Zaterdag 16/10/2021

'Theo van Gogh heeft me het allervreselijkste toegewenst'

Ze was de laatste Nederlandse tv-figuur die ook in de Vlaamse huiskamers aanwezig was. Sonja Barend (76) is niet enkel een begrip, ze is een genre. En nu heeft ze een boek. Het is het verhaal van haar leven, waarin de zoektocht naar haar vader staat gebeiteld. Hij werd vermoord in Auschwitz toen zij twee was.

Daar zit je dan. In een leuke bar in Leuven, en de tranen rollen over je gezicht. De mensen zullen denken dat je net slecht nieuws gekregen hebt. Of gewoon dat je een aanstelster bent. Slecht nieuws was er niet vandaag. En je aanstellen in het openbaar probeer je ook al lang niet meer te doen, die tijd ligt achter je. Het is het boek dat je aan het lezen bent. Een boek dat het verhaal is van een leven. Dat over zulke grote dingen gaat, maar zo ingetogen is verteld, dat het moeiteloos zijn weg naar binnen weet te vinden.

Enkele dagen later druk je op een bel aan een voordeur in Amsterdam. Je hoort hakken naderen, en met een warme glimlach zwaait Sonja Barend de deur open. Ze ziet er prachtig uit. Donkerblauw truitje, zwart recht rokje, zwarte pumps, haar rode haren - die kleur heeft ze van haar moeder meegekregen - losjes opgestoken.

Over enkele dagen zal ze 77 worden. Hoewel. Haar verjaardag bestaat weer niet dit jaar. Omdat het opnieuw zo'n jaar is zonder schrikkeldag. Tot 2020 zal het duren voor Sonja Barend op 29 februari nog eens taart kan eten.

Maar haar geboortedag is niet de reden waarom je hier bent. Je ziet mij nooit meer terug is dat wel. Een kleine driehonderd pagina's, die tegelijkertijd haar debuut en haar memoires zijn. Twee jaar heeft ze eraan gewerkt.

Verwacht niet dat dit boek vooral over haar tv-carrière gaat. Aanvankelijk was dat wel de bedoeling. "Ik had de behoefte om na al die jaren op te schrijven waarom ik mijn werk op televisie heb gedaan zoals ik het heb gedaan. Maar dan realiseerde ik me dat ik alle uitzendingen van al die jaren opnieuw zou moeten bekijken als ik er goed over wilde schrijven. Daar had ik geen zin in. Het zou zo veel materiaal geweest zijn. En naar jezelf kijken is altijd een hopeloze ramp. Omdat ik niet met tegenzin maar met plezier aan dit boek wilde schrijven, heb ik dus beslist om mijn televisiewerk er maar een kleine rol in te laten spelen."

In het nawoord schrijft u: 'Als je een boek maakt over jezelf, moet je de gêne verliezen'. Wat bedoelt u daarmee?

Sonja Barend: "Aanvankelijk zat ik tijdens het schrijven altijd over mijn eigen schouder mee te kijken. Ik geneerde me voor wat ik wilde schrijven, en dus deed ik het niet. Of deed ik het toch, maar veel te slap. Ik moest de Sonja Barend die meelas dus wegkrijgen. Het heeft me veel moeite gekost. Uiteindelijk is het gelukt omdat ik dacht: ik ga het opschrijven zoals ik het wil, en later kan ik nog altijd beslissen of het erin blijft of niet. Dat kon. Ik had bewust geen contract getekend met de uitgeverij, omdat ik vrij wilde kunnen zijn om het boek al dan niet te laten verschijnen."

In Je ziet mij nooit meer terug vertelt Sonja Barend openlijk over wat ze tot nu toe altijd voor zichzelf had gehouden. Over de zoektocht naar haar familiegeschiedenis, en hoe ze heel langzaam enkele puzzelstukjes over haar vader krijgt aangereikt. Hoe ze pas rond haar tiende te weten komt dat de man van haar moeder niet haar vader is, en dat haar echte vader omgebracht werd toen zij twee was, in het concentratiekamp van Auschwitz. Hoe enkele maanden daarvoor twee Nederlandse mannen op een dag aan de voordeur hadden gestaan en haar vader hadden meegenomen, louter en alleen omdat hij Joods was.

"Terwijl ik aan het schrijven was, heb ik een heleboel imaginaire gesprekken gevoerd met mijn ouders. Vragen die ik had - en nog altijd heb - over die hele oorlogsgeschiedenis. Aan mijn vader heb ik die vragen nooit kunnen stellen, want hem heb ik nooit gekend. Aan mijn moeder had ik het wel kunnen vragen, maar ik heb het amper gedaan."

