Zondag 17/11/2019

' Tijdens het tekenen was ik mijn eigen psycholoog'

Stripauteur David B. maakt aangrijpend beeldverhaal over de ziekte van zijn broer

David B.

Vallende ziekte

Oorspronkelijke titel: L'Assencion du Haut-Mal 1

Vertaling: Toon Dohmen

Atlas, Amsterdam, 184 p., 19,90 euro.

Door Geert De Weyer

Opvallend verdikt, littekens over het hele gezicht, plukjes haar in plaats van volle wenkbrauwen, een ontbrekende rij voortanden en een kale plek op het achterhoofd door het vele vallen. Wanneer David Beauchard (David B.) zijn geliefde broer in 1994 na een lange tijd terugziet in de badkamer van zijn ouders in Olivet, schrikt hij. Hij herkent hem amper. "Ik ben het", stamelt die. "Moet tanden... poetsen."

"Ik wist niet dat je geen voortanden meer had."

"Ik... heb valse tanden... nu."

"Oké. Goedenacht."

De Franse auteur David B. begint zijn Vallende ziekte met de bovenstaande scène om meteen daarop zichzelf en zijn familie dertig jaar terug in de tijd te katapulteren. Zijn broer Jean-Christophe is dan zeven jaar, hijzelf vijf en zijn zusje vier. Wanneer Jean Christophe zijn eerste aanval krijgt op het zitje van een motor, mondt dat uit in een eindeloze ronde langs medici. De huisarts stuurt hen naar zijn voormalige gepensioneerde leraar, die verwijst hem naar een Parijse neuropsychiater, die even bot als ongevoelig diagnosticeert: "Mevrouw, uw zoon is een slechte jongen." MRI-scans zijn er nog niet, de medicatie voor hersenaandoeningen staat nog in de kinderschoenen en specifieke middelen tegen de vallende ziekte zijn - voor zover de ziekte zelf al bekend is - zogoed als onbestaande.

De familie Beauchard is ten einde raad, weigert een chirurgische ingreep waarbij een stuk van het brein van hun zoon zou worden verwijderd en zoekt uiteindelijk haar toevlucht in de macrobiotiek, acupunctuur en zelfs het paranormale. Jean-Christophe zal uiteindelijk slechts een experiment zijn voor zowel medici als kwakzalvers, terwijl zijn ziekte de jeugdjaren van zijn broer zal overschaduwen.

"Tot in de jaren zestig waren we een normale familie", zegt David B. in een luizig Parijs café. "Maar de ziekte veranderde het leven van elk gezinslid." De manier waarop, staat geïllustreerd in twee delen over meer dan 320 pagina's, vanaf het moment dat Jean-Christophe zijn eerste aanval krijgt tot zijn opname in een inrichting. Alle zes hoofdstukken, die in Frankrijk eerst als zes comics werden gepubliceerd met covers waarop Jean-Christophe steeds ouder en gezetter werd, worden bevolkt door metaforen, dromen en nachtmerries. David B. hamert erop dat hij verslag van die periode uitbrengt door de ogen van een kind. Vandaar dat een epilepsieaanval van zijn broer, waarbij hij wild om zich heen slaat en zich kronkelend over de grond voortbeweegt, steevast wordt voorgesteld alsof Jean-Christophe een gevecht aangaat met een gigantische slang. Op andere momenten sluit de door geschiedenis geobsedeerde David B. in zijn dromen vriendschap met de grootste veroveraars aller tijden (Genghis Khan, Atilla de Hun,...), die hij vriendelijk vraagt ten strijde te trekken tegen zijn broers ziekte. Meester N., de Japanse macrobioot en alternatieve genezer, neemt dan weer de gedaante aan van een grote kater. "Want zo zag ik hem als kind", aldus de auteur. "Kijk, het is een vals idee om te denken dat je op een realistische, objectieve manier de feiten van die tijd zou kunnen weergeven. Het enige wat van die periode overblijft, is namelijk emotie. Die vertroebelt alle objectieve waarneming. Overigens, ik vertel veel over die man in Babel. Toen bleek dat hij van de overheid geen geneeskunde meer mocht uitvoeren, is hij gevlucht naar de VS, waar hij een sekte startte. Ondertussen heeft zijn sekte zelfs afdelingen in Frankrijk. Wat een gek! Ons leven lag in zijn handen... (schudt het hoofd)."

