Vrijdag 06/12/2019

Thuis is waar mijn toren staat

'Je kunt die straal van licht voelen als een hartslag', zegt de Spaanse Aramendia. Voor de wachters is de vuurtoren bedienen meer dan een job. Het is een manier van leven. Een leven dat in deze moderne tijden niet meer is wat het was. Maar de eenzaamheid, die blijft.

De toren is hun thuis, hun leven, en vaak hun hele wereld. Hun partner is de zee. Ze spreken met de regen, met de wind, en met de golven. Sommigen drinken, sommigen drinken te veel. Anderen zijn geheelonthouder. Er zijn er die geloven in God, en er zijn er die niet meer geloven in de mensheid.

Ze hebben het licht in hun handen. Een licht, dat zelfs in deze moderne tijden nog altijd de harten raakt van al wie naar zee gaat.

Het is maar een kleine groep van mannen en vrouwen, elk uniek op hun eigen manier. Ze zijn de laatste van de vuurtorenwachters. Ik heb hen ontmoet in Frankrijk, Engeland, Spanje, Kroatië. Ze hebben elk hun eigen verhaal en hun eigen redenen om dit werk te doen. En toch delen ze allemaal een gevoel: ze zijn enorm trots op hun vuurtorens, het is bijna een obsessie.

Een vuurtoren is, bijna per definitie, een vast punt, een baken van onveranderlijkheid. Zelfs in Kroatië, waar de grond onder zijn fundamenten al drie keer van nationaliteit is veranderd in evenveel generaties. Jure Kvinta is wachter van de Struga-vuurtoren (aan het Adriatische eiland Lastovo), en de zoon en kleinzoon van de voormalige Struga-vuurtorenwachters. "In de dagen van mijn grootvader", zegt hij, "was dit een deel van Italië. Toen mijn vader hier werkte was het Joegoslavië. En vandaag is het Kroatië. Wie weet wat het in de toekomst wordt, als we op deze manier doorgaan."

De stenen vuurtoren daarentegen staat al meer dan 170 jaar onverstoorbaar op de rand van de klif uit te kijken over zee. De ingenieurs die hem bouwden waren Oostenrijkse Hongaren. Kvinta is nu 50 en woont er meer dan twintig jaar. Vuurtorenwachter worden is geen keuze in zijn familie. Het is eerder een lot, zo zegt hij zelf. Het is ook een geluk, gezien de hoge werkloosheid op het eiland.

Kvinta is zijn lot niet slechtgezind, het lijkt te passen bij zijn karakter. "Als jongeman voer ik in de koopvaardij", zegt hij. "Ik reisde de hele wereld rond, maar de chaos van de stad kon ik niet verdragen. Zodra ik in de haven was aangekomen, kon ik niet wachten om weer te gaan varen. Ik had de eenzaamheid van de zee nodig."

Op Struga heeft hij alle eenzaamheid die een man zich kan wensen - of verdragen. Al jaren deelt hij zijn drie kamers met niemand anders dan een hond. Naar de stad gaat hij alleen om koffie en sigaretten te kopen. Voor de rest is hij zelfvoorzienend. Hij kweekt en maakt alles zelf, van groenten tot wijn en grappa (die hij begint te drinken bij het ontbijt). Voor vlees jaagt hij op wilde konijnen. En het beste van alles, zegt hij: "Niemand vertelt me hoe ik me moet kleden als ik naar mijn werk ga."

In het Verenigd Koninkrijk blijft het werk van de vuurtorenwachters een manier van leven, ook al bedienen ze de torens technisch gezien niet meer. "Ik wist waar ik aan begon toen ik koos voor mijn werk", zegt Keith Seaman, nu de begeleider (de rol van 'wachter' stierf uit in 1997, met de automatisering van de laatste vuurtoren in Groot-Brittannië) op de Southwold-vuurtoren, aan de kust van Suffolk. "Mijn grootvader, de vuurtorenwachter op de Scilly-eilanden, vertelde me altijd hoe hij ooit werd gestraft voor een gevecht met zijn medebewoner." Hoe ze het in 's hemelsnaam in het Trinity House in Londen (de overheidsinstantie die sinds 1836 alle Britse vuurtorens beheert) te weten kwamen dat twee wachters kibbelden op een rots in zee, enkele mijlen van de kust? Ze schreven er zelf over, in onderling overleg, in het dagboek dat ze elke dag verplicht moesten invullen. Met andere woorden: ze werden vrijwillig gestraft.

