Vrijdag 27/11/2020

Tien om te zien... en te lezenKinder- en jeugdboeken voor de grote vakantie

Pieter Gaudesaboos was onlangs volop in de belangstelling door zijn overtuigend grafisch werk voor de Jeugdboekenweek, en tussendoor vond hij blijkbaar nog tijd én inspiratie om met een schitterend prentenboek voor de dag te komen.Tommie is een ondernemende kleuter met een flinke blos op de wangen en een grasgroene salopette. Op de eerste pagina’s zie je hem alle ingrediënten verzamelen om de allerhoogste boterham te smeren. Heel even vrees je dat Gaudesaboos zich zal verliezen in een overvloed aan details, zoals wel vaker in zijn vorige kijk- en zoekboeken het geval was (Pistache), maar dan gebeurt er een klein wonder: samen met de boterham stijgt de verbazing van de lezer om zoveel gedoseerde grafische pracht. Tommie doorkruist alle verdiepingen van het huis en daardoor weet Gaudesaboos het stapelverhaal spannend en verrassend te houden; je kijkt je ogen uit, gecharmeerd door zoveel visuele vondsten. Ronduit wonderlijk is de pagina waar het maanlicht door een klein zolderraam valt, waardoor in een kegel van licht allerlei afgedankt huisraad tevoorschijn komt. Ergens bovenaan in een hoekje zie je nog net een vrolijke Tommie die maar blijft smeren, en zo tot bij de maan wil geraken. Op de volgende prent komt hij uit dat zolderraam geklauterd, samen met de boterham op weg naar de sterrennacht. Grappig en poëtisch tegelijk!Tommie en de torenhoge boterham is in Gaudesaboos’ gedurfde maar wat ongelijke carrière zonder twijfel zijn meest geslaagde werk tot dusver. Zijn grote liefde voor de vormelijkheid van de jaren vijftig, zijn computertekentechniek en de kinderlijke verbeelding gaan hier perfect samen. Allicht zit het eenvoudige, maar charmante en strak vertelde verhaaltje van de Ierse schrijfster Lorraine Francis daar ook voor iets tussen. Een parel van hoog niveau, letterlijk en figuurlijk!

Nog meer werk van talent uit Vlaamse klei getrokken: van twee talenten eigenlijk, want Gerda Dendooven brengt op eigengereide wijze een oud volksverhaal van Felix Timmermans.“Toen de dieren nog spraken, hadden ze geen kleur, geen vacht, geen naam. Ze waren roze en bloot, er viel werkelijk niets te aaien. Dus kwam de Goede Heer op een dag naar beneden, met kleurmiddelen, krultangen en borstels, om daar wat aan te doen. Alles ging goed, iedereen kreeg een naam, en pluimen of haren. Maar toen de Goede Vader na een lange werkdag alles weer wilde inpakken, kwam er in de verte nog iets aangelopen.” Zo staat het veelbelovend te lezen op de achterflap. Het varken had zich overslapen en kan van God dus nog enkel een blitzbehandeling krijgen: met een ster warmt hij snel de krultang weer op, en legt dan gauw een fikse draai in de staart van het arme beest. En zo blijft het varken voor de rest van zijn dagen roze en bloot, zoals eertijds alle andere dieren.Dendooven slaagt er met flair in om een vertelling uit de oude doos fris en licht te bewerken. Eerst en vooral picturaal: elke pagina straalt de begindagen van de schepping uit, door de overheersend grijze, rozige en witte tinten... want alles moet nog worden ‘ingekleurd’. Ze neemt dit idee zelfs heel letterlijk op in het boek, door de jonge lezers op een moment uit te nodigen om de dieren naar hartenlust zelf van een kleur en naam te voorzien. Knap bedacht!Ook tekstueel heeft ze Timmermans’ materiaal mooi in een modern kleedje gestoken: God moet in zijn agenda wel heel hard naar een gaatje zoeken om de dieren nog af te werken (een knipoog naar de ‘achterbankkinderen’ van tegenwoordig?), en hij wil liever niet te veel pottenkijkers “tenzij ze voor de krant of voor tv werken”. Soms zijn die ingrepen ook weleens flauw, zoals Gods mededeling aan de engelen dat hij zijn favoriete show Idool niet wil missen. Maar bon, dat is detailkritiek. Hoe het varken... is een amusante parodie geworden op het scheppingsverhaal, genietbaar voor alle leeftijden.