In uw leven, en dus ook in het boek, zoekt u voortdurend naar antwoorden. Uiteindelijk vindt u er enkele, maar een afgerond verhaal is het niet geworden.

"Nee, absoluut niet. Ik heb me daar wel iets meer bij neergelegd. Pas nu kan ik soms denken: dit is het, meer is er niet. Misschien komt dat door het schrijven van het boek. Je kunt natuurlijk altijd nog meer archieven gaan doorzoeken. Ongetwijfeld zullen die er zijn. En misschien zal ik door dit boek nog wel enkele tips over mijn vader krijgen. Maar het lijkt me sterk. Hij is in 1905 geboren, iedereen die hem heeft gekend is ondertussen wel zo'n beetje dood. Dat is in al die jaren best frustrerend geweest. Als ik al iemand vond die mijn vader had gekend, wisten ze niets meer te vertellen dan een vage anekdote, of waren ze net gestorven."

Wat u wel weet, is dat uw vader is gestorven in Auschwitz, waarschijnlijk in de gaskamer. Dat moet een beeld zijn dat u nooit meer uit uw hoofd krijgt.

"Ik weet niet zeker of hij vergast is, maar het is aannemelijk, omdat hij er maar heel kort is geweest, hooguit vier maanden. Ook de rest van zijn familie - zijn zussen, hun echtgenoten en mijn neefje - is in Auschwitz omgekomen, en ook van hen weet ik niet hoe hun tijd daar verlopen is. Ik weet zelfs niet of ze elkaar daar gezien hebben.

"En ja, dat beeld krijg je inderdaad nooit weg. Het is altijd aanwezig. Het vreemde is dat het nooit in mijn hoofd zou hebben gezeten als ik het nooit geweten had. Maar ik ben helemaal doortrokken van dat verhaal. Als ik vandaag beelden van vluchtelingen zie, van die kleine kinderen die kilometers door de sneeuw moeten lopen of maanden met hun voeten in de modder moeten zitten, dan kan ik alleen maar denken: hun hele verdere leven zal hierdoor bepaald zijn. Ze zullen dat altijd met zich meesjouwen. En het is verbijsterend om te zien hoe weinig compassie met die mensen bestaat."

De Jodenvervolging is een stuk geschiedenis dat iedereen kent, maar als je door de ogen van een dochter leest hoe ze haar vader nooit gekend heeft omdat hij is vergast, blijft het schokkend om te beseffen dat een grote groep mensen amper tachtig jaar geleden werd uitgemoord omdat ze tot een bepaalde groep behoorden. Parallellen trekken tussen de huidige tijd en de jaren 30 en 40 is populistisch, naar het schijnt, maar wat is uw mening daarover?

"Na de oorlog werd gezegd: 'Nooit meer Auschwitz'. Iedereen was er ook van overtuigd dat het nooit meer zou gebeuren. Maar die overtuiging heeft niet zo lang standgehouden. Groepen mensen die geviseerd worden, we moeten daar erg waakzaam voor blijven. En erover blijven praten.

"Neem nu de discussie over Zwarte Piet. Elk jaar laait die in Nederland op, en nu blijkbaar ook in Vlaanderen. Elk jaar zeggen een hoop Nederlanders dan dat ze het niet begrijpen, dat ze niemand kwaad doen, dat het altijd Zwarte Piet geweest is, dat zwarte mensen niet zo moeten zeuren.

"Maar het zijn bijna altijd blonde Hollanders met blauwe ogen die dat zeggen. Zij kunnen gewoon niet begrijpen wat het voor zwarte mensen betekent, omdat het henzelf nooit is overkomen om buitengesloten te worden. Stel je nu eens voor dat Zwarte Piet de karikatuur was van een Jood, met een grote, kromme neus. Dan zouden alle Joden daar - terecht - tegen in opstand komen. En opnieuw niet de groep die dat zelf nooit aan den lijve ondervonden heeft, vrees ik.

"Ik schrijf in mijn boek ook over Theo van Gogh (Nederlandse filmregisseur die bekend stond om zijn controversiële uitspraken over onder meer Joden en moslims, en die in 2004 op straat in Amsterdam vermoord werd, SMU). Nadat ik een klacht tegen hem had ingediend wegens antisemitisme, begon hij me brieven te sturen, waarin hij mij alle verschrikkelijke dingen toewenste waarmee de nazi's de Joden hebben omgebracht. Jarenlang heeft hij dat gedaan. Mensen uit zijn vriendenkring zeiden me dan dat hij het niet meende, dat het een hele lieve man was, dat hij alleen maar wilde provoceren. De koning van de vrije meningsuiting, zo noemden ze hem. En zo wordt hij nog altijd genoemd. Ik begrijp dat niet zo goed.