Wanneer besloot u dat de tijd rijp was om uw verhaal te vertellen?

"Twintig jaar geleden al wilde ik dat verhaal uittekenen, want het moest verteld worden... ooit. Ik wist alleen niet hoe eraan te beginnen. Die twee decennia heb ik echt kunnen gebruiken. Toen l'Association werd opgericht, besefte ik plots dat het boek dat ik wilde maken uitgegeven kon worden. Ik heb erg veel gehuild bij het tekenen van die eerste pagina's. Maar nadat de tranen waren weggeëbd, ging het steeds beter. Ik voelde dat het maken van dat boek een therapeutisch effect op mij had. Ik beleefde alles opnieuw. De eerste aanvallen van mijn broer, de reacties, de pijn,... Alles kwam terug. In die periode voelde ik hoe ik evolueerde. Mijn gevoelens en visie op mensen veranderden. Dat was erg belangrijk. Ik werd vrijer in mijn hoofd en mijn tekenwerk. Ik vond oplossingen die ik niet eerder had ontdekt. Het was voor mij een bijzondere periode."

Uw ouders waren er dan weer minder blij mee.

"Na het lezen van het tweede hoofdstuk was mijn moeder erg boos. Vier jaar lang is ze boos gebleven, nu zie ik haar weer vaker. Deze avond zoek ik haar zelfs op. Nu, mijn verhaal was hard voor haar. Ze had al die tijd gedacht dat ik me als kind amper iets kon herinneren van die periode, maar tijdens het lezen ervan realiseerde ze zich dat die periode me erg geëmotioneerd had. Dat was hard voor haar. Ook mijn zuster bleek daardoor gekwetst."

Vanwaar die obsessie om elk verhaal of elke anekdote te drenken in dromen, nachtmerries of metaforen?

"Op het moment dat ik begon te tekenen, wist ik precies hoe het moest. De dromen, de metaforen, ze kwamen als vanzelf. Dat overkwam me in die mate nooit eerder. Door mijn gevoelens en emoties de vrije loop te laten kwam de creativiteit. Het was alsof plots iets in mezelf werd aangesproken, ik dat onmiddellijk herkende en de vertaling daarvan meteen op het papier smeet. Alles bleek gelinkt met mijn broer. Mijn tekenstijl is in die periode gevormd."

Hielp het u ook als mens?

"Tuurlijk. Alles was gerelateerd met elkaar. Telkens als ik een hoofdstuk afsloot, voelde ik me ontzettend droevig, maar ook vrijer dan ooit. Toen het er na zes hoofdstukken opzat, bleek het echter niet gedaan. Ik voelde dat er nog dingen in me zaten. Ik ben dan aan Babel begonnen, waarin ik hetzelfde verhaal vertel, maar dan helemaal anders."

Een psycholoog zou er flink zijn werk mee hebben.

"(fijne grijns) Dat denk ik ook. Maar ik was tijdens het tekenen mijn eigen psycholoog. Kijk, ik wilde Vallende ziekte vertellen vanuit het standpunt van een kind, dan van een tiener en vervolgens van een jongvolwassene. In het boek tracht ik te ontdekken hoe mijn gevoel gevormd werd door de ziekte van mijn broer.

"Babel is in feite hetzelfde verhaal, maar verteld vanuit de ogen van een volwassene, decennia na de feiten, met een hedendaagse blik. Zo zul je zien dat ik in Babel bijvoorbeeld fotografie aanhaal, wat mijn broer erg aansprak. Als kind hing zijn kamer vol met foto's van mensen uit Papoea Nieuw Guinea. Die foto's spraken me toen ook erg aan, maar op latere leeftijd ontstond daardoor een meer geëngageerde interesse in de cultuur, politiek en gewoontes van dat land en zijn inwoners. Het interesseert me overigens nog steeds. Ook dat verwerk ik in Babel. Kortom: alles wat daarin verteld wordt, speelt zich hier af, in dit tijdperk.

"Weet je (denkt na), het verhaal van mijn broer zal me blijven achtervolgen tot aan mijn dood. Mijn broer is nog steeds ziek, de problemen zijn nog steeds niet opgelost."