Alfabetboeken verschijnen met de regelmaat van de klok en af en toe schiet er eens een exemplaar ongenaakbaar bovenuit. Aap beer cheeta van Henriette Boerendans is zo een exemplaar, althans wat het visuele aspect betreft. Dat werkelijk van een verbluffende schoonheid is: Boerendans heeft houtsnedes gemaakt van 26 verschillende dieren tegen een meestal sobere, dan weer decoratieve achtergrond. Elke keer slaagt ze erin om oogstrelende kunstwerkjes af te leveren, waardoor de giraf, de jaguar, de ijsbeer of de walvis weer helemaal tot leven komen. Dankzij de gedurfde compositie, de vaak verrassende kleurencombinaties maar ongetwijfeld ook dankzij het subtiele reliëf dat in elke illustratie zit door de ambachtelijke houtsnedetechniek. De gestempelde letters op de pagina naast de afbeelding maken het geheel compleet en verlenen dit boek een zeldzame grafische poëzie.Daarom is het des te spijtiger dat de bijbehorende tekstfragmenten niet baden in eenzelfde sfeer. “Een hertje wordt geboren./ Het staat, bibber de bibber,/ wat wankel op zijn poten/ maar kan al meteen lopen.” Boerendans lijkt stilistisch nauwelijks de juiste toon te vinden, haar beschrijvingen willen vaak (te) informatief zijn, maar de esthetische beelden vragen om een andere benadering. Bovendien mist haar taalgebruik de nodige muzikaliteit en originaliteit, waardoor de tekst bijna een overbodige, soms zelfs storende commentaar wordt. Jammer dat men niet aan een ‘woordkunstenaar’ heeft gevraagd om voor een krachtig, evenwaardig tegengewicht te zorgen bij de werkelijk indrukwekkende illustraties.

“Menno kan het huis horen ademen. En in de tuin is er het zoemen van de middag. Verder niks.” In het bijzondere prentenboek Zomerzot wordt op elke pagina, in woord en beeld, uitvoerig gewacht. Op zijn Becketts, haast. Het is warm, heel warm. Kleine Menno is alleen thuis. En hij is bang. “De zomerzot dwaalt weer door het land.” Dat zei zijn moeder altijd, met zulk weer. In mooie, suggestieve prenten en zuinige woorden schildert Sollie Menno’s fantasieën over wie die Zomerzot wel mag zijn. Een macho bodybuilder of een wat miezerige kabouter? Een engel, misschien, of een clown? In zijn verbeelding wordt die onbekende een of ander beest, het ene al wat akeliger dan het andere: een enorme rode draak, een sympathieke beer, een grappig paard in T-shirt? Het wordt steeds benauwder in zijn kleine hoofd. Spoken, duivels, dieven, allemaal duiken ze op in zijn angstige en eenzame afwachting. Aan het eind daagt hij eindelijk op, de lang verwachte zomerzot, en valt alles weer in de plooi. André Sollie’s Zomerzot is een ontwapenend boek over onbestemde kinderangsten en verlangen naar warme geborgenheid. Tekst en beeld spelen ingenieus op elkaar in. Ook hier weer schrijft Sollie met zijn kleurpotloden en collages en tekent hij met zinnen. Veel blijft ongezegd in de minimale, ritmisch gecomponeerde woorden die meer laten vermoeden. Een geheimzinnige boodschap op een achtergelaten kattebelletje wordt handig als rode draad ingezet. In de royale prenten speelt Sollie met wisselende proporties en perspectieven en experimenteert hij met gedurfde kleurencombinaties en verrassende composities. De fragiele beelden en de robuuste figuren zitten boordevol verborgen emoties. Een mooi en genereus prentenboek, waarin André Sollie met succes nieuwe plastische mogelijkheden verkent.

