Vrijdag 04/12/2020

Preventie kindermisbruik

Toen je nog met papa in bad kon

Vader en dochter nemen een bad (1977). In die tijd nam niemand aanstoot aan zo’n beeld.Beeld ©Richard Kalvar / Magnum Photos

Van pleidooien voor de emancipatie van de pedofiel in de jaren 1970 tot een hysterisch discours dat sinds de zaak-Dutroux gevoerd wordt: hoe we als samenleving omgaan met pedofilie, kent een bewogen geschiedenis. Wordt het niet stilaan tijd voor reflectie?

Als een zaak van kindermisbruik aan het licht komt, lees je in de media ‘Nieuw pedofilieschandaal’. In de krochten van het internet wordt dat: ‘De kogel! Castreren die gore pedofiel!’ Geen misdadiger wekt zo’n hevige volkswoede op als de kindermisbruiker. Dat is begrijpelijk, maar tegelijk is er sprake van een gevaarlijke begripsverwarring. Want pedofiel en kindermisbruiker zijn niet per definitie synoniem. Een pedofiel is iemand die erotische gevoelens voor kinderen heeft. Een kindermisbruiker vergrijpt zich aan een kind.

Veel mannen zijn er bovendien beducht voor geworden om als pedofiel gepercipieerd te worden. Ze durven niet meer vrijuit met kinderen te spelen: wat moet die man met dat kind? Bang om zich verdacht te maken, hebben veel vaders het er zelfs moeilijk mee om met hun eigen kinderen in bad te gaan.

Die felle reacties heeft het begrip pedofiel niet altijd opgeroepen. Het woord heeft een geschiedenis. Hoe bekend een woord is, en hoe het gebruikt werd en wordt, kan ons veel leren over hoe de maatschappij met een fenomeen omgaat.

Oude Griekenland

Noëmi Willemen doet aan de UCL historisch onderzoek naar seksuele deviantie. “Je ziet het woord pedofilie aan het einde van de 19de eeuw voor het eerst opduiken, in boeken van de grondleggers van de seksuologie.”

De Duitse psychiater Richard von Krafft-Ebing gebruikte de term voor het eerst in zijn magnum opus Psychopathia sexualis (1886) – hij noemde het “een zeldzame preferentie”. Hij en zijn collega’s hanteerden het begrip vaak in één adem met de andere ‘seksuele afwijkingen’ die ze bestudeerden: sadisme, masochisme, homoseksualiteit, voyeurisme et cetera. Sommige van die afwijkingen wekten ook de interesse van criminologen en forensische artsen. Maar de pedofiel bleef onder de radar, er was geen bijzondere interesse voor.

“Seks met kinderen was lang een crimineel feit, een zonde, moreel laakbaar gedrag. Maar het werd niet gelinkt aan een bijzondere pathologie of seksuele oriëntatie.”

Het woord pedofiel bestond dus wel, maar was niet algemeen bekend. Willemen: “In de jaren 1950 scheidde een kleine factie zich af van de toen nog prille Nederlandse homobeweging. Zij wilden pedofilie als een seksuele geaardheid, zoals homoseksualiteit, op de kaart zetten. Zij begonnen te schrijven over de bijzonderheden van pedofilie (in hun geval: de liefde voor jongens) en de lange geschiedenis van pedofiel gedrag. Ze verwezen graag naar het oude Griekenland, waar seksuele handelingen met een volwassen man deel van de opvoeding geweest zouden zijn.”

‘Kinderlokker, neem mij mee’

In de jaren 70, in de slipstream van de seksuele revolutie, traden nog meer pedofielen in de openbaarheid. “Nederland gaf de toon aan: daar kreeg een relatief kleine maar erg vocale groep activisten openlijke steun van mediafiguren, politici, academici en topmensen in het politiewezen.”

Bij de VPRO werd in primetime een uur televisie gemaakt over waarom pedofilie moest kunnen. Ook Vlaamse pedofielen roerden zich, in de schoot van de homobeweging. Op de Gentse Feesten werden grappig bedoelde badges uitgedeeld: 'Kinderlokker, neem mij mee'.

