bijzonder discutabele operatie plaatsvindt. “Dat lag nogal delicaat”, herinnert Vanvelthoven zich, “De grote wapenfabriek van de Poudres Réunies de Belgique(PRB) lag vlakbij, in Balen. Onder de 300 werknemers bevonden zich ook veel inwoners van Lommel. Als we op huisbezoek gingen, kregen we de deur voor de neus dicht gesmeten.”

En toen kwam dus die fatale tip, afkomstig van een PRB-werknemer die wél moeite had met de ethiek van zijn werkgever: “Er gebeuren rare dingen.” Dat klinkt nog vaag, maar het vervolg was precies: op vrijdag 31 oktober, maandag 3 november en dinsdag 4 november 1980 zouden 5.500 kisten granaten en 4.000 kisten mijnen en wisselstukken per spoor naar Zeebrugge zijn verscheept, en van daar naar Tripoli. Niet minder dan vijftien Libiërs zouden naar België zijn afgereisd om ter plaatse getraind te worden in het gebruik van dat tuig. Een eerste training kregen ze eind oktober op de PRB-terreinen in Balen, een tweede reeks sessies vond in november in Lommel zelf plaats, langs de Molsekiezel. In het hotel Lommel Hof, waar ze ook logeerden.

1 MIJN PER VIERKANTE METER

Libië was toen nog niet de wereldwijd verachte schurkenstaat die het een paar jaar later zou worden. Maar Libië stond wel al bekend als een schuilhol voor terroristen. Kadhafi steunde en financierde ‘bevrijdingsbewegingen’ als het Polisario (Westelijke Sarah) en de Palestijnse PLO, en tegelijk ook Afrika’s meest brutale en genadeloze dictators.

Vanvelthoven: “De eigenares van het hotel liet me zonder veel argwaan binnen om een kijkje te nemen. Het was onvoorstelbaar wat ik in een vergaderzaaltje vond: massa’s documenten met erg detailleerde informatie, en specifieke handleidingen voor het werken met landmijnen. Wat rekenwerk leerde me trouwens dat PRB - als de informatie van mijn contactman klopte - voldoende mijnen had verkocht aan Kadhafi om elke vierkante meter van het Libische grondgebied van één mijn te voorzien.”

Op de paspoorten van de Libiërs, zo kwam Vanvelthoven te weten, stond ‘official’ en ‘bediende’. Ze zeiden dat ze eigenlijk ‘gastarbeiders’ waren. Ze probeerden zo ‘gewoon’ mogelijk te doen. Maar toen tijdens een voetbalwedstrijd van de Libiërs tegen een lokale ploeg ineens Johnny Harsch opdook, vielen er ineens klappen.

Wijlen Johnny Harsch (hij stierf in 2005) was een befaamd Limburgs persfotograaf met een neus voor nieuws, vooral voor sociaal en politiek nieuws. Hij zou in 1985 en 1987 de Martiniprijs winnen, en de Leicaprijs in 1987. Van zijn hand waren de beroemde, zelfs bloedstollende foto’s van rijkswachters die met scherp schieten op stakende mijnwerkers in Zwartberg in 1966, waarbij twee doden vielen. De tot dan zo vriendelijke Libische gastarbeiders zien dat ze gefotografeerd dreigen te worden. Ze grijpen Harsch vast, proberen hem zijn fototoestel te ontfutselen en pakken hem hardhandig aan: ze gooien met stenen, de man kreeg zelfs hamerslagen. Het had alles van een operatie van de Libische geheime dienst.

Vanvelthoven wist hoe explosief het dossier was. Een paar maanden tevoren was beroering ontstaan nadat uitgelekt was dat de Belgische regering de toelating had gegeven voor een belangrijke wapenverkoop van toen 6 miljard frank, of 150 miljoen euro. Daarover ging toen een uitgebreid ministerieel comité voor buitenlandse politiek. Omdat in de herfst van 1980 een tripartite het land regeerde, bestond de regering uit een indrukwekkende rij ministers: premier Wilfried Martens (CVP), Guy Spitaels (PS), Herman Vanderpoorten (PVV), Willy Claes (SP), José Desmarets (PSC), Jos Chabert (CVP), André Poswick (PRL), Charles-Ferdinand Nothomb (PSC), Herman De Croo (PVV), Gaston Geens (CVP), Robert Urbain (PS) en Mark Eyskens (CVP). Die uitvoervergunning was gedateerd op 1 februari 1980, maar werd niet wereldkundig gemaakt. Pas op 1 oktober 1980 werd het bestaan ervan onthuld door Het Laatste Nieuws.