Harry houdt van boeken, maar dan wel op een bijzondere manier: hij wil ze eten. Het begon ooit met één woord, daarna nam hij een regel, toen een ganse pagina en ten slotte verslond hij het ganse boek. Vanaf dan is hij niet meer te stoppen. Hij lust alles, van avonturenboeken tot atlassen, maar rode boeken dragen zijn appetijtelijke voorkeur. Hij merkt gaandeweg ook dat hij er almaar slimmer van wordt, en er gezwind tv-quizzen mee wint. Tot hij zich op een dag een indigestie eet...Een geestig prentenboek met een origineel idee, een aandoenlijk hoofdpersonage en een leuke, zij het licht moraliserende ontknoping. Maar net zoals bij Aap, beer en cheeta zijn het ook hier voornamelijk de beeldende kwaliteiten die deze Ongelooflijk bijzondere boekeneter op een hoger niveau tillen. Erg inventief is de keuze om sommige scènes te situeren tegen een achtergrond van pagina’s uit bestaande boeken, zoals woordenboeken, atlassen of vergeelde encyclopedieën. Als Harry zijn rekenkundige kennis wil etaleren in de klas, gebruikt Jeffers een pagina uit een ruitjesschrift als decor, en zo wemelt dit boek van de grafische vondsten. Ook het beheerste gebruik van verschillende lettertypes (enerzijds een kinderlijk handschrift en anderzijds de overbekende letter van de ouderwetse typemachine) zorgt voor speelse dynamiek op de bladspiegel. Klap op de vuurpijl is de tandafdruk in de laatste pagina’s en het achterste schutblad, waardoor je de indruk krijgt dat Harry effectief ook aan dit boek heeft zitten peuzelen.Auteur/tekenaar Oliver Jeffers heeft zich zichtbaar geamuseerd met dit bizarre verhaal en dat werkt aanstekelijk. De enigszins moraliserende toon en wat eenzijdige boodschap die om de hoek komen loeren (van boeken word je erg slim!) zijn een beetje jammerlijke valse noot.

“Die ochded toen ik vakker werd,/ zad bijn deuz helebaal berstopt./ Ik besloot een lugje de schebben”, zo opent dit hilarische prentenboek van de Franse Olivier Douzou. En nee, beste lezer, we zijn niet vergeten om de typefouten uit het citaat te halen. Douzou heeft zijn verhaal van een verstopte neus, die wanhopig op zoek gaat naar de grote zakdoek, volledig in ‘foute’ zinnetjes verteld, een allusie op wat er gebeurt met onze spraak als een zwaar verkouden reukorgaan het spreken bepaald niet vergemakkelijkt.Die arme neus (op twee pootjes) krijgt op zijn zoektocht het gezelschap van een knoop (“die dacht dat hij een deuz vaz”), een olifantenslurf, een clownsneus (die geen goede invallen meer had), een varkens- en hondensnuit, en een vogelbekje dat een graantje te veel had meegepikt. Maar na een aantal omzwervingen en evenveel avonturen blijft onze ongelukkige mensenneus toch weer alleen en verweesd achter. Nog steeds even verstopt...Deze vrije interpretatie van een verhaal van de Russische auteur Gogol is een schot in de roos, al moet je in het begin wel even wennen aan de typografie. Maar eens je het ‘systeem’ beet hebt, is het net spannend om de vreemde zinnetjes te ontcijferen. Even bijzonder en geïnspireerd is Douzous minimale beeldtaal. In slechts vier basiskleuren (zwart, wit, grijs, rood), met nu en dan een onheilspellende houtsnede die een ganse pagina in beslag neemt en verder heel wat subtiele, louter grafische aanzetten, roept hij een eigen surreële wereld op. Niet alleen hoogst origineel, maar vooral wonderwel gelukt om deze kruisgang van de neus indringend én humoristisch te visualiseren. Bovendien neemt Douzou ons soms ook lekker bij de neus, door personages gewoon zonder reden te laten verdwijnen, of door figuurlijk taalgebruik soms heel letterlijk te nemen. Kortom, een heerlijk absurd boekje dat allicht het meest impact heeft als een volwassene er samen met een kind in durft te verdwalen.