Willemen: “Ook bij ons werd het emancipatiedebat gevoerd. In de academische wereld onderzochten de Gentse moraalfilosoof Bob Carlier en de Leuvense criminoloog Steven de Batselier met hun studenten argumenten voor decriminalisering en het opheffen van seksuele leeftijdsgrenzen. Er waren ook enkele actiegroepen actief die zich aan het Nederlandse voorbeeld spiegelden: ze boden morele steun aan pedofielen, schreven informatiefolders en werkten aan sensibiliseringsacties.”

In Nederland kreeg de musical Snoepjes overheidssubsidies. De voorstelling vertelde het verhaal van een troepje goedbedoelende kinderlokkers die door de samenleving werden uitgestoten en het bos in moesten vluchten. De cast bestond grotendeels uit kinderen die vrolijke liedjes zongen over die arme verschoppelingen van pedofielen.

“Maar toen een Gentse actiegroep in 1979 de musical naar België wilde halen, kwam hier wél protest. De affaire haalde de krant en de voorstelling ging niet door.”

Willemen benadrukt dat maar een zeer kleine minderheid pleitte voor de decriminalisering van pedofiele daden. “Een samenlevingsbreed debat werd het in Vlaanderen nooit. Voor de meeste burgers was het helemaal geen gespreksonderwerp.”

Etienne Vermeersch

Een groot deel van Vlaanderen was bovendien nog erg katholiek, en de kerk verzweeg angstvallig dat er zoiets als pedofilie bestond. In De luxuria et castitate, een handboek voor de clerus over seksueel gedrag, uit 1961, worden alle mogelijke zondige seksuele ‘afwijkingen’ in detail beschreven, behalve pedofilie.

Willemen: “Maar er werd dus in beperkte kring wel over nagedacht en geschreven. Tot begin jaren 90 – maar vooral vóór de jaren 70 – zijn er schriftelijke bronnen van thesissen en studiedagen waarin de kwestie van de ontvoogding van de pedofiel bediscussieerd wordt.”

In de Winkler Prins Encyclopedie, die ook in menige Vlaamse vitrinekast belandde, kon je onder het lemma ‘pedofilie’ lezen dat pedofilie alleen maar deviant was omdat de sociale omgeving het onwenselijk achtte – het was slechts een kwestie van tijd voor die maatschappelijke achterstelling tot het verleden zou behoren.

Ook Etienne Vermeersch publiceerde er in deze krant over, in 1979. Hij schreef: “Ik ben tot de overtuiging gekomen dat het beleven van seksualiteit, wanneer dit gebeurt op vrijwillige basis, door personen die zelfstandig kunnen beslissen, geen morele afkeuring verdient wanneer daardoor niemand wordt geschaad.” Maar hij stelde zich ook vragen: “Is het wel mogelijk dat een minderjarige op authentieke wijze zijn toestemming tot seksuele handelingen kan geven? In welke mate is er, zelfs bij toestemming van de minderjarige, latere schade?” Zelf schreef hij er enkele jaren geleden over dat we “mede dankzij professor Adriaenssens (kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens, red.) veel meer weten dan vroeger. In die zin zou ik nu enkele passussen herschrijven”.

Maar tot op de dag van vandaag wordt Vermeersch streng aangepakt over die tekst, die voor de kringen waar hij in 1979 in verkeerde, nog genuanceerd aandoet. Dat zegt veel over het mijnenveld dat het debat over pedofilie ondertussen geworden is.

Bourgeois-ouders

Hoe komt het dat er in intellectuele en activistische kringen een korte periode van relatieve welwillendheid was? Willemen: “De emancipatiebeweging rond pedofilie kwam pas echt goed op gang toen de zogenoemde seksuele revolutie al een beetje over haar hoogtepunt heen was. De pedofielen voelden zich gesteund door de homobeweging – ze roken hun kans op een plaatsje onder de zon.