"Ik kan er ook echt niet bij dat zo'n grote groep mensen achter figuren als Trump en Wilders aan loopt. Hoe is het mogelijk? Als je drie minuten langer nadenkt, en je eigen boosheid even opzijzet, moet je toch beseffen dat de wereld er door hen niet op vooruit zal gaan? Dan vind ik het wel jammer dat ik geen tv-programma meer heb."

U kreeg vroeger al het verwijt dat u een activistische journaliste was, die subsidiegeld gebruikte om linkse ideeën te verkondigen op tv. Wat zou dat vandaag dan wel niet zijn?

(lacht) "Ja, de verwijten zouden er niet minder op geworden zijn, denk ik. Of ik de kritiek begrijp dat de journalistiek beheerst wordt door een links wereldbeeld? Ik heb helemaal niet het gevoel dat de linkse journalistiek de boventoon voert. Noch in de kranten, noch op televisie. Ik heb ook niet het gevoel dat die grote groep boze mensen nooit aan bod komt. Ik zie ze namelijk voortdurend. Je zet de televisie nog maar aan, of daar zijn ze weer. Je kunt de krant niet meer openslaan zonder dat ze een forum krijgen of je geconfronteerd wordt met het boosaardige getwitter van Wilders. Iedereen schrijft het op en laat het zien, dus hoezo komen die meningen niet aan bod? Ik begrijp wel dat het verwijt wordt gemaakt, omdat het nu eenmaal een prettig en makkelijk verwijt is om te maken, maar het slaat nergens op."

Laten we het even over uw moeder hebben. Meer dan veertig jaar lang is het uw job geweest om vragen te stellen opdat de mensen hun ziel op tafel zouden leggen, maar met uw eigen moeder is dat nooit gelukt.

"Ik heb het wel verschillende keren geprobeerd. Maar ook niet echt. Om haar te sparen. Ik wilde haar geen pijn doen of voor het blok zetten. Tegelijk wilde ik wel weten hoe haar verleden met mijn vader in elkaar zat. En ik vind ook dat ik het recht had om dat te weten. Ze had het mij moeten vertellen. Dat heeft ze niet gedaan.

"Je kunt niet genoeg met elkaar praten, vind ik. Dat heb ik zo hard gemerkt in de programma's die ik maakte. Ik kreeg mensen bij mij aan tafel die op televisie wel persoonlijke zaken wilden vertellen, soms heel intieme zaken, terwijl ze daar met hun familie of hun vrienden nooit over hadden durven te spreken. Als we hen achteraf opbelden om te vragen hoe het met hen ging, zeiden ze meestal: 'Ik ben zo bang geweest. Ik dacht dat ik niet meer op straat zou durven te komen, of een brood zou durven te kopen, maar iedereen reageert zo aardig en positief.'

"Met mijn moeder is dat praten dus nooit gelukt, nee. Ik verwijt het mezelf meer dan dat ik het haar verwijt. Want ik had het zo makkelijk kunnen doen. Iedere week kwam ik op maandagavond bij haar, en zaten we zoals wij nu zitten, met kopjes koffie en thee en taart. Maar ik kon het niet. Of als het me toch eens lukte, kreeg ik heel onbevredigende antwoorden. Dan zei ze ofwel dat het te lang geleden was, ofwel vertelde ze een vage anekdote over vroeger waar ik eigenlijk niks aan had."

U hebt uw moeder willen sparen, zegt u, maar had uw moeder u niet moeten sparen?

"Dat heeft ze op haar manier wel gedaan. Door er altijd voor te zorgen dat de kachel brandde. Maar niet door haar mond open te doen. Misschien uit angst dat het verkeerd zou lopen. Dat ik kwaad zou worden. Of zou gaan huilen. Wat ik mezelf het meest verwijt, is dat ik haar geen vertrouwen heb kunnen geven. Dat kon ik wel in mijn programma's.

"Mensen vertelden alles aan mij. Nu soms nog, trouwens, terwijl ik bijvoorbeeld op de tram aan het wachten ben. Maar mijn eigen moeder is de grote uitzondering geweest."

U schrijft ook heel open over uw eigen moederschap. Toen u en uw tweede man verliefd werden, kreeg u er ineens drie stiefkinderen bij. Uit het boek blijkt dat de band tussen jullie heel innig en warm is, maar eigen kinderen hebt u nooit gehad. Bent u daarmee in het reine gekomen?

