Dinsdag 11/05/2021

Eliteagent Lionel D. getuigtDeel 1

‘Toen klapte een instructeur in de handen. Smalltalk was gedaan. Ik kreeg een dreun in mijn gezicht en ging meteen onderuit’

Lionel D.: ‘De nacht voor een gevechts­training sliep ik niet van angst. Er werden knieën kapotgetrapt en neuzen en ribben gebroken.’
 Beeld Geert Van de Velde
Lionel D.: ‘De nacht voor een gevechts­training sliep ik niet van angst. Er werden knieën kapotgetrapt en neuzen en ribben gebroken.’Beeld Geert Van de Velde

Zijn kinderen vertelden op school dat hun vader sportleraar was, maar eigenlijk joeg hoofdinspecteur Lionel D. (45) vijftien jaar lang op gangsters bij de interventie-eenheid van de Speciale Eenheden (SIE). In het boek Terroristenjager vertelt hij voor het eerst over zijn werk bij dat kleine eliteteam van de federale politie. Drie weken op rij kunt u meetrillen met de spannende jacht op Abdeslam en de terroristen van IS die vijf jaar geleden bommen lieten ontploffen in Zaventem en Brussel. De eerste aflevering verhaalt de strenge selectieweek en de beenharde opleiding van tien maanden tot eliteagent — een soort Kamp Waes in Guantanamo Bay.

“Ik zat al uren geblinddoekt en gehurkt op een betonnen vloer. Ik voelde de spieren in mijn bovenbenen branden. Mijn lichaam was stijf en koud. Heel even dacht ik dat ze me vergeten waren, dat ik alleen in de garage achtergebleven was. Mijn voet sliep, en ik probeerde te trappelen. ‘Niet bewegen!’ schreeuwde de opzichter achter mij, en hij gaf me een schop. Hij stond er dus nog steeds. Om me te straffen, zette hij mijn gehoorbeschermer af. Onmiddellijk drong de loeiharde muziek in mijn oren. Eigenlijk was het geen muziek, maar een storend geruis, het geluid van drilboren en kettingzagen, en een streepje heavy metal. Het volume stond zo hoog dat het pijn deed aan de trommelvliezen. Langs de kieren van mijn blinddoek drongen witte lichtflitsen door van een flikkerende stroboscoop, zo’n ding dat ook in discotheken hangt. Het maakte een monotoon geluid: zzz – zzz – zzz. Af en toe sloeg iemand een hamer tegen een metalen plaat, dan donderde het alsof je in een zwaar onweer zat.

“Ik wist dat dit marteltechnieken van het Amerikaanse leger waren. De CIA gebruikte vaak luide muziek om gevangenen te folteren, onder meer in de Amerikaanse marinebasis van Guantanamo Bay op Cuba. Ze sloten Al Qaida- en talibangevangenen op in een kamer en lieten uren-, soms dagenlang Van Halen en Eminem door de boxen knallen. Ook de felle lichtflitsen waren bedoeld om je hersenen te ontregelen.

“Maar we zaten niet in Guantanamo Bay. We waren op een militair domein in Perk bij Zaventem. Ik nam deel aan een loodzware testweek voor kandidaten die bij het SIE wilden. Vijf dagen lang onderwierpen de monitoren ons aan allerlei fysieke en mentale proeven die ons non-stop, bijna 24 uur per dag, tot het uiterste dreven. Er waren elke dag loop- en krachtoefeningen, maar ook schiet- en klimproeven, een militair hindernissenparcours en groepsopdrachten, het betere padvinderswerk. Bovenal was het een week met weinig slaap en eten. Gingen we na een slopende dag om elf uur slapen, dan stonden de monitoren twee uur later al brullend aan ons bed. ‘Opstaan, luiaards! We gaan een wandeling doen in de natuur!’ Door je geen moment rust te gunnen, probeerden ze je fysiek en psychologisch te breken. Om te kijken hoe graag je bij het SIE wilde, en hoe ver je bereid was over je limieten te gaan.

