Woensdag 12/05/2021

Toen de Oostendse bluesman nog geen ridder was

De volgende week te verschijnen biografie Arno. Een lach en een traan beschrijft het unieke parcours van de nu 58-jarige Belgische zanger. Aan de hand van getuigenissen vertelt auteur Gilles Deleux het verhaal van Arno, van zijn kinderjaren tot Jus de box, zijn laatste cd. Hieronder volgt een exclusieve voorpublicatie van passages over een vroege periode, die van Arno's groep Tjens Couter (1973-1975). Van de lokale optredens voor anderhalve man en een paardenkop over de eerste gewonnen rockrally tot het eerste nummer dat het vinyl haalt.

door gilles deleux Foto's Stephan Vanfleteren

Het gaat helemaal niet goed met Arno. Maar hij laat er niets van merken, dat ligt niet in zijn aard. Alleen de intimi wijzen op de omvang van de aardbeving die er staat aan te komen. De enige zekerheid die voortaan nog rest in deze wereld waar nooit iets zeker is: Arno wil zo lang mogelijk muziek blijven maken, tot zijn laatste snik. Zoals de oude bluesmen, zijn idolen, waarover hij nog steeds spreekt met de passie van de eerste dagen. Dat is zowat zijn enige houvast bij het jaarbegin 1973, zijn enige hoop in zijn wankele bestaan. En dan nog. Hij zal een door twijfels geplaagde, zelfs zeer sceptische entourage moeten overtuigen van zijn kansen om naam te maken in een milieu waarin hij a priori maar weinig troeven op tafel kan leggen. Een présence op de scène, zeg maar een meer dan gewone look, echt talent als harmonicaspeler... allemaal goed, maar onvoldoende. En dan zwijgen we maar liever over zijn door niemand opgemerkte plaat, die zelfs zijn dikste vrienden niet heeft kunnen bekoren. Zijn zangtechniek staat nog nergens. Erger, zijn stemgeluid blijft irritatie wekken. Arno blijft massa's prei verorberen (goed voor de stem, zegt men). Bij hem heeft het grootmoederrecept weinig uitwerking. Zijn stembanden zijn weerspanniger dan ooit. Wie, buiten Paul Couter, zou er durven te wedden op de kansen van deze Arno?

Na zijn omzwervingen in Roemenië, waar hij op zoek is gegaan naar de roots van de zigeunermuziek, wordt de gitarist in Blankenberge uitbater van café Windsor. Daar brengt Arno de eerste maanden van 1973 door samen met Jan Marmenout, andere gast van dit pension voor muzikanten met lege zakken. De percussionist geniet er met volle teugen van het dolce far niente alvorens weer te vertrekken voor nieuwe, verre reizen. Arno en Paul Couter daarentegen verfijnen rustig verder het repertoire dat ze nu al meer dan een jaar brengen. Ze testen de formule een eerste keer uit in het Marnix Center in Brussel. Zonder veel succes. Arno: "Ik zong in de Marnix en een gast vroeg me of ik geld wilde verdienen. Ik zei natuurlijk ja, waarop hij me aanraadde onmiddellijk te zwijgen!" Maar de twee vrienden zetten stug door tegen de rest van de wereld. Paul Couter: "Vanaf het begin had ik al de indruk - en Arno ook - dat we niet bij deze groep (Freckle Face) moesten blijven, maar samen iets moesten doen. Stilaan werd dat gevoel sterker en sterker."

Arno gaat terug naar Oostende en trekt in de lente van 1973 weer in bij Sonja. Hij ziet Paul Couter bijna dagelijks. De twee muzikanten zetten het werk voort waaraan ze in de winter in café Windsor zijn begonnen. En ze doen het met nog meer ijver: elke week vijf tot zes keer van 14 tot 17 uur. Hun repertoire omvat nog maar weinig originele nummers. Om de vorm erin te houden grijpen Arno en zijn gitarist vooral terug op blues- en rhythm-and-bluesnummers, soms heel obscure. Naast klassiekers als 'It's All Over Now', 'You Got to Move', 'Trouble in Mind', 'Little Red Rooster', 'Walking the Dog', spelen ze bijvoorbeeld 'Let the Mermaid Flirt with Me' en een cover van Bob Dylans 'I Shall Be Released'.