“Ze kregen hierbij principiële steun van voorvechters van de seksuele bevrijding. Seksuele aantrekking tot kinderen, vonden zij, moest genormaliseerd worden. Daarvoor werden historische argumenten aangehaald, voorbeelden uit het dierenrijk, en cijfers van de beroemde Amerikaanse seksuoloog Alfred Kinsey over seksualiteit tijdens de kinderjaren. De pedofiel werd voorgesteld als een liefdevolle volwassene met een speciaal talent om kinderen te begrijpen, én als een slachtoffer van de maatschappij dat gebukt ging onder continue angst voor uitsluiting en opsluiting.”

De pedofielenbeweging speelde ook handig in op het generatieconflict van die tijd. “Kinderen en jongeren moesten zich kunnen bevrijden van het patriarchaat en hun verstikkende, bemoeizieke bourgeois-ouders die hen als bezit beschouwden. Kinderen hadden, vonden ze, recht op fundamentele zelfbeschikking. Ze waren bovendien seksuele wezens, die recht hadden op seksuele voorlichting en plezier, met elkaar en met volwassenen.”

Doofpotmechanismen

Lieve volwassenen die kinderen helpen om zichzelf te leren ontplooien? Wat dan met de realiteit van misbruik? Willemen: “In die activistische teksten werden misbruik, geweld en dwang steeds als hoogst uitzonderlijk beschouwd. Die teksten veegden elk verschil of machtsonevenwicht tussen kinderen en volwassenen gewoon van de baan, ook op het gebied van seks.

“In de utopie die de pedofielen en hun verdedigers schetsten, hadden kinderen dezelfde seksuele behoeften als volwassenen. Ze waren even capabel om hun grenzen aan te geven. Als kinderen er dan toch geschaad uit kwamen, vonden ze, moest dat wel komen door hysterische reacties en afwijzing door ouders en andere hulpverleners.”

Dat, weten we ondertussen, strookt allesbehalve met de mechanismen van misbruik. Willemen: “Kijk maar naar alle misbruikschandalen uit het verleden die het afgelopen decennium aan het licht zijn gekomen. En dat is waarschijnlijk nog maar het topje van de ijsberg. Er was veel misbruik, maar dat werd stilgehouden en weggemoffeld. Dat er buiten die kleine intellectuele kringen een enorm taboe heerste, werkte dat zwijgen in de hand. De daders konden genieten van allerlei doofpotmechanismen. En de slachtoffers zwegen, uit angst voor de schande.”

Slachtoffers

Die houding sloeg maar heel langzaam om. “Feministen begonnen eind jaren 70 aandacht te eisen voor intiem geweld op meisjes en vrouwen – incest en verkrachting, vooral door mannen uit de naaste omgeving. Het duurde nog langer voor de geesten rijp waren om te accepteren dat ook jongens en mannen slachtoffers kunnen zijn.”

Er kwam ook meer aandacht voor de positie van het kind, in 1989 culminerend in de Universele Verklaring van de Rechten van het Kind. “Nog in de jaren 80 werd voor het eerst grondig en grootschalig onderzoek gedaan naar de prevalentie en de verwoestende gevolgen van kindermisbruik op een mensenleven.”

Toch had de term ‘pedofiel’ ook toen nog niet de connotatie van vandaag. De angst voor pedofielen begon pas in de jaren 90 te woeden. Willemen: “In de jaren 80 zie je dat de media vooral over incestschandalen berichtten. Maar vanaf het begin van de jaren 90 kwamen in zowat alle westerse landen misbruikschandalen bovendrijven. Die werden groots opgevoerd in de media. Dat was de genadeslag voor de discussie over de emancipatie van de pedofiel.”

De zaak-Dutroux

En toen kwam 1996. België daverde onder de zaak-Dutroux. Niet alleen de gruwel van de feiten maar ook de blunders in het onderzoek leidden tot een ongeziene volkswoede en een vertrouwenscrisis ten opzichte van politie, justitie en politiek. 