“De avond dat ik geblinddoekt in de garage zat te wachten, was de voorlaatste nacht van onze testweek. Bijna de helft van de kandidaten had de voorbije dagen al afgehaakt. Ook mannen die pochten dat ze kampioen waren geworden in één of andere sport, gingen er tijdens een opdracht plots onderdoor, of huilden als een kind.

Ze hadden ons in een bus naar Perk gezet, waar we een parcours moesten afleggen van proeven waar durf en behendigheid voor nodig waren, in een uitgestrekt bos met bunkers. Maar voor je eraan begon, moest je wachten in de garage waar ik nu al uren zat met een blinddoek om, in dat vreselijke lawaai.

“Eén voor één kwamen ze ons halen. Je zag het niet, maar je kon de beweging rond je voelen, en de wind van de deur die openging. Terwijl we wachtten, moesten we ongemakkelijke poses aannemen, zogenaamde stressposities, nog zo’n modern marteltrucje van de CIA. Probeer maar eens urenlang in kleermakerszit te blijven, op één been te staan met je armen gespreid, of op je knieën te zitten met je bovenlichaam naar achteren leunend. Je mocht niet bewegen of je spieren even losgooien. Na een tijdje begon alles flink pijn te doen. Het was een foltermethode waar de CIA later erg veel kritiek voor zou krijgen. In de jaren na ons werd dit soort ‘selectieproeven’ afgeschaft wegens mensonterend.

“Toen het naar mijn aanvoelen stilaan ochtend werd, vroeg ik me af of ze me nog wel kwamen halen. Telkens als ik de deur voelde opengaan, kozen de monitoren iemand anders uit. Ik vermoedde wel waarom. Gisteren had één van hen me gevraagd hoe ik me voelde. ‘Ik ben moe, maar het gaat wel’, had ik gezegd. Nu vervloekte ik dat antwoord, want als je liet voelen dat je nog reserves had, deden ze er alles aan om die zo snel mogelijk uit te putten. Dus lieten ze me de hele nacht gaarkoken in die garage. Ik was de laatste die ze kwamen halen. Toen ik mijn blinddoek afdeed, kwam de zon al op.

“De opdracht in de eerste bunker was simpel: je moest binnengaan en achterin een munitiekistje ophalen. Het was er aardedonker en overal stootte je tegen obstakels waar de bunker mee was volgezet. Wat ze er niet bij verteld hadden, was dat de munitiekist bewaakt werd door een aanvalshond. Ik hoorde het dier grommen voor het me besprong. Bijten kon het beest niet, want het was gemuilkorfd, maar de klappen die hij me toediende met zijn muil kwamen loeihard aan.

'Gevoeligheid wordt gezien als een zwakte. Een lid van het SIE moet zijn emoties kunnen uitschakelen: je mag niet bang zijn om iemand te doden.' Beeld HARRY STOBALD
'Gevoeligheid wordt gezien als een zwakte. Een lid van het SIE moet zijn emoties kunnen uitschakelen: je mag niet bang zijn om iemand te doden.'Beeld HARRY STOBALD

“Daarna volgden een hindernissenparcours en allerlei klim- en springoefeningen. Het parcours eindigde met een rollenspel bij een kampvuur, waarrond zeven silhouetten geschaard zaten. Het waren de gevechtsmonitoren van onze eenheid, die gretig zaten te wachten op ons jonge bloed. Ze kwamen rond mij staan: ‘Wat kom je doen? Het is hier ons kamp!’ Ik stelde me voor als Boris de Rus, verkoper van tweedehandsauto’s in Brussel.

“Terwijl ze me aan een kruisverhoor onderwierpen, werd ik plots van achteren aangevallen en op de grond gegooid. Ze grepen elk een arm of een been vast en drukten mijn hoofd tegen het grind. ‘Je liegt dat je zwart ziet! Je bent een vuile flik, niet?’ Iemand legde een natte doek over mijn gezicht en goot er water over. Ik was compleet verrast. Ik hapte naar adem en begon te kokhalzen. Het water bleef maar komen en ik had het gevoel dat ik ging stikken. Ze stopten even: ‘Ga je toegeven? Je bent gewoon een rotagentje, hè? Geen Rus.’ Opnieuw goten ze minutenlang water over de verstikkende lap die zich op mijn gezicht had vastgezogen.