Om hun partnerschap te bezegelen kiezen Arnold Hintjens en Paul Decoutere ervoor alleen de laatste lettergrepen van hun familienamen te behouden en ze aan elkaar te plakken. Het idee zou eerst van Arno zijn gekomen, heel toevallig. "Op de BRT had ik een groep gezien: T for Tillery, het waren Schotten. Bluesfolk. Of K for Killery? Een heel bizarre naam. Ze speelden half akoestisch." Wat er ook van zij, ze gebruiken eigenlijk de naam die ze bij hun vrienden al langer hebben. Maar zij hebben het over Tjens Couter en niet over Tjens en Couter. Zij vormen een groep, een entiteit.

Arno en Paul gaan in tegen de tendensen van die tijd. Niets of niemand kan hen dichter bij de glam, de progressieve rock, de hardrock brengen. Ze hebben niets gemeen met de countryrock van Gram Parsons. In het begin van de jaren zeventig is er nauwelijks nog een hond geïnteresseerd in deltablues in zijn oorspronkelijke vorm. Arno's stem geeft alle nummers een bijzondere kleur. Hij zingt hoog en extreem nasaal. Al zijn grote voorbeelden gebruiken echter alle mogelijkheden van een door jarenlange oefening gezette stem. Sigaretten en alcohol hebben zijn stembanden nog onvoldoende op de proef gesteld om het gepaste timbre te bereiken. Buiten de vriendenkring barst de kritiek los. Arno voelt er zich door gekwetst, ook al zal hij dat niet laten blijken. Hij kan altijd troost zoeken in de verwijten die een neuzelende Bob Dylan na zijn Freewheelin te slikken krijgt of die Brit die in 1972-1973 steeds meer bekendheid verwerft: Kevin Coyne. Ook hij heeft een 'moeilijke' stem. Wat Coyne geenszins verhindert om met nummers uit te pakken die lak hebben aan de heersende modetrend. Coyne verkoopt veel platen, zoals Marjory Razorblade, een album dat Arno grijs draait.

Arno en Paul Couter geven hun eerste concert onder de naam Tjens Couter op 11 augustus 1973. Die zaterdag sluit het duo het tweedaagse festival Kick af. De eerste dag is aan folk gewijd. De nacht is gevallen en de festivalgangers zijn het beu. Ze hebben hun portie muziek en zon wel gehad. Bij tientallen verlaten ze de velodroom van Oostende op weg naar de dancings en cafés in het stadscentrum. Arno zakt de moed zo ongeveer in de schoenen. Paul en hij hebben de godganse namiddag zitten wachten op hun beurt, zoals dat meestal gaat bij dit soort optredens. En kijk, al het volk gaat ervan door! Paul Couter tracht zich zo goed en zo kwaad mogelijk te concentreren op zijn gitaarspel, maar ook hij ziet hoe het publiek steeds schaarser wordt en hoe Arno het steeds minder ziet zitten.

Aan de rand van het podium merkt Michel Decleer de vertwijfeling op het gelaat van zijn vriend. Hij moet snel iets doen, gelijk wat. Anders is het dungezaaide publiek helemaal weg. In een opwelling gooit hij een bos bloemen naar het podium. Arno is verbaasd, verrukt. Hij vat weer moed. Hij schreeuwt de blues als een bezetene. Paul Couter pakt met het beste uit wat hij in huis heeft om deze opstoot van adrenaline te begeleiden. En de mensen keren terug. Voor het podium staat een nieuwsgierige menigte, verbluft over zo veel hernieuwde en onverwachte inzet van de twee muzikanten. Arno weet het nog niet, maar hij is net geslaagd voor twee examens. Ondanks het onchristelijk late uur heeft hij de aandacht van een vermoeid publiek getrokken en hij heeft Paul Couters hoop niet beschaamd. Paul Couter: "Op dat ogenblik besefte ik dat Arno het had en besliste ik met hem verder in zee te gaan. Iedereen vond dat Arno niet kon zingen. Ik heb hem altijd gezegd: 'Je moet zingen!' Ik merkte hoe iedereen hem bekeek op het podium en dat was belangrijk. Ik zat gemakkelijk op mijn stoeltje, hé! Vlieg erin! Aarzel niet, doe het! Ik volg je!" Paul Couter zal zich helemaal op zijn gitaar en Arno toeleggen en zijn café Victoria Place kunnen opgeven, dat hij in Blankenberge heeft overgenomen nadat de politie de Windsor had gesloten.

Eén man heeft heel aandachtig de begindagen van Tjens Couter gevolgd. Hij volgt elke dag de repetities in de huiskamer van het appartement van Sonja aan de Van Iseghemlaan. Op het einde van de jaren zestig heeft Jean-Pierre Boentges, alias JP, postgevat achter de draaitafels van een van de vele dancings in de Langestraat, de Djinn. Hij werkt ook in een dancing met dezelfde naam en eigenaar in Blankenberge. JP is een zachtmoedige, rare snuiter. Heel Oostende kent hem vanwege zijn encyclopedische muziekkennis. Hij is maniakaal met muziek bezig en trekt ettelijke malen per maand naar Londen om er platen te kopen, die hij in de vroege uurtjes draait als de toeristen weg zijn en alleen de kenners nog blijven. Onder hen Paul Couter. Ze praten veel over muziek en raken bevriend. En van het een komt het ander. JP is eigenaar van een Simca 1000 en weldra wordt hij gebombardeerd tot tourmanager van de groep. Hij krijgt ook de taak om voor optredens voor het duo te zorgen. "In het begin hadden Paul en Arno nog geen manager. Ik had toen niets te doen en ik heb een stencil gemaakt met foto's en die mailing heb ik naar alle jeugdclubs aan de kust gestuurd."

Erg succesvol is de poging van JP niet. In de eerste maanden van het bestaan van de groep treedt Tjens Couter op in enkele cafés in Oostende en Blankenberge. En dat is misschien maar beter zo. Het duo heeft voldoende tijd om zijn draai te vinden en nog wat te sleutelen aan zijn podiumpotentieel. Arno staat voortaan vooraan op het podium, alle blikken zijn op hem gericht. Hij moet een terrein bezetten waarvan hij de geografie nog niet goed kent. Hij moet niet langer wat harmonicasolo's spelen, enkele nummers zingen om dan weer te verdwijnen. Nee, hij staat nu twee uur tegenover een veel aandachtiger publiek, want het spektakel is tot het strikte minimum beperkt en opgaan in de decibels is niet langer mogelijk. Een stem, een harmonica, een gitaar en af en toe een mandoline om het menu wat te variëren: dat is het hele arsenaal waarover het duo beschikt. Met deze schamele uitrusting trekt Tjens Couter de boer op in Vlaanderen en elders. Arno: "Wij speelden overal en we vonden dat de beste leerschool."

Zich tonen, week na week enige bekendheid opbouwen met optredens, meestal in lamentabele omstandigheden. En betaald worden, want Arno en Paul kunnen het financiële einde van de maand meestal niet met enige gemoedsrust tegemoetzien. Overal waar ze spelen, brengen ze die vreemde cocktail van blues en rhythm-and-blues, waarmee ze het publiek eerder verbazen dan verleiden. Sylvain Van Holmen, de frontman van The Wallace Collection, herinnert zich dat hij het tweetal ooit heeft gezien in de Zoom, een club op het Brusselse Jamblinne de Meuxplein. "Ik geef toe dat ik het in die tijd maar niets vond, ik stond helemaal niet open voor blues en zo. Maar ik moet wel zeggen dat ze over een pak lef beschikten. Ik zag hen vaak in clubs en ik had medelijden met hen. Ze zaten daar in een hoekje met z'n tweeën, een gitaar en een mondharmonica. De muziek werd stilgelegd voor hun optreden. Ik vond dat bijzonder moedig."

Stilaan voegt Arno een nieuwe, tamelijk verrassende dimensie toe aan Tjens Couter. Lenny, de geromantiseerde biografie van de Amerikaanse komiek Lenny Bruce, komt in 1974 in de Belgische bioscopen uit. Arno gaat meteen naar de film kijken en hij is wild enthousiast. Niet alleen de levensstijl van deze artiest en zijn appelblauwzeegroene universum spreken hem aan. In Lenny Bruce vindt Arno een soort model, een man die een publiek weet in te pakken. Arno overwint zijn timiditeit en zijn spraakgebrek, dat hij zelfs als een kunstje gaat gebruiken in zijn shows. Tussen twee nummers door begint hij meer en meer met zijn publiek te praten. Hij vertelt onsamenhangende, absurde verhalen, moppen, persoonlijke anekdoten. Soms leest hij gedichten à la Van Ostaijen voor. Arno: "Ik schreef in die tijd gedichten. Echt domme dingen, hoor. Ik zei dan: 'Een worstje, een broodje, een hotdogtje.' Of: 'Tut-tuut... een treintje...' Ik improviseerde veel. Allemaal heel banaal, maar de mensen lachten. Ik wilde niet alleen maar muziek brengen, maar een hele avond vullen en dat is moeilijk met alleen maar een gitaar, een mondharmonica en een handvol nummers. Tjens Couter was niet alleen muziek, het was entertainment. Maar er was niets georganiseerd tussen de nummers. Elke avond verzon ik wel wat andere bazaar."

Tijdens zijn nachtelijke omzwervingen leert Arno toevallig Petit Louis kennen, een bekende in de Oostendse kroegen en dancings. Petit Louis is nog catcher geweest en houdt zich nu onder meer met charmespektakels bezig. Hij is ook organisator van grote gala's, waarbij de artiesten nooit komen opdagen, terwijl het publiek wel heeft betaald. Een oplichter kortom, die al meer dan eens in contact is gekomen met het Belgische gerecht. De lijst van zijn slachtoffers is indrukwekkend: Juliette Gréco, Oscar Peterson, Johnny Halliday, Adamo...

Eind 1973 laat hij zijn oog op Oostende vallen. Hij opent er het bedrijf Distingo Productions, een agentschap dat kantoor houdt in het Europa Centrum. Hij laat er stripteaseuses poseren voor erotische foto's, die hij dan verkoopt. Hij krijgt vaak bezoek van Arno en Paul. Petit Louis is een gladjanus en praatjesmaker en al snel overtuigt hij het duo van zijn waarde en verdiensten. Hij belooft hen niets minder dan gouden bergen. Begin 1974 wordt Petit Louis de manager van Tjens Couter. Arno en Paul Couter zijn nooit echt het slachtoffer geworden van zijn oneerlijke praktijken, daarvoor hebben ze op dat ogenblik het geld noch het publiek. Petit Louis apprecieert hen en versiert voor hen in de lente van 1974 het voorprogramma bij Ange en The Three Degrees. Arno en Paul Couter kunnen zo het enge kader van de cafés, waar ze meestal spelen, heel even verlaten en voor een ander publiek spelen. Dankzij Petit Louis spelen ze nog een ander voorprogramma dat hen beter moet liggen: Memphis Slim in L'Argos, "een privéclub voor snobs in Oostende", om de woorden van Paul Couter te gebruiken.

De intrede van Petit Louis legt de banden bloot tussen wat Arno de underworld noemt en de rockwereld. Voor de meeste mensen is rock - eens voorbij het verschijnsel van de 'brave Beatles' - een reis naar onbekende oorden, waar eerlijke mensen zich niet zonder betrouwbare gids wagen. De showbusiness heeft niet echt een goede naam, maar de rock dan... Dat is het wereldje van weinig aanbevelenswaardige figuren. Dat deze figuren met hun lange tanden uit een weinig eerbaar milieu komen, maakt hen voor sommigen nog eens zo aantrekkelijk.

Arno: "Louis Desalme had een agentschap in Oostende en Mariakerke. Hij organiseerde ook festivals. Hij nam ons op in zijn agentschap. Maar wat later vloog hij in de bak wegens oplichterij. Ik heb nooit nog iets van hem gehoord. Paul en ik leefden toen alleen 's nachts. In de Langestraat kende iedereen iedereen. De Langestraat was één grote dancing, één grote kroeg. Ook in New Orleans waren blues en rhythm-and-blues alleen in bars en kroegen te horen. Waar werden in die tijd blues en rhythm-and-blues gespeeld? In de clubs met hoeren! Voor de oude Blacks waren blues en rhythm-and-blues ook devil's music. Ook in Engeland werd rock in de kroegen gespeeld. Dat was hetzelfde. De eerste managers van The Beatles en The Rolling Stones waren ook oplichters. Misschien hoorde dat wel bij de tijd, ik weet het niet."

Arno en Paul staan er weer alleen voor. Bobo leidt een rustig leventje in Spanje, Petit Louis zit voor een tijdje achter de tralies en er is niemand in zicht om hen op te volgen. In afwachting van een nieuwe, bekwame agent, springt Sonja ad interim bij. Een klein jaar lang verdeelt de jonge vrouw haar leven tussen een job in het onderwijs en het management. Zij woont nu samen met Arno op de zeedijk, met uitzicht op de Noordzee. De levensstijl van de zanger is nauwelijks veranderd. Hij repeteert elke dag met Paul Couter - een repertoire dat af en toe ook een eigen nummer bevat.

Eind april is de jury van de negende editie van het YMCA-festival zo onder de indruk van de performance van Tjens Couter, dat ze de eerste prijs aan het duo toekent voor een twaalftal andere deelnemers (Once More, Moving Skull, The New Barn). Een opsteker voor het moreel en voor de portemonnee: 10.000 Belgische frank in 1974. Je zou voor minder gaan zweven. Paul Couter: "Ik had Arno gezegd: 'Godverdomme, Arno, ik heb dat geld nodig. Ze moeten van ons staan kijken bij deze wedstrijd!' Ik bracht mijn Martin mee, mijn mandoline, mijn dobro, mijn banjo, alles wat ik in huis had. Dat stelde ik allemaal op het podium op. Ik zei Arno te zingen zoals gewoonlijk en bij elk nummer nam ik een ander instrument. En het werkte! En geloof het of niet, Arno kreeg ook de eerste prijs als beste zanger."

In juli 1974 behaalt de groep een gelijkaardig resultaat in Parijs. Sonja loert op elke gelegenheid die een gunstige wending kan geven aan de carrière van Arno. Zo ontdekt ze het bestaan van de maandelijkse concours die door Henri Lepoux worden georganiseerd in de tempel van de Franse rock, de Golf Drouot. Zij schrijft Arno en Paul in. En de twee besluiten geen komma te veranderen aan de strategie waarmee ze op het YMCA-festival in Westende hebben uitgepakt.

Arno: "We schreven ons in voor de plaatselijke rockrally, een typisch Frans gebeuren, met veel show, veel witte Marshalls, de nieuwste snufjes van Portobello en King's Road. En wij met onze versleten gitaar en onze mondharmonica daartussen. Wij winnen dat. Ze dachten dat wij Engelsen waren: ik met mijn raar Frans accent, Paul met zijn sigaretje en zijn air van ik ga me hier niet forceren."

Volgens de agenda moet Tjens Couter ook optreden op het festival Kick, maar in 1974 wordt die organisatie stopgezet. Het jaar voordien zijn er incidenten geweest in de velodroom en de stedelijke overheid heeft beslist om het moeilijk te controleren festival met zijn te grote overlast te schrappen. In de plaats ervan komt Luit, een festival dat volledig aan het Nederlandstalige lied is gewijd en dat in het Feest- en Cultuurpaleis in het centrum van de stad zal plaatsgrijpen. Niets voor Arno en Paul Couter dus. Maar op zaterdag 24 augustus staan ze wel op Pop In The Park, een minifestival dat door het café Folk and Blues wordt opgezet. Op het programma staan de Oostendse groepen van het ogenblik en een reeks rockfilms zoals Music Power (met Captain Beefheart, Frank Zappa en Soft Machine), Rainbow Bridge (met Jimi Hendrix), The Stones In The Park en Pink Floyd In Pompeii. Het wordt dus Pop In The Park in plaats van Luit, dat te regionalistisch, te Vlaams is. Het is dus beter Oostende te verlaten, eruit te ontsnappen zelfs, de internationale toer op te gaan.

In de herfst van 1974 trekt Sonja naar Londen, naar Virgin, de nieuwe platenmaatschappij. Ze heeft demo's bij zich van Arno en Paul. Ze zijn bij haar in de salon opgenomen. Richard Branson toont weinig of geen belangstelling. In elk geval zorgen de Britse connecties van Sonja ervoor dat Tjens Couter in het voorprogramma kan aantreden van Hatfield and The North, op de Belgische tournee in december 1974. Niet echt belangrijke resultaten, maar de naam Tjens Couter wordt stilaan her en der bekend. (...)

In 1975 staat de groep op het punt een beslissende stap te zetten op het pad naar de bekendheid. Na twee jaar - weliswaar zeer leerrijke - beproevingen, heeft het duo een nieuwe song aan zijn repertoire toegevoegd. Het nummer is zo bijzonder dat een idealist hemel en aarde beweegt om het te kunnen opnemen: 'Saturday Night Queen'.

Arno. Een lach en een traan van Gilles Deleux wordt uitgegeven bij Epo en ligt vanaf volgende week in de boekhandel.

Arno:

Tjens Couter was niet alleen muziek, het was entertainment.

Maar er was niets georganiseerd tussen de nummers. Elke avond verzon ik wel wat andere bazaar

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234