Een paar weken later pakte Louis Vanvelthoven uit met gerichte vragen: of het contract tussen PRB en de Libische staat een clausule bevatte die de firma verplichtte zo’n training te geven? Of de Belgische staat van die clausule op de hoogte was? Of er geen voorbehoud was voor landen die ten eerste geen NAVO-lid waren, en ten tweede genoemd werden in verband met het internationale terrorisme. En wie waren de twee mysterieuze Belgen die optraden als ‘trainers’? Klopte het dat het om militairen ging? Speelde Landsverdediging onder één hoedje met een privébedrijf?

PRB reageerde verveeld. Critici, zei de bedrijfsleiding, spelen in deze met “duizenden tewerkstellingsplaatsen die rechtstreeks of onrechtstreeks afhangen van de wapenindustrie in België”. Volgens Olivier Ralet, auteur van het dossier Illegale wapenhandel (1982), was dit contract essentieel voor PRB: “Het was even groot als het jaarlijkse zakencijfer voor de tak defensie, en bedroeg zo’n 40 procent van de totale Belgische wapenexport, gemeten naar de geschatte 15 miljard in 1979.” Dat de Libiërs zoveel geld veil hadden voor die aankoop, komt ook doordat de PRB-mijnen in hun genre ‘state of the art’ waren. Ze waren van plastic, toen een absolute innovatie, en waren ontzettend moeilijk op te sporen met klassieke detectoren. Tot vandaag hebben ontmijners er een broertje dood aan. Het was het topproduct waarmee PRB zijn export kon lanceren.

De belangen waren immens, en daarom koos de PRB-directie er aanvankelijk voor om de aanwezigheid van Libiërs straal te ontkennen: “Als wij Libische agenten zouden opleiden, zou het toch belachelijk zijn dat op zo’n bekende plaats in Limburg te doen, alsof het om een seminarie voor kaderleden ging.”

Maar die verklaring moest ingetrokken worden toen Vanvelthoven vanop de tribune interpelleerde. In een officieel antwoord konden de ministers zich geen aantoonbare leugens permitteren. Ze gaven tegelijk een politiek zeer vergoelijkend en een feitelijk erg onthullend antwoord. Louis Vanvelthoven: “In politiek opzicht was er zogezegd niets meer aan te doen. In feite kwam hun repliek hier op neer: de contracten zijn getekend, en we dienen die te respecteren.”

MADE IN BELGIUM

Dat kwam ook doordat Willy Claes in het bewuste comité zat. Claes was socialist en de onbetwiste nummer één in Limburg. Ook hij was geen minnaar van de wapenindustrie, maar hij vond het ook niet de moeite waard om een regering te doen vallen over een ‘bagatel’ als een wapenlevering, ook niet voor één met een uitzonderlijke omvang. Vanvelthoven: “Maar hij liet ons wel toe fel te interpelleren. Ook als parlementsleden van de meerderheid kregen we ruimte om te zeggen wat we juist en rechtvaardig vonden. Dat is vandaag minder het geval, heb ik de indruk.”

Maar hoe innig de verstrengeling was tussen de privésector en de diensten van Defensie en Buitenlandse Zaken werd pijnlijk duidelijk. De Libiërs waren militairen van Kadhafi, een van hun trainers was een Belgisch militair, “voor die periode met onbetaald verlof”. En zeker, kwam een topambtenaar van Buitenlandse Zaken verklaren, “het is normaal dat voor zo’n wapenlevering technische uitleg nodig is voor de toekomstige gebruikers”.

Minister Nothomb voegde er in zijn parlementair antwoord aan toe dat de landmijnen en andere wapens “zuiver defensief waren en dus niet gebruikt konden worden bij terroristische aanslagen”. De ontzagwekkende hoeveelheden verklaarde hij “doordat Libië de nood voelde een veiligheidszone aan te leggen, een soort Maginotlinie aan de grenzen rondom het hele land”.