“Ik had nu echt het gevoel dat ik ging verdrinken. Waterboarding is een eeuwenoude, maar omstreden verhoortechniek. Ik wist dat de Special Forces van het Amerikaanse leger ze tijdens hun opleiding moesten ondergaan om kennis te maken met de barbarij die ze als oorlogsgevangene konden meemaken, maar hier had ik het niet verwacht. Ik probeerde niet te panikeren, dit was immers maar een oefening, ze zouden me niet laten creperen. Ze wilden alleen testen hoe ik reageerde als ik dacht dat ik ging sterven. Mijn aanvallers drukten mijn hoofd nog dieper in het grind, en ik voelde hoe de kiezels zich in mijn achterhoofd boorden en wondjes maakten. Toen ze de kletsnatte lap eindelijk van mijn gezicht haalden, zoog ik mijn longen vol lucht en voelde ik me enorm opgelucht.

“Later hoorde ik dat één van de deelnemers aan het kampvuur door het lint was gegaan. ‘Jullie zijn SS’ers, fascisten!’ schreeuwde hij. Ongetwijfeld speelde het eet- en slaaptekort mee, maar de geschokte kandidaat liet het er niet bij en diende een klacht in. Dat vonden de meeste andere deelnemers wat overdreven, maar nadien werd waterboarding toch van het programma geschrapt. Wij waren de laatste lichting die de praktijk nog zou meemaken.”

BEEST IN DE RING

“De laatste dag van de testweek was de meest gevreesde. We moesten eerst 16 kilometer lopen in het Zoniënwoud, dan keerden we terug naar de kazerne. Om de beurt riepen ze ons binnen in blok A, het grootste gebouw binnen de kazernemuren.

“Helemaal boven bevond zich een immense zolder met in het midden een boksring. Voor de rest was de ruimte leeg, ze galmde als een kerk. Het was een mythische plek waar alleen volwaardige leden van het SIE mochten komen. In dat walhalla moesten we het één voor één in de boksring opnemen tegen een gevechtsmonitor.

“Ze lieten ons eerst de trappen op en af lopen tot onze longen brandden. Op elke overloop moesten we opdrukken en met gewichten door de knieën gaan tot onze spieren verzuurden. Iedereen was aan het einde van zijn krachten. Mijn instructeur was een sadist die me in de buik schopte omdat hij me even zag verslappen bij het pompen. ‘Lionel, ga naar huis, je kunt het niet!’ Ik was echt op; ik had die week hooguit vijftien uur geslapen.

“Ik voegde me bij het uitgedunde groepje dat voor de deur van de zolder stond te wachten. Binnen hoorden we de mannen van het SIE joelen en schreeuwen, telkens als er klappen vielen. Voor hen waren deze bokswedstrijden – zeg maar aframmelingen – puur entertainment. Ik slikte toen ik mijn naam hoorde afroepen. De deur ging open, twee verplegers kwamen naar buiten met mijn voorganger tussen hen in. Zijn gezicht was gezwollen en zat onder het bloed, hij kon amper nog stappen. Achteraf hoorde ik dat het Joker was: die had nochtans een zwarte band in karate!

“‘Jouw beurt!’ Ik kreeg een duw in de rug en stond in de zaal. Het rook er muf en vochtig. Rond de boksring zag ik een stuk of twintig mannen in zwarte overall staan. Ze keken me aan als hyena’s. Mijn ‘coach’ bond me scheenbeschermers om, trok me bokshandschoenen aan en stak een bit in mijn mond. Ik voelde me kleiner dan een microbe. De gevechtsmonitor tegen wie ik het moest opnemen zag eruit als een beest: hij had geen nek, alleen een stalen borstkas met een hoekig hoofd erbovenop.

“Ik moest het drie minuten uithouden in de ring. Je moest vooral laten zien dat je geen watje was. Het gevecht verloor je sowieso. Ding-ding! ‘Vooruit’, riep de coach. Ik zette een stap naar voren en zag alleen het silhouet van het beest. Mijn gezicht was wazig, want ik was te ver in het rood gegaan tijdens de opwarming. De eerste dertig seconden liet hij me komen, om te zien of ik nog kracht in mijn armen had. Ik kon hem zelfs een paar keer raken.