Is er de afgelopen twee decennia dan niets op de markt gekomen dat uw broers lijden enigszins verzacht?

"Epilepsie is een vreemde ziekte. Iedereen ervaart ze anders. Mijn broer is wat men noemt 'farmaco resistent', wat erop neerkomt dat medicatie geen of amper effect heeft. Hij neemt geneesmiddelen, maar ze houden de ziekte niet tegen. Ik omschrijf in het boek hoe een van die geneesmiddelen op een gegeven moment effect sorteerde, maar dat was buiten de bijwerkingen gerekend. Jean-Christophe werd er gek door, totaal paranoïde. Vreselijk. Hij zag overal geesten, huilde altijd en wilde me zelfs vermoorden. Hij is er mee moeten stoppen. Er viel niet meer met hem te leven.

"Sommige mensen met epilepsie hebben baat bij medicatie. Hun aanvallen kunnen herleid worden tot één per jaar. Nu, de epilepsiegraad van Jean-Christophe is verschrikkelijk. Hij heeft het heel zwaar. Toen ik achttien was, zag ik hem dagelijks tot driemaal toe aanvallen krijgen, sommige ervan duurden uren en zelfs een hele dag. Soms ging ik slapen om 's morgens te horen dat de aanval van de vorige nacht nog steeds niet gestopt was."

En dan zijn uw ouders plots, uit pure misère, overgestapt naar macrobiotiek, een genees- en levenswijze die in de jaren zestig zowat alles kon genezen, zelfs homoseksualiteit.

"(grijnst) Ja, het stond er echt. In die periode werd homoseksualiteit nog beschouwd als een ziekte, en dus kon de macrobiotiek ook die ziekte genezen. Nu, ik was voorstander om macrobiotisch te eten, want ik hield niet van vlees. Ik was dus erg gelukkig toen de hele familie overging op macrobiotiek. Mijn broer daarentegen..."

Had het effect?

"Mijn moeder vond van wel, ik ben niet zeker. Toen we ermee begonnen, bleven zijn aanvallen even achterwege. We zaten toen ook in de commune bij die Japanse dokter. Maar nadien kwamen de aanvallen opnieuw in alle hevigheid aanzetten."

Na die eerste Japanse meester bent u toch terechtgekomen in een tweede commune.

"Tja, de dokters konden niets doen, dus wat doe je dan? Ik geloofde als kind ook in die zogenaamde heilzame genezingen. Nu ben ik er erg bedroefd over. Ik geloof niet langer in God, dokters, alternatieve geneeswijzen... Als kind denk je dat dokters je genezen en medicatie ziekten doet verdwijnen. Je leert snel dat dat niet altijd het geval is. Maar in die periode was het allemaal erg nieuw. We ontdekten ook veel oosterse therapieën. Dat vond ik leuk en interessant, in de eerste plaats omdat het nieuw was. Mijn ouders probeerden toen echt alles."

Viel er in de jaren zeventig al veel informatie te rapen over alternatieve geneeswijzen?

"Nee, eigenlijk niet. In die periode was er in Parijs welgeteld één voedingszaak voor macrobioten. Voor de rest was je afhankelijk van 'horen zeggen'."

Wat me opviel, was de agressiviteit waarmee omstaanders en buren uw familie bejegenden wanneer Jean-Christophe weer eens een aanval kreeg.

"Dat is een van mijn ergste jeugdherinneringen. Het was het begin van drugs, dus associeerden mensen zo'n aanval met drugs. Of we wel naar de dokter waren geweest, merkte men ons verwijtend op. Godverdomme, natuurlijk waren we naar de dokter geweest! Nu, een dokter vertelde ons ooit dat die reacties gebaseerd zijn op angst. De maatschappij teert ook op angst, dus als mensen zoiets zien gebeuren, is dat voor hen in feite een spiegel: het kan hen ook overkomen, dus schrikken ze, want in feite willen ze het niet zien noch ermee geconfronteerd worden. Gevolg: agressie en boosheid. 'Breng die jongen weg!', klonk het. We zijn daardoor ooit moeten verhuizen."

Metafysica, symboliek en geschiedenis blijken de motor te zijn van uw verhaal. Waar haalt u dat vandaan?