Het zijn die mijnen die in de voorbije weken teruggevonden werden: liefst twaalf van de 65 opslagplaatsen die Human Rights Watch doorzocht, waren volgestouwd met Belgische antitankmijnen van PRB. Ze waren dus niet verspreid aan de grenzen, maar netjes gestockeerd. Wat het beoogde gebruik dus was, in ieder geval níét wat de Libiërs aan de Belgische leveranciers hadden gemeld.

Niet overal werd de kritiek van Vanvelthoven gesmaakt. Zijn zoon Peter Vanvelthoven herinnert zich nog “politiebewaking bij ons thuis. Niet iedereen apprecieerde het feit dat mijn vader dat megacontract in gevaar bracht.” Louis Vanvelthoven: “Er kwam toen een kogel aan met een zwart lint. Ik heb dat nooit in de pers gebracht, want dat zou gekken alleen maar op ideeën brengen. In die tijd is mijn auto ooit in brand gestoken voor het parlement. Vermoedelijk was dat een streek vanuit de Zaïrese ambassade, maar echt geweten heb ik het niet. Net zoals ik niet weet of ik afgedreigd werd door de Libiërs, PRB zelf of een paar mensen in de streek die dreigden hun werk kwijt te raken.”

Ze zouden het trouwens verliezen. De Libische wapenexport was een van de grote dossiers die een paar jaar later leidden tot de oprichting van een parlementaire commissie wapenaankopen. Die bracht de wapensector in kaart en zorgde voor een merkelijk strengere wetgeving. Een wetgeving die uiteindelijk fataal werd voor PRB. PRB was een dochter van de toen almachtige Generale Maatschappij, die het economisch leven in België domineerde. Na de overname door Suez zou de Generale zich al in 1989 ontdoen van PRB, vooral wegens zijn ‘twijfelachtige reputatie’. PRB werd verkocht aan de Franse gigant Thomson Brandt Armement, maar zou al snel in vereffening gaan.

VERRIJKT URANIUM

PRB was niet het enige Generale-filiaal dat gouden zaak deed in Libië. In 1984 meldde The New York Times dat de regering-Reagan zwaar gechargeerd had tegen de Belgische regering. Dat was niet voor het eerst: datzelfde jaar was er onenigheid tussen de VS en België omdat het Belgische bedrijf Pégard een hypergeavanceerde freesmachine wilde verkopen aan de Sovjet-Unie. De Amerikanen stelden daar hun veto tegen omdat de machine onbetaalbare hulp zou zijn voor de Sovjets in hun spitstechnologische sectoren.

Nu bleek dat twee Belgische bedrijven, Belgonucléaire en Belgatom, een contract hadden gesloten met de Libiërs ter waarde van 1 miljard dollar om samen met de Sovjets twee kerncentrales te bouwen. Weerom zeiden de Amerikanen ‘neen’. Ze kennen blijkbaar de mercantiele geest van de Europese bondgenoten, want ze kregen ook de garantie van “andere Europese landen die over dezelfde knowhow beschikken dat ze het contract van de Belgen niet zullen overnemen”.

Zogezegd ging het om een civiele centrale. Jaren na de Koude Oorlog legde Elena Geleskul van The Russian Center for Policy Studies in een rapport uit hoe die Russisch-Libisch-Belgische samenwerking tot stand kwam en weer afsprong. De Belgische bedrijven zijn the usual suspects uit de sector: Belgonucléaire (nu nog altijd een dochter van Tractebel, dus Suez) en haar dochtermaatschappij Belgatom. Wat de Amerikanen ten zeerste verontrustte, is dat de Belgen bereid waren knowhow te leveren voor een nucleaire installatie die kon zorgen voor uraniumhexafluoride, de grondstof die mogelijk kan leiden tot verrijkt uranium ofwel ‘uraniumtetrafluoride’, of het befaamde ‘groene zout’ dat essentieel is bij tal van militaire nucleaire programma’s. Omdat Libië geen civiele installaties had aangegeven aan het Internationaal Atoomagentschap die de laatste grondstof nodig hadden, vreesden de Amerikanen oneigenlijk gebruik.

In vier jaar tijd waren de tijden danig veranderd: wat PRB wel nog mocht in 1980 kon in 1984 niet meer voor Belgonucléaire en Belgatom. De Belgen liepen een miljardencontract mis, kolonel Kadhafi zijn nucleaire knowhow. De Libische opstandelingen rouwen er niet om.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234