“Toen klapte een instructeur in de handen: het teken dat de smalltalk voorbij was. Baf! Ik kreeg een dreun in mijn gezicht en ging meteen onderuit. De coach kwam toegesneld en trok me recht: ‘Verman je!’ Het beest bewerkte me twee minuten lang alsof ik het drumstel van een heavymetalband was. Ik ging een paar keer knock-out, onder luid boegeroep van de zwarte overalls. Achteraf hoorde ik dat sommige deelnemers door een uppercut van het beest letterlijk uit de ring waren gevlogen. Maar toen de bel ging, stond ik nog steeds overeind en binnen de touwen. Ik had het gevoel dat er een bulldozer over me heen was gereden.

“In de bokswedstrijd moest je je dapperheid tonen. Je moest laten zien dat je niet wegliep als het heet werd. Het was niet voor niets dat ze ons voor de deur lieten wachten, zodat we de rake klappen op onze voorgangers konden horen. Blijven zitten om hetzelfde lot te ondergaan was deel van de opdracht. Later zouden we in onze job nog vaak in situaties terechtkomen waarin weglopen aantrekkelijker leek dan blijven staan en vechten. Maar we wisten van elkaar dat we allemaal in de ring hadden gestaan op de zolder van blok A, en dat maakte dat we elkaar konden vertrouwen. Niemand van ons zou er stiekem vanonder muizen als het gevaarlijk werd.

“In september 2002 kreeg ik bericht dat ik de selectie goed had doorstaan. We waren met 80 kandidaten aan de testweek begonnen, maar de helft was onderweg afgevallen. Van de 40 overblijvende kandidaten waren er 23 uitgekozen om aan de stage te beginnen. Ik was erbij. De opleiding zou tien maanden duren.”

'Terroristenjager': de strenge selectieweek en de beenharde opleiding van tien maanden tot eliteagent — een soort ‘Kamp Waes’ in Guantanamo Bay. Beeld Humo
'Terroristenjager': de strenge selectieweek en de beenharde opleiding van tien maanden tot eliteagent — een soort ‘Kamp Waes’ in Guantanamo Bay.Beeld Humo

COWBOYS

De lokalen van het SIE bevinden zich in blok H van de voormalige rijkswachtkazerne in Etterbeek. In de inkomhal staat vandaag nog steeds een standbeeld van ‘de Diane’, de Romeinse godin van de jacht Diana. Ze was het symbool van de Groep Diane, de antibanditisme-eenheid die in de jaren 70 binnen de rijkswacht werd opgericht na het gijzelingsdrama in 1972 op de Olympische Spelen in München, waar terroristen een bloedbad aanrichtten. In verschillende Europese landen werden toen antiterreureenheden opgericht.

De Groep Diane moest terroristen in België bestrijden, maar was in de praktijk een knokploeg om het uitschot van Brussel op te ruimen. Omdat er weinig controle was, trok ze dubieuze figuren met extremistische ideeën aan. Er zaten cowboys bij die met hun riotguns op verkeersborden langs de weg schoten, en vechtjassen die tijdens caféruzies naar eigen goeddunken mensen in elkaar sloegen. Na de overvallen van de Bende van Nijvel in de jaren 80 viel de verdenking op bepaalde (ex-)leden van de rijkswacht en van de Groep Diane. De militaire precisie waarmee de overvallen werden gepleegd, de gebruikte tactiek en gevechtsmethodes: ze leken de handtekening te dragen van de elitegroep.

In 1977 werd binnen de rijkswacht het Speciaal Interventie Eskadron (SIE) opgericht, dat structuur en discipline moest brengen in de baldadigheid van de Diane-groep. De selectie van de rekruten werd strenger en de opleiding professioneler. De volgende generaties werden niet graag herinnerd aan het grimmige verleden van de dienst en hadden er afstand van genomen.