"Omdat ik nooit met grote vreugde heb teruggekeken op mijn kindertijd, wilde ik het zelf anders doen. Mijn eigen moederschap moest aan veel voorwaarden doen. Maar er was altijd wel iets waardoor de situatie niet perfect genoeg was, vond ik. Ik ontmoette mijn huidige man vlak voor mijn 41ste verjaardag. Tegen de tijd dat je iets hebt opgebouwd, ben je drie of vier jaar verder, en toen was een eigen kind niet meer aan de orde. Zijn kinderen zijn intussen ook wel mijn kinderen geworden. En ik ben ook hun moeder geworden. We zijn daar altijd enorm voorzichtig mee omgesprongen, maar zo is het wel gegroeid.

"Ik ben nooit een vrouw geweest die een kind moést en zoú hebben. Spijt heb ik dus nooit gehad. Het enige wat ik me wel eens afvraag, is of het heel anders voelt om van een bloedeigen kind te houden. Als mens ken je een heel scala aan emoties, van woede tot verdriet tot vreugde en liefde, maar die specifieke emotie zal ik nooit kennen.

"Weet je wat ik trouwens wel vreemd vind? Dat aan mensen zonder kinderen altijd wordt gevraagd waarom ze er geen hebben, en aan mensen mét kinderen nooit waarom ze er wel hebben. Daar moet je toch lang over hebben nagedacht? Je moet toch minstens enkele grondige redenen hebben om het te doen? En toch is dat blijkbaar veel vanzelfsprekender dan andersom. Ik begrijp het niet."

Tien jaar geleden bent u gestopt met werken. Als u terugkijkt op uw carrière, zou u dan nu precies hetzelfde doen, mocht dat kunnen?

"Absoluut. Ik was 26 toen ik begon in de televisiewereld. En het is echt heerlijk geweest. De mogelijkheid om met iedereen te praten, om het over alle soorten van onderwerpen te hebben, dat is fantastisch geweest.

"Iedere keer begonnen we met het idee dat we het mooiste programma gingen maken dat er ooit gemaakt zou zijn, met het beste gesprek dat ooit gevoerd was, waarover de mensen nog lang zouden napraten. Maar hét ultieme gesprek voeren met iemand lukt je slechts enkele keren. Soms zie ik nu op tv nog wel eens een heel mooi gesprek, en denk ik: dat zou ik zelf ook wel gemaakt willen hebben. Omdat het inhoudelijk interessant is, en omdat de mensen erover napraten. Daar ging het bij ons ook om. We maakten weliswaar een amusementsprogramma voor een groot publiek, maar het moest wel ergens over gaan."

Mist u de schijnwerpers en het publiek?

"Nee, helemaal niet. Gek, hè? Ik heb het gehad, het is geweldig geweest, maar er is geen seconde per dag dat ik me onbehaaglijk voel omdat ik er naar blijf verlangen. Wellicht omdat ik er zelf voor gekozen heb om te stoppen. Er zijn collega's op tv die niet kunnen ophouden. Toch stop je best zelf voor ze dat in jouw plaats beslissen. Want dat moet erg zijn."

In uw boek vertelt u ook heel openhartig over uw gezondheid. U hebt vier keer kanker overleefd. Dat is nogal wat. Mag ik vragen hoe het nu met uw gezondheid gaat?

"Ik denk goed, maar zeker weten doe je het nooit. Het is wel wat geweest, ja. Niet simpel. Vooral niet in de tijd dat ik nog werkte. Hoewel, eigenlijk had ik bijna altijd iets in de vakantie. En toen ik pas opgehouden was met werken, kreeg ik longkanker. Totaal onverwacht. Het is toevallig ontdekt. Anders was ik allang dood geweest. 'U hebt een vlekje op uw long', zeiden ze me. Toen dacht ik echt dat ik niet meer lang zou leven. Het gekke van kanker is... Ik voelde me helemaal niet ziek. De behandeling, die voel je wel, daar word je wél doodziek van."

Bent u bang voor de dood?

"Nee. Wel om langzaam dood te gaan. Als je zo vaak kanker hebt gehad, word je bang voor die zware behandelingen. Ik vraag me ook af hoe zinvol het is om op die manier nog een maand uitstel te krijgen. Ik begrijp wel dat je ieder uur wilt meepakken dat je nog kunt meepakken, dus ik weet niet hoe sterk ik zelf zou zijn om het te weigeren als het niet meer levensreddend is, maar eigenlijk moet je dat niet willen.

"We hebben een huisje in Zuid-Frankrijk, vlak bij de Ventoux, en als we daar zijn, kijk ik vaak naar een boom die daar in ons zicht staat. Mijn geliefde boom. En dan denk ik: die boom gaat mij overleven. Dat is toch raar. Of als ik hier in mijn huis zit, in deze heerlijke kamer bijvoorbeeld, waar ik zo ontzettend graag zit, dan denk ik soms: er leven nu al mensen die