“Dutroux en zijn symbolische witte bestelwagen! Zo ontstond er een link tussen pedofilie en het gevaar voor de enge onbekende – waar we nog altijd niet van af zijn. Toch wordt het meeste misbruik gepleegd door bekenden.” En was Dutroux geen pedofiel, maar een psychopaat die zowel kinderen als volwassenen seksueel misbruikte.

Door de zaak-Dutroux werden wel broodnodige hervormingen doorgevoerd: de politiediensten werden gemoderniseerd, er kwam meer aandacht en hulp voor slachtoffers. Dat was en blijft essentieel. De onlangs aan het licht gekomen misbruikschandalen in de kerk en het pijnlijke relaas van de neef van Roger Vangheluwe (Mark Vangheluwe, Brief aan de paus, De Bezige Bij) bewijzen dat slachtoffers er nog altijd enorm mee worstelen om hun verhaal naar buiten te brengen. Maar ook dat het gevaar meestal van erg nabij komt.

Sinds de zaak-Dutroux worden de woorden ‘pedofiel’ en ‘kindermisbruiker’ op een hoop gegooid: elke pedofiel moet wel een misbruiker zijn. Willemen: “Dat schept verwarring. Terwijl zelfs psychiaters nog discussiëren over de precieze diagnostische criteria voor pedofilie: wat moet je precies voelen voor kinderen van welke leeftijd om pedofiel te zijn?”

De angst voor pedofielen heeft zich bovendien diep in de geesten genesteld. In de jaren 70 nam niemand aanstoot aan ongedwongen reclamebeelden van vaders die in bad met hun naakte kinderen speelden. Geen bedrijf zou zich in zijn communicatie daar vandaag nog aan durven te wagen.

Elke plaatje van een naakt kind lijkt verdacht, ook als het helemaal niet seksueel bedoeld is. Dat ondervond fotografe Sally Mann, die haar opgroeiende kinderen op de gevoelige plaat vastlegt. Mooie intieme foto’s van een gezinsleven, zijn het. En ja, soms zijn de kinderen weinig aangekleed of naakt. Zoals dat gaat, na het zwemmen, of in de douche. Verschillende kunsttijdschriften weigeren haar foto’s te publiceren, commentaren op het internet verketteren Mann.

Als er een volwassen man in de buurt van kinderen komt, vinden we het nog verdachter. Jagten (2012), een mokerslag van een film, speelt in op die thematiek: een kleuter beschuldigt een mannelijke kleuterleider valselijk van misbruik. Het stigma van die valse beschuldiging krijgt de man nooit meer weggeschrobd. Al wijst het feit dat de Deen Thomas Vinterberg dat onderwerp wilde verfilmen er misschien op dat de tijd rijp is voor een minder hysterisch discours rond pedofilie. Onlangs werd auteur Inge Schilperoord ook nog bejubeld voor Muidhond (2015), een roman waarin ze een fictieve pedofiel aan het woord laat.

Slinger lijkt doorgeslagen

Maar toch: de slinger lijkt in een paar decennia tijd te fel doorgeslagen. Van de doofpot voor de slachtoffers van misbruik en pleidooien voor de bevrijding van de goedmoedige pedofiel, naar hysterie bij elk beeld van een naakt kind en de vereenzelviging van pedofilie met misbruik. Ook een normale affectieve relatie tussen vader en kind wordt veel te snel als vreemd beschouwd.

Dat is gevaarlijk maar enigszins begrijpelijk: niemand wil de deur weer openzetten voor vergoelijking van misbruik. Maar het maakt het niet makkelijk om te focussen op de moeilijke uitdagingen waar we als maatschappij voor staan. Hoe bescherm je kinderen? Hoe moet je als samenleving omgaan met mensen die op kinderen vallen? Daar moet over gereflecteerd kunnen worden, zonder de slachtoffers te verwaarlozen, maar ook zonder pedofielen te demoniseren.

Dit artikel maakt deel uit van het dossier 'Preventie seksueel kindermisbruik'. 

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234