Toen Lionel er in 2002 zijn neus aan het venster stak, bestond de eenheid uit minder dan vijftig mannen – vandaag zijn ze met 55. Alleen wie de volledige opleiding had doorlopen, mocht de legendarische zwarte salopette van de elite-eenheid dragen. Het was een elitaire club. In de kantine, waar ’s middags vijfhonderd politiemensen kwamen eten, hadden de zwarte salopetten een eigen tafel, waar niemand anders durfde aan te schuiven. Als de mannen van het SIE binnenkwamen, gingen de mensen vol ontzag opzij. Vandaag is de officiële benaming Directie Speciale Eenheden (DSU), maar de mannen zelf bleven zich ‘het SIE’ noemen.

‘Het doel van de opleiding was ons fysiek en mentaal breken. Het waren niet per se de sterkste of meest getrainde atleten die het haalden.’ Beeld RV
‘Het doel van de opleiding was ons fysiek en mentaal breken. Het waren niet per se de sterkste of meest getrainde atleten die het haalden.’Beeld RV

LEVEND BEGRAVEN

“Toen we op de eerste dag van onze opleiding in de kazerne verschenen, dacht ik dat het ergste voorbij was. Een paar jongens die het voor de tweede keer probeerden, haalden me uit mijn droom. ‘Het wordt tien keer erger dan hellweek, en dat een jaar lang.’

“Er waren kandidaten die hier jaren voor getraind hadden, maar ik kwam aan als een toerist. De meeste deelnemers waren rijkswachters, terwijl ik bij de gemeentepolitie was begonnen. Hoewel het SIE voortaan een elite-eenheid van de eengemaakte politie zou zijn, zat de rijkswachtmentaliteit er nog ingebakken. Met ijzeren discipline en blaffende instructeurs die altijd gelijk hadden, ook al hadden ze ongelijk. Voor de vrolijke student die ik amper een paar jaar geleden was, was dat nog de grootste schok.

“Gelukkig leerde ik Charly kennen, net als ik een nonchalanter type, met een afkeer van brulapen en praatjesmakers. Terwijl de anderen gefocust toeleefden naar de volgende oefening, leken wij wel twee spelende hondjes. De eerste weken dacht niemand in de groep dat wij het zouden halen. Het was belangrijk om een buddy te hebben in die harde dagen.

“Ik ondervond snel dat je bereid moest zijn je hele leven in het teken van de opleiding te stellen. Onze testweek was er inderdaad niets bij. Elke woensdagochtend was er een natuurloop – parcours naturel – door het Zoniënwoud: een tocht van vijf afmattende uren. Eén van de instructeurs was Lerre, een kleine maar potige kerel wiens bijnaam het streekdialect was voor ‘rotzak’. Hij maakte van de bosloop een martelgang – wij noemden het parcours surnaturel. ‘Oké folks’, klapte hij ’s ochtends opgewekt in de handen. ‘Vandaag scheiden we de mannen van de meisjes.’

“Lerre liep voorop over de bospaden en hield om de haverklap halt om ons oefeningen te laten doen. ‘Stop! Twintig keer pompen. Liggen, rechtspringen. Neem allemaal een boomstam, leg hem in je nek. Twintig squats. Leg de boomstam op je schouder, en volg mij in lichte looppas.’ Simpele oefeningen die de sterkste atleten uiteindelijk doodvermoeid kunnen maken. In alles wat we onderweg tegenkwamen, vond hij inspiratie. ‘Hola, een modderpoel? Iedereen erin! Twintig keer pompen.’ Wat verderop ontdekte hij een bos brandnetels. ‘Tof! Twintig sit-ups in het groen! Kan dat niet sneller, strandjanetten? Twintig sit-ups erbij!’

“Het was de bedoeling om ons fysiek en mentaal te breken, en te kijken hoe we daarop reageerden. Het waren niet de sterkste of meest getrainde atleten die het haalden. Er waren jongens bij die in het gewone leven met gemak een triatlon konden afwerken, maar die afknapten op de psychologische druk en de onvoorspelbaarheid van de oefeningen. Urenlang strompelden we verder, uitgeput en onder het slijk, met Lerre in ons kielzog, roepend als in een Amerikaanse legerfilm: ‘Denk je dat het hier Club Med is? Pannenkoeken!’