Zomervakantie, dan is de zee nooit ver weg. Ook niet bij uitgeverij Lannoo, die met twee zeepublicaties uitpakt, eentje van striptekenaar Conz voor peuters, en een non-fictie-uitgave voor wat oudere kids.Wat zie je in de zee? voor de nog piepjonge lezertjes is een verrassend debuut van Conz, die uitpakt met een kruising tussen een strip en een woordenloos prentenboek. Zijn stripachtergrond verraadt zich op de pagina’s waar hij zijn ‘verhaal’ doet aan de hand van zes kadertjes van eenzelfde grootte, aan het prentenboek ontleent hij onder meer de panoramabeelden die over beide pagina’s zijn verspreid. En het werkt! Mooi hoe bijvoorbeeld de inkt van een octopus enkele tekeningen verder de zwarte oogbal van een vis wordt, of even later een grote zeester heel nietig blijkt tegenover een walvis. Conz speelt voortdurend met begrippen als groot-klein, boven-onder, links-rechts, maar er borrelen soms ook kleine verhaaltjes naar boven. Zoals de twee komische krabben van wie je enkel aan de expressie van de bolle ogen kunt zien dat hun interesse in mekaar plots omslaat in angst. Die boeiende spanning tussen vormelijke abstractie en speelse narrativiteit maakt Wat zie je in de zee? tot een opmerkelijk debuut.Heel anders, en toch ook weer niet, is het informatieve pop-upboek Diep in de zee: uit de bladzijden komen dolfijnen, kwallen of haaien naar boven gezwommen en dat levert verrassende, soms ronduit spectaculaire beelden op. Op uitschuifbare infofiches lees je dan weer wat die dieren eten, hoe ze zich voortplanten, wie hun vijanden zijn... Verhelderend is ook dat de zee daarbij wordt ingedeeld in een klare zone, de schemer en de duisternis, zodat je telkens te weten komt welke exemplaren waar nu juist leven in die gigantisch grote plas. Een beetje kitscherige, maar toch verzorgde en overzichtelijke uitgave die het ‘onderwatermysterie’ er alleen maar groter op maakt!

Paul Biegel mag gerust tot de reuzen van de Nederlandstalige jeugdliteratuur worden gerekend. Na zijn dood in 2006 hebben de uitgeverijen Lemniscaat en Holland terecht het plan opgevat om zijn werk opnieuw uit te geven: twintig titels, telkens voorzien van nieuwe illustraties. Het zopas verschenen Nachtverhaal is een van die titels. En niet een van de minste...In een oude villa woont een huiskabouter op zolder, in het poppenhuis waar de kinderen des huizes vroeger mee speelden. Hij vervult er de rol van butler of conciërge, elke nacht doet hij een ronde door het huis om te zien of alles wel in orde is. Er woont in dat huis immers enkel nog een oude grootmoeder. Op een stormachtige nacht krijgt kabouter bezoek van een fee met gekreukte vleugels. Een nogal existentiële en rebelse fee, die op zoek is naar wat volgens haar het leven de moeite waard maakt: trouwen, nakomelingen krijgen en dan de dood. Haar vurige wens om ‘een gewone sterveling’ te worden, deed haar in allerlei sprookjesachtige avonturen belanden. Avonturen die ze als een ware Sheherazade nacht na nacht aan de kabouter opdist, waardoor hij helemaal niet meer aan zijn nachtelijke rondes toekomt. Met alle gevolgen van dien...Wat maakt Biegel tot Biegel? Is het de trefzekere karaktertekening? Zoals van de huiskabouter die net als butler Stevens uit The Remains of the Day er nooit in slaagt zijn gevoelens voor de fee kenbaar te maken, met de daaraan verbonden tragiek én humor. De ongebreidelde fantasie en de epische adem? Biegels vermogen om telkens als de fee haar verhaal hervat je helemaal mee te nemen naar een fictieve feeërieke wereld, zo plastisch beschreven dat je net als de kabouter elke notie van tijd vergeet. De meesterlijke compositie, het vakkundig samenbrengen van meerdere verhaallijnen? Of de filosofische inslag en de verstilde emotie, wanneer de fee zich op het einde compleet onverwacht toch weet te verzoenen met haar lot. Allicht al deze en andere kwaliteiten samen maken dit boek tot een literair raspaard. Dat Biegels grandioze (nacht)verhalen hem nog lang onsterfelijk mogen maken.