"Mijn broer en ik zijn altijd erg geïnteresseerd geweest in de geschiedenis. Hij hield bijvoorbeeld erg van Napoleon. We speelde in die tijd vaak met soldaatjes en speelden veldtochten na. Dat is nooit weggegaan.

"Ik tracht ideeën te krijgen door zo veel mogelijk symbolen uit de middeleeuwen, de religie en mythologie in mijn werk onder te brengen. Dat boeit me erg. Voor mij is het een ideale taal voor een strip. Ik maak er graag gebruik van. Het verleden heeft altijd een invloed gehad op ons. Ook anekdotes over mijn voorouders komen terug in mijn werk, vooral in Vallende ziekte. Ik tracht het verleden te begrijpen, de manier waarop mensen reageerden of leefden. Ik heb het gevoel dat ik daar erg veel van leer."

De dromen en nachtmerries, vanwaar komen die?

"Ze geven me beelden, indrukken. Vaak zijn dat spectaculaire beelden. Ik had als kind al nachtmerries , maar die hebben me nooit angst ingeboezemd. Integendeel: ze deden me nadenken over mijn leven en problemen. Ik wist vrij vroeg dat die nachtelijke beelden mee het gezicht van Vallende ziekte moesten bepalen. Omdat ik artiest was had ik het geluk die beelden te kunnen uittekenen. Igor (een collega-stripauteur, GDW) vertelde me ooit dat ik een lul was. (lacht) 'Want je werkt zelfs als je slaapt', zei ie. 'Je droomt home-made verhalen. Het enige wat je nog moet doen, is ze vertalen naar het papier.'"

Zo gemakkelijk is het toch niet dromen te begrijpen of te transponeren naar je eigen leven en situaties?!

"Zelfs als ik ze niet kan verklaren, voel ik dat er 'iets' inzit. Ze tekenen is voor mij genoeg. Zelfs als mijn brein mijn dromen niet begrijpt, begrijpt mijn hand het wel. Hm, dat klinkt abstract, hé?"

U toont de aanvallen van uw broer eerst alsof hij een gevecht levert, op oudere leeftijd stelt u hem dreigender voor, als iemand die fysiek niet door de tand des tijds gespaard is gebleven. Waarom die overgang?

"Het probleem dat rees toen ik met Vallende ziekte begon, was: hoe representeer je iemands ziekte? Toen ik klein was, leek het voor mij alsof Jean-Christophe, telkens als hij een aanval kreeg, een onzichtbaar gevecht met een dier leverde. Hij kronkelde, stak zijn handen vooruit en liet die in alle mogelijke richtingen gaan. Het dier was hem aan het vernietigen. Een slang, zo dacht ik.

"Toen ik ouder werd, zag ik het helemaal anders. Daar zocht ik een grafische oplossing voor. De slang opnieuw tevoorschijn halen, zou oneerlijk zijn, want dat beeld had ik allang verlaten voor de realiteit. Ik zag vlekken op zijn huid, zijn gezicht en onder zijn ogen. Die Jean-Christophe heb ik getekend. Precies zoals hij was.

"Toen ik jong was, wilde ik niet geloven dat het allemaal serieus was. Misschien dacht ik dat het een grap was, dat hij ooit zou genezen. Ik kon me echt niet voorstellen dat het zijn hele leven lang zou doorgaan.

"Zijn ziekte bereikte iedereen. In de familie was iedereen met hem ziek. (sluit even de ogen) Als hij viel... en dan al die agressieve mensen om hem heen... dat was... (schudt het hoofd, verbijt zich) Wanneer hij pijn had, voelde ik ook pijn voor hem. Ik kon niet accepteren dat kinderen rondom hem opmerkingen maakten. Ik voelde me zo verbonden met hem. Dat was hard als klein jongetje, weet ik nu. Ze behandelden ons als idioten die niet om hun kind, broer of zus gaven, laat staan dat we dat kind wilden redden. Maar wat kun je doen als iemand een zware epilepsieaanval krijgt? Niets!"

Hoe is het nu met uw broer gesteld?

"Hij is nu 49 en nog steeds ziek. Hij woont in Zuid-Frankrijk, in een centrum voor chronisch zieken. Hij heeft geen drie aanvallen meer als vroeger, maar soms duren ze wel erg lang, tot een halve dag. Door de medicatie is hij is erg, erg traag in denken en handelen. Het is moeilijk om met hem te praten, want het kost hem moeite de dingen te formuleren.