“Psychologen van het SIE bestudeerden ons gedrag. Ze zochten pitbulls, die zich vastbeten. Zonder durf en stressbestendigheid was je niets. Discretie was ook belangrijk. In de buitenwereld moest je zwijgen over je job. Wie te extravert was, kreeg een rode stip naast zijn naam – een negatief advies. Het SIE was bovendien niet voor tere zieltjes. Gevoeligheid werd beschouwd als een zwakte. Je moest collegiaal zijn, maar ook niet te veel. Een rugzak overnemen van je buurman omdat die niet meer kon, bijvoorbeeld, was not done. Een lid van het SIE moest zijn emoties kunnen uitschakelen tijdens de missie. Als je oog in oog stond met een gevaarlijke misdadiger mocht je niet bang zijn om hem pijn te doen en, als het nodig was, te doden.

“Als het team je betrapte op een moment van zwakte, kreeg je dat voor altijd nagedragen. Eén keer kreeg ik het echt moeilijk, toen we door een betonnen rioolpijp moesten kruipen. Ze liep onder een verharde weg en was tien meter lang, met een diameter van nauwelijks een halve meter. Ik legde me op mijn rug en duwde me voort met mijn voeten tegen de wand, centimeter voor centimeter. Het was aardedonker en ik rook het slijk dat zich in mijn kleren zoog. Mijn lichaam vulde bijna de volledige pijp, terwijl ik niet eens zo breed was. Het akeligste was dat je geen licht aan het einde van de tunnel zag. Alsof je levend begraven was. Ik was gigantisch opgelucht toen mijn hoofd weer daglicht ving. Maar toen iedereen er door was, begon het pas. ‘Splits de groep nu in twee en ga aan weerskanten van de buis staan’, zei de instructeur. ‘Telkens moeten er twee van jullie uit de tegenovergestelde richting door de pijp. Zie maar hoe jullie elkaar kruisen.’

“Als ik ooit klamme handen had, dan was het toen ik in het midden van die smalle tunnel lag, met mijn neus tegen het beton geperst, terwijl een spierbundel van 90 kilo zich over mijn platgedrukte lichaam heen wroette. Millimeter voor millimeter. Dit was een kampioenschap in kalm blijven. Als ik panikeerde, zou het mislopen. Ik concentreerde me op de gedachte dat anderen voor mij hetzelfde hadden gedaan. Het was dus mogelijk. En de hele groep moest erdoorheen. We doorstonden al wekenlang allerlei onmogelijke proeven. Ik bleef zo rustig mogelijk ademhalen en probeerde mijn angsten te rationaliseren. Als de anderen het konden, moest ik het ook kunnen. Falen was geen optie.

“Ik was niet de enige die de proef in de rioolbuis een nachtmerrie vond, maar we hielden ons sterk voor elkaar, zeker in deze afvalrace. Iedereen keek naar iedereen. We waren begonnen met 23, maar we wisten dat maar een derde van ons het zou halen.”

null Beeld Humo
Beeld Humo

GEBROKEN NEUZEN

“De enige activiteit die ons nog meer deed sidderen was de gevechtstraining. De instructeurs waren beenharde vechtmachines. Er werden knieën kapotgetrapt en neuzen en ribben gebroken. De nacht voor een gevechtstraining sliep ik niet, van angst.

“Elke dinsdag en vrijdag stonden we om 7.00 uur in de ochtendkilte op het binnenplein van de kazerne te wachten tot de les begon. Met knikkende knieën keken we uit naar de blauwe Volvo van Tanto, één van de gevechtsinstructeurs. Hij had iets weg van een gorilla, maar dan in een thaiboksshortje en een zwart T-shirt met een doodskop erop. Hij droeg een groene baret met het opschrift ‘PAIN’, maar niemand durfde hem daarmee uit te lachen. Hij liet ons namelijk elke letter van dat woord voelen tijdens de les.

“Die begon met twee uur opwarming. Honderden keren opdrukken, rondjes lopen en elkaar dragen, squatten tot je beenspieren er bijna van scheurden. We moesten een 20 kilo zware Zweedse bank met z’n drieën boven onze hoofden dragen en rondjes lopen. Soms tien minuten lang, tot we onze armen niet meer voelden en sommigen hun tranen van de pijn verbeten. Als we helemaal uitgeput waren, zei hij: ‘Trek nu je kimono aan. We gaan vechten.’

