Woensdag 12/08/2020

THUIS / 2

'Die eerste jaren terug in Zwijnaarde waren verschrikkelijk, met buren die van achter hun gordijnen álles zagen. Ik zou op mijn knieën teruggekeerd zijn naar Schaarbeek'

Stijf gestreken staat hij, in uniform. Het is lente of zomer. Dat zie je aan de vrouw naast hem. Ze draagt een lichte jurk. Ze zijn zeven jaar getrouwd. Op de voorgrond staat hun eersteling, het zusje is voor de foto uit de kinderwagen getild. Groeipijnen al, en er moeten er nog drie volgen. Alles zwart-wit, en toch voel je de kleur. Schaarbeek, Square Ambiorix, 1958.

Ze wentelen mee om met het land, het jonge gezin op de foto. België blinkt, zoals de bollen van het Atomium. Ze hebben de toekomst, Marcel en Denise. Tot 1956 was hun thuis het dorp. Zijn horizon was de toonbank van een bollenwinkel in Zwijnaarde, de hare een toog van een café in De Pinte. Daar op het platteland herkenden ze de toekomst niet eens als ze voor de deur stond. Op een dag stapte een handelsreiziger het café binnen, met een nieuw drankje. "Mijn broer moest het proeven", zegt Denise. "Het was zwart en het smaakte vies, naar medicijn. 'Buiten ermee', zei mijn moeder." Het drankje zou de wereld veroveren onder de naam Coca-Cola.

Acht jaar woon ik nu in Schaarbeek, twee keer heb ik Marcel en Denise over de vloer gehad. Het is een hele expeditie om ze van Heist-aan-Zee, waar ze sinds 1993 wonen, naar de grootstad te halen. Alles moet kalmpjes aan. Je krijgt ze slechts na veel aandringen in een auto. Lukt het toch, dan sta je al na een korte tocht stijf van de stress. 'Pas op, een tegenligger!', 'Pas op, een zebrapad!', 'Pas op, het leven!'.

Groot was mijn verbazing toen ze bij hun eerste bezoek een tochtje wilden maken met de auto. Daar zaten ze op de achterbank, ze gidsten mij door straten die ik na twee jaar Schaarbeek zelfs niet bij naam kende. "Stop!", beval Marcel mij met een natuurlijk ouderlijk gezag voor een huis in de buurt van het Vaderlandsplein, dat hij en Denise nooit anders dan als Place de la Patrie hebben gekend. "Hier hebben we gewoond." Hij liep naar de voordeur en spelde de namen op de bel. Veertig jaar na datum. Veel Pavlovski en Sebbahi, maar geen Beulemans. Veel Mohammed en Ali, maar geen Léonard (spreek uit: léonáár). Léonard was hun beste vriend toen ze in Schaarbeek woonden.

"Als ik van de legerkazerne op het Daillyplein naar huis probeerde te wandelen, riep Léonard, een oorlogsinvalide, mij altijd het café binnen", zegt Marcel. "Ik moest hem naar huis brengen. Dan durfde zijn vrouw niet te kijven, want ik was toch een fatsoenlijke jongen?" En als Marcel thuiskwam, durfde ook Denise niet te kijven want er zaten twee kaartjes voor de Expo in zijn niet langer stijf gestreken uniform.

"De dag dat Marcel sergeant werd, ging hij zich gaan tonen aan Léonard en zijn vrouw, als een plechtige communicant", zegt Denise. "Léonard en zijn vrouw stonden op het balkon en toen Marcel de straat overstak, passeerde er een gewone soldaat. Die salueerde."

"'Laat maar', zei ik", zegt Marcel. "'Ik blijf soldaat zoals gij.'"

"En toen hij thuiskwam, stond zijn kepie op halfzes."

"Komkom", zegt hij. Dat ze niet moet overdrijven, Denise.

"Komkom", zegt zij. Dat hij niet zo'n betweter moet willen zijn, Marcel.

Al een halve eeuw vindt hij dat zij overdrijft, en zij dat hij het altijd beter weet. En ze weten het beiden best.

Hoe ze opleefden in Brussel, weg van het dorp. "We gingen naar de Folies Bergères, zoiets als de Moulin Rouge maar dan braver. En met Christiaan, onze oudste die nu in Canada woont, naar de cinema, naar La Belle Dormante, want er waren geen films in het Vlaams. Wij maakten daar geen punt van. Ieder zijn zin."

"Je had ze wel", zegt Marcel. "Ook in het leger toen: Vlaamsgezinden. Ik vond het al goed als ze tegen mij gebroken Vlaams spraken. Al heb ook ik ooit eens geweigerd om een Franstalige brief te ondertekenen van een overste. Ik ben er nooit voor op de vingers getikt."

Roger Nols, de man die in 1971 in het stadhuis van Schaarbeek een apart loket voor de 'Vlamingen' zou openen, was op dat moment een jonge, veelbelovende francofone politicus. Hij gruwde van het Vlaamse opschrift 'Gemaetigheid' in het glas-in-loodraam dat het kantoor van de burgemeester verduistert, in het stadhuis dat werd opgetrokken door Vlaming Jules Jacques Van Ysendijck. Nols, de man die in zijn ergste nachtmerries het AVV-VVK in Brussel zag verschijnen. En nog later verzen uit de koran.