Larry Walker vertelde me een soortgelijk verhaal. De nu 70-jarige Larry bracht 40 jaar door als de wachter van niet minder dan 22 verschillende vuurtorens aan de Britse kust. We ontmoetten elkaar in Dorset, in de Portland Bill Lighthouse, de laatste in zijn carrière. Hij woonde er tot 1995 - toen de toren werd geautomatiseerd - en zal er voor blijven zorgen "tot de dood ons scheidt". Volgens Walker hielden Britse vuurtorenwachters er een spartaanse levenswijze op na. "Ik was nog een jongen toen ik naar de Bishop Rock Lighthouse werd gestuurd, op een rif bij de Scilly-eilanden", zegt hij. "Ik verbleef er telkens twee maanden - soms drie, als de helikopter er niet raakte door slecht weer. De vuurtoren werd bemand door twee personen, die in krappe ruimtes leefden. Je wassen deed je 's nachts in een emmer in het midden van de kamer, terwijl de andere wachter lag te slapen in het bed boven."

Overdag werd de kamer gebruikt om te koken of te lezen. Met andere woorden, om te leven en de tijd te doden. "Het toilet was op de gang buiten: een koperen emmer", zegt Larry. "Maar we moesten er te allen tijde behoorlijk uitzien: in uniform en geschoren."

Het kost veel mentale kracht om zo'n leven te leiden. Je moet kunnen omgaan met het alleen-zijn, anders staat er veel op het spel. "De medebewoner kon gevaarlijk worden. Hij kon je van de wenteltrap duwen, of van een rots in de zee en het op een ongeluk doen lijken. Ten minste een paar keer is dat echt gebeurd."

De Spaanse vuurtorenwachter, de farero, was ooit een zeer gerespecteerde figuur, vooral in het uiterste noordwesten, waar de rotsen van Galicië een woeste oceaan het hoofd bieden. Vuurtorenwachters waren hier, dankzij hun opleiding, vaak de enigen die konden lezen en schrijven. Vandaar dat ze in sommige dorpen tegelijk ook de lokale schoolmeester werden.

Maar vandaag is in Spanje, net als in het Verenigd Koninkrijk, de farero een bedreigde soort, die soms verkeerd begrepen wordt, maar altijd verafgood in de collectieve verbeelding. "Enige tijd geleden", zegt Elena Aramendia (50), wachter van de San Ciprian-vuurtoren, "was er op tv een reclamespot voor Nescafé. Het centrale personage was een vreselijke karikatuur van een farero, met de hoed van een zeeman, baard en pijp. Het deed me zo veel verdriet, want dat stereotype had niets te maken met onze moderne baan met elektronische vuurtorens. Er werd enkel teruggeblikt op de dagen toen je een paar keer per nacht naar boven moest klimmen om te controleren of de acetyleenlamp nog brandde. "Trouwens", voegt ze eraan toe, "ik drink niet eens koffie."

Aramendia is een van de weinige vrouwelijke wachters in Spanje. "In 1988 woonde ik in Madrid, waar ik geboren ben", zegt ze. "Ik hield van het nachtleven en de grote stad. Maar ik studeerde niet en had geen baan. Mijn oom was farero geworden om te ontsnappen aan de chaos van de stad. Op een dag zei hij: 'Waarom doe jij het ook niet?'" Nu leeft Aramendia al bijna 25 jaar onder aan de vuurtoren op de rots, en ze wil "voor geen geld van de wereld" terug naar Madrid.

"In de loop der jaren is de vuurtoren een deel van mij geworden", zegt ze, waarmee ze herhaalt wat haar collega's elders in Europa me vertelden. "Ik heb hem vaak herschilderd. Ik maak hem elke dag schoon, en na een tijd kreeg ik er gevoelens voor. Soms word ik wakker in het midden van de nacht en controleer ik of hij aanstaat. En dan denk ik altijd aan wat ik een zeeman ooit hoorde zeggen. Wanneer je na een maand op zee terugkeert en de vuurtoren ziet, zelfs als de gps al heeft bevestigd waar je bent, dan kun je die straal van licht voelen als een hartslag. Het is een zwakte van de mens: we denken graag denken dat objecten een hart hebben. Maar een gps zal er nooit een hebben."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234