“De trainers leerden ons boksen, judo, karate en zelfverdedigingstechnieken. Maar we leerden vooral klappen te incasseren en voor ons leven te vechten. We zouden het moeten opnemen tegen de gemeenste vechtersbazen, die ons zouden proberen te wurgen. Daartegen moesten we ons leren verdedigen. Dat deden de trainers dus door ons zo vaak mogelijk te wurgen: ze grepen je bij de keel en sneden de bloedtoevoer in onze halsslagaders af tot we flauwvielen. Een bloedwurging heet dat. Als je niet weet wat je overkomt, is het doodeng: je hapt naar adem, het lukt je niet om te spartelen of te slaan, je voelt je ijl in het hoofd... en je valt weg. We werden soms tien keer in één les bewusteloos gewurgd.

“In de judozaal hadden ze de klok weggenomen, zodat je nooit precies wist hoelang de les nog zou duren. Je was helemaal overgeleverd aan de gevechtsmonitoren. Ik zag jongens die het in hun broek deden van de stress – wat extra ongelukkig was in een witte kimono. We gingen soms zo diep dat we moesten overgeven.

“Iedereen had achteraf pijnlijke of gebroken ribben en grote kneuzingen die eerst blauw, dan paars en geel werden. Met een beetje pech had je twee blauwe ogen, zodat je er als een wasbeer uitzag. En we klaagden allemaal over hoofdpijn, een gevolg van de wekelijkse kleine hersenschuddingen, en over brandende huidwonden van de schurende kimono’s.

“De hoofdinstructeur was judokampioen Sensei – Japans voor ‘leraar’. Hij was de sparringpartner van die bekende judoka, Harry Van Barneveld, en één van de sterkste mensen die ik kende. Op de tatami kende Sensei geen genade. Eén keer, toen hij boven op me zat en me letterlijk verpletterde, probeerde ik af te kloppen om aan te geven dat ik niet meer kon. ‘Op straat kun je niet afkloppen’, siste hij, en hij drukte me nog wat steviger tegen de grond.

“Charly en ik moesten ons naar die gevechtssport slepen. ‘Ik weet niet of ik vandaag de avond haal’, zei ik op de ergste ochtenden tegen Charly, die me perfect begreep. Het was niet zozeer de angst voor de fysieke pijn van een gescheurde lip of een gebroken rib. Het was de angst voor het gevoel van totale uitputting, wanneer je werkelijk al je krachten hebt gegeven en je niets meer bent dan een uitgewrongen oude sok. Angst ook, dat je zelf de handdoek in de ring zou gooien.

“Het belangrijkste van zo’n dag was dan om de avond te halen. Eén oefening tegelijk. Als je struikelde, stond je weer op. Als je een dip had, haalde je diep adem en focuste je op het einde van de opdracht. Stapje voor stapje. Dat was mijn manier om de faalangst onder controle te houden.

“Elke maand vielen er kandidaten af. Elke keer dacht ik: ‘De volgende ben ik.’ Nooit kregen we een compliment. Dat was misschien nog het moeilijkste. Uit de lichaamshouding van de instructeurs sprak maar één boodschap: t’es qu’une merde – je bent een waardeloos stuk vreten. Het maakte deel uit van een psychologisch spel, en ik was slim genoeg om niet te tonen hoe hard die negatieve kritiek me raakte. Maar op de duur verlies je het geloof in jezelf. Dan was de verleiding groot om ze allemaal de boom in te wensen en te vertrekken.

“We werden ook tegen elkaar uitgespeeld. In gevechten mocht de sterkste zijn zwakkere tegenstander niet sparen. Als hij dat wel deed, zetten de psychologen een rode stip naast zijn naam. Vechtmachines konden zich geen teerhartigheid permitteren.