Kansloze jonge levens, marginale gezinnen, tienerzwangerschappen en bedreigende volwassenen, het zijn thema’s die weer volop worden opgepikt in de nieuwe probleemromans voor jongeren. Tiffany Dop van Tjibbe Veldkamp heeft op het eerste gezicht alles in huis om zo’n tearjerker van formaat te worden. Een troosteloze Groningse achterbuurt met gore flatgebouwen, kinderen die de straat afschuimen en in linke zaakjes verstrikt raken, een moeder die als hoer aan de kost komt en ook nog de poen van haar drie kinderen (van onbestemde vaders) probeert af te luizen. Melige zieligheid is - gelukkig maar - niet aan Veldkamp besteed. Hij heeft een patent op een eigenzinnige mengeling van absurde humor, vreemde gedachtekronkels en verrassende ontroering. In economische, krachtige zinnen en een authentieke vertelstijl doet hij zijn bizarre verhaal. In een ieder-voor-zich-wereld van frikadellen, sigaretten, porno en hangjongeren staat Tiffany Dop, dertien en bijgenaamd ‘bats veur de kop’ als een onaantastbare rots in de branding haar mannetje. Nuchter registreert ze het uitzichtloze universum waarin ze probeert te overleven. Op een dag neemt ze een kloek besluit, dat haar leven drastisch moet veranderen: “Ik trok de deur van de flat achter me dicht en dacht: als ik straks thuiskom ben ik zwanger.” Door een toevallig contact met een schattig kindje ontdekte ze een andere Tiffany Dop: “Ik wilde zijn zoals ik was met een kindje. Lief, zorgzaam en geduldig. Het ging om mij.” Dat daar ook seks voor nodig is, vindt ze een noodzakelijk kwaad. De zoektocht naar een donor is ronduit hilarisch. Met haar naïeve voorkennis uit pornoblaadjes en -dvd’s en een paar bizarre criteria (“een slappe man, zonder haast”) hoopt ze de zaak snel te klaren. Haar pogingen lopen op niets uit, maar ten slotte vindt ze toch, via een hoop omwegen, ‘haar nieuwe zelf’. En die ziet er hoopgevend uit. Een aangrijpend en hoogst origineel tienerportret.

Het is 1972. Een hete zomer in Blankenberge, een morsige afgeschreven camping met het afgebladderde opschrift Zomerz, de Tour de France en radio Veronica op de achtergrond, macramé, tofoe, hasj, henna en patchoeli en rode Baghwankleren overal, een krakkemikkige volkswagenbus, flauwe moppen en een hippiecommune op zijn retour. Een verrassend decor voor een coming-of-ageroman van vandaag. En het werkt. Joyce is vijftien, en kijkt meewarig en van op een afstand naar haar door de jaren heen sterk uitgedunde ‘familie’. Haar moeder Angela, ooit de bezielster van de hippe gemeenschap, blijft tegen beter weten in geloven in “leven in harmonie, (...) leven van de liefde, de kunst, het samenzijn en deinend op het ritme van de seizoenen.” Met Angela’s veel jongere vriend Benny, een loser en duidelijk in duistere drugszaken verwikkeld, kan ze het niet vinden. Haar enige kompaan is Abilash, met zijn eindeloze grappen en zijn vaderlijke affectie. Ze wil dit jaar geen landerige slenterzomer. Dat staat vast. Bovendien voelt ze zich vervreemden van het zootje ongeregeld, “als een jas die niet meer past”. Met de keuze van een nieuwe, doodgewone naam, en het besluit haar moeder niet langer bij de voornaam te noemen stelt ze haar eerste verzetsdaad. Met Jef Geeraerts’ Black Venus en de ontmoeting met Arnaud gaat ze ook de liefde en haar seksuele verlangens exploreren. Niets wordt meer als het was. Kristien Dieltiens koos met deze boeiende roman resoluut voor een nieuwe stijl. In korte, afgemeten zinnen, overtuigende beelden en geloofwaardige dialogen creëert ze een intrigerende sfeer en bouwt ze zorgvuldig een broeierige spanning op. De steeds opduikende duinkonijnen met de holle ogen vormen een ingenieus bedachte constante door het boek heen. De hele tijdsgeest wordt voor elk hoofdstuk geïllustreerd met relevante krantenknipsels. Een indrukwekkende roman.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234