"Ver voor onze tijd", zeggen Marcel en Denise. Hun 'Schaarbeekse jaren', 1956-1961, vielen samen met veel bewogen politieke geschiedenis. Er was niet alleen de Vlaamse kwestie, maar ook de schoolstrijd, de Kongo en de stakingen tegen de Eenheidswet van Gaston Eyskens. "Weinig van gemerkt", zegt Marcel. "Ook niet bij ons in de kazerne. De enige ambras was die tussen kaki's, lucht- en landmacht.

"Kongo, ja, dat heb ik gemerkt. Ik wilde naar Kongo", zegt Marcel. "Waarom? Omdat een dienstjaar daar dubbel telde. De kolonel riep mij bij hem en zei: 'Marcel, gij moogt naar Kongo vertrekken, maar voor uw vrouw is het te gevaarlijk.' En dus zijn we nooit vertrokken."

Ik heb ze het afgelopen jaar zo vaak gezien: de Vlamingen die denken dat ze niet aan politiek doen, maar politiek zijn. Ook Marcel en Denise, ze wisten of weten niet dat de Expo '58 een godsgeschenk was voor toenmalig premier Theo Lefèvre, want het leidde de aandacht af van het tumult over de taalgrens. Ze hielden zich afzijdig. Ze deden gewoon wat mensen doen. Zich amuseren, of dan toch proberen. Hij al meer dan zij. "Toen ons oudste dochter geboren werd, ging Denise naar Gent, bij de familie. Ik was alleen in Brussel, zette met de zoon van Léonard, Marnix, de bloemetjes buiten in café Vrolijk België."

"Hij trok zijn plan, dat wel", zegt Denise. "Hij sloeg groenten in en at tien dagen hutsepot."

En hij voetbalde, Marcel. Bezeten achter die bal aan, op het terrein van Union Sportive Schaarbeek. En op zondagnamiddag met Denise en Christiaan op de Reyerslaan, "op de plek waar nu de televisie is".

"Eén keer, de enigste keer in mijn leven, ben ik naar Anderlecht gaan kijken", zegt Marcel.

"Net op het moment dat Christiaan een lelijke val maakte en naar het ziekenhuis moest", zegt Denise.

"Ze hebben het toen omgeroepen in het stadion", zegt Marcel.

"Maar hij heeft het niet gehoord", zegt Denise.

"Ik ben daarna wel direct op de tram gesprongen", zegt Marcel.

"Komkom."

Denise heeft in haar hele leven enkele weken 'op een ander dan thuis' gewerkt. "In een pedalenfabriek, en daarna nog enkele weken in een naai-atelier. En toen stond Marcel mij op een dag op te wachten, met een huilende Christiaan. 'Denise', zei Marcel. 'Blijf alstublieft thuis. De kleine wil niet meer naar de kinderopvang.'"

In 1961 stonden ze met hun koffers terug in Zwijnaarde. "Ik kon in de kazerne van Gavere gaan werken, dicht bij Zwijnaarde. Ik moest er geen twee keer over nadenken."

Denise wel, als ze had mogen nadenken. Marcel besliste. En hij had zijn redenen. "Het was plezant in Brussel, maar ook ver van huis. Na elk bezoek aan mijn moeder zei ze: 'God weet of ik u nog terug zie.' En ze is inderdaad in Zwijnaarde gestorven toen ik in Brussel was."

"Het verschil was groot", zegt Denise een halve eeuw later. "Als je nooit in Brussel gewoond hebt, ben je overal tevreden. Maar als je die stad gezien hebt... Ik had er best nog tien jaar willen wonen. Ik wilde niet terug naar het dorp eigenlijk. Die eerste jaren terug in Zwijnaarde waren verschrikkelijk, met buren die van achter hun gordijnen álles zagen. Ik zou op mijn knieën teruggekeerd zijn naar Schaarbeek."

"Komkom."

Ze monkelen, een halve eeuw later. Want het fijnste aan Brussel was dat ze na twintig jaar dorpsheid af waren van dwingende ogen. Geen ouders of schoonouders om hen te bemoederen. En al liggen die ouders en schoonouders ondertussen allang onder de zoden, ze durven het nog altijd niet hardop te zeggen. Dat hun Schaarbeekse jaren de gelukkigste van hun leven waren.

"Ach, het leed is geleden. In 1993 zijn we naar zee verhuisd. Nooit zouden we nog terug willen naar Zwijnaarde. Hier zijn we goed, hier blijven we. Het is een beetje Brussel, zoals het toen was. Er is veel te doen, veel passage, en toch ben je op je gemak. We zijn thuis, enfin. En we hebben de zee, altijd een beetje vakantie. Voor de tijd die ons nog rest."

Marcel en Denise waren jonger dan ik in 'hun Schaarbeekse jaren'. Ze waren twintigers. Hun verblijf in Schaarbeek was een zucht. Een vijftiende van hun hele leven tot nu toe.

Marcel is er nu zevenenzeventig. Volgend jaar mag hij geen Kuifje meer lezen. Als hij mij maar blijft lezen, denk ik, de reporter die hij op de wereld heeft gezet. De enige Rogiers die geen fatsoenlijke stiel geleerd heeft, die nu en dan lacht met koning en voetbal, en die te weinig gematigdheid kent.

De straat op jij, buiten ermee! Verder op zoek naar iets om over naar huis te schrijven. Filip Rogiers EINDE

Na een tocht langs de vele Dorpsstraten van Vlaanderen dook Filip Rogiers de grootstad in. Op zoek naar de achterkant van slogans, het leven achter stedelijke rapporten. Buurtpatrouille II, een stadskroniek zonder oogkleppen. Dit is de allerlaatste aflevering.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234