“Je kon eruit vliegen tot de allerlaatste dag. Het maakte dat de druk hoog bleef. We leerden allerlei vaardigheden die we tijdens politieoperaties nodig zouden hebben. Nooit was het gewoon of gemakkelijk. Als we leerden schieten, was dat niet zoals gewone politieagenten: zij sluiten één oog om beter te kunnen mikken, wij moesten onze twee ogen openhouden om zicht te houden op de omgeving. Je moest ook even precies kunnen schieten met je zwakke hand als met je sterke hand, voor het geval je gewond raakte.”

DE LAATSTE TEST

“Net voor het einde van de opleiding werden we opnieuw zwaar op de proef gesteld, met een slopende week waarin we alleen maar gevechtstraining kregen. Ze werd afgesloten met de ultieme test voor je zenuwen: de bijna-verdrinking.

“Die morgen vertrokken we om 6.00 uur. We liepen 16 kilometer naar Peutie, waar we de hele ochtend oefeningen deden in het zwembad van de militaire kazerne. Charly was de beste van allemaal. Hij kon 4 minuten en 19 seconden onder water blijven. Dat was de beste tijd van het peloton, alle duikers waren jaloers op hem.

“De echte test was individueel en kwam als laatste. Iedereen moest in de kleedkamer gaan zitten en zijn beurt afwachten. Commissaris Pette kwam ons één voor één halen. Je zag niet wat er gebeurde, maar je hoorde het wel: het borrelen van luchtbellen, het gespartel van een gevecht in het water, het geluid van iemand die aan de oppervlakte komt, naar adem hapt en weer onder water getrokken wordt. De laatste ademteugen van iemand die verdrinkt. Af en toe hoorden we dat iemand uit het bad werd gehaald en zuurstof toegediend kreeg, want ze lieten je natuurlijk niet echt sterven.

“Toen het mijn beurt was, stopte Pette me een duikmasker in de handen, afgeplakt met zwarte tape. Het deed dienst als een soort onderwaterblinddoek. ‘Als je je duikmasker afzet, eindigt het hier voor jou’, zei hij. Hij leidde me naar de rand van het zwembad. ‘Het enige wat je moet doen, is aan de overkant raken. Spring maar’, zei hij. Ik kon de drie gevechtsduikers die me in het water opwachtten niet zien, maar met elk van hen leverde ik een gevecht op leven en dood. Het waren drie gemene poortwachters die er alles aan deden om de oversteek te verhinderen. Ze trokken me kopje-onder, hielden me in een greep, probeerden me te wurgen. Ik worstelde voor mijn leven, in het ongewisse, zonder mijn tegenstander te zien. Drie keer na elkaar. Toen ik eindelijk de overkant haalde, was ik gekraakt. Ik kon er niets meer bij hebben.

“Toen we allemaal aan de beurt waren geweest, werden we naar de kleedkamer gestuurd. ‘Ga nu naar buiten, en loop maar terug naar de kazerne.’ Op dat moment brak ik. Ik ging op het bankje zitten met mijn hoofd in mijn handen. ‘Ik geef het op’, zei ik. Charly kwam naast me zitten en sprak me moed in. ‘Nog even doorbijten. We zijn nu al zo ver gekomen, we zitten vlak bij de finish.’ Maar dat was precies wat me dwarszat. We hádden al tien maanden lang de meest extreme testen doorstaan. Die laatste 16 kilometer teruglopen naar de kazerne, na die slopende week, was er te veel aan. Wat hadden we nog te bewijzen? ‘Voor mij hoeft het niet meer. Gaan jullie maar, ik heb gegeven wat ik had.’ Charly bleef op me inpraten. En toen de groep vertrok, ging ik uiteindelijk toch maar mee. Ik wilde niet achterblijven als loser. We volgden elkaar in lichte looppas. Na twee kilometer stond, om een hoek, een bus van de politie ons met draaiende motor op te wachten. De laatste veertien kilometer werden we naar de kazerne gereden. Op de bus durfde ik er niet aan te denken hoe erg ik mezelf zou vervloeken als ik aan het zwembad had opgegeven. Ze hielden je tot op het allerlaatste ogenblik voor de gek.”

Lionel D. & Annemie Bulté, ‘Terroristenjager’, Lannoo. Beeld RV
Lionel D. & Annemie Bulté, ‘Terroristenjager’, Lannoo.Beeld RV

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234