"Ik zie hem enkel in de vakantiedagen, want hij wil vooral met rust gelaten worden. Hij houdt van rust. Een halve dag bezoek is al te veel voor hem. Hij wil graag participeren, hoor, maar hij wordt droef omdat hij dat niet kan. Mijn zus heeft ondertussen een kind. Nu, kleine kinderen bewegen razendsnel, ze zitten nooit stil. Dat kan hij niet aan, en je kunt van zo'n kind ook niet verwachten dat het lange tijd onbeweeglijk op een stoel blijft zitten. Het is erg moeilijk om te leven met zo iemand."

Heeft hij Vallende ziekte gelezen?

"Niet echt. Hij kan geen heel boek lezen. Hij heeft het bij slechts enkele pagina's gehouden. Hij herinnert zich na een tijdje niet meer wat er op de vorige pagina's stond. Ik zag hem afgelopen Kerstmis nog eens. Bleek dat hij het laatste hoofdstuk gedeeltelijk gelezen had. 'Maar waarom zeg je dat ik nog steeds ziek ben?', vroeg hij. 'Sorry', zei ik, 'maar je bént nog steeds ziek, Jean-Christophe.' Hij begreep niet hoe ik al die anekdotes had onthouden, want hij herinnerde zich niets meer.

"(lange tijd stil) Vreselijk. (huilt, opnieuw lange tijd stil) In zekere zin doe ik het ook voor hem... (raapt zijn moed bijeen) omdat ik me realiseer dat hij zich niets kan herinneren. Misschien zijn het allemaal maar kleine dingen, maar ze zijn belangrijk. Het zijn die dingen van onze familie die altijd zullen overleven."

Met permissie, maar het lijkt wel of u een schuldgevoel naar uw broer toe hebt?

"(kijkt even weg) In het tweede deel dacht ik dat, als ik zijn ziekte had, ik mezelf er resistent tegen kon maken. Ik dacht dat ik sterker was. Jammer dat ik het niet heb, dacht ik. Sindsdien kan ik me enkel nog afvragen wat ik voor hem kan doen. (fijn lachje) Vroeger droomde ik dat ik hem kon genezen. (bladert in het boek) Kijk, zie je dit? Hier opereer ik in een droom mijn grootvader en red ik hem (David B. beschrijft een kinderlijk naïeve scène waarin hij met behulp van een ploegschaar en tuingereedschap zijn opa opensnijdt en de bloedklonter rond zijn hart succesvol verwijdert). Maar de werkelijkheid is: ik kan niets doen. Niets. Soms voel ik me daar inderdaad schuldig over. Ik zoek namelijk enkel in mijn strip naar oplossingen. Maar misschien is dat mijn manier, misschien teken ik daarom strips over dit onderwerp. Om dingen te voelen, te beleven, mij nuttig te maken."

'Het was het begin van drugs, dus associeerden mensen zo'n aanval met drugs. Of we wel naar de dokter waren geweest, merkte men ons verwijtend op. Godverdomme, natuurlijk waren we naar de dokter geweest!'

> Echte naam: David Beauchard.

> Zijn zwart-wittechniek is beïnvloed door de stijl van zijn favoriete auteurs als Tardi, Pratt en Muñoz.

> In 1985 debuteerde hij als scenarist bij Glénat, een jaar lang tekende hij de dierenstrip 'Timbre Maudit' in het blad Okapi. Hij maakte kortverhalen voor A Suivre en dook geregeld op in Tintin Reporter met illustraties en didactisch materiaal.

> In 1990 richtte hij samen met o.m. J.C.-Menu en Lewis Trondheim L'Association op, een kleine uitgeverij die alternatieve strips wilde uitgeven.

> Bij L'Association verschenen

een rits strips, waarin hij steeds vaker nachtmerries verwerkt.

> Andere vertaalde strips: Het alfabet der ruïnes en Kapitein Scharlaken (met Emmanuel Guibert, bij Dupuis).

'Ik omschrijf in het boek hoe een van die geneesmiddelen op een gegeven moment effect sorteerde, maar dat was buiten de bijwerkingen gerekend. Jean-Christophe werd er gek door, totaal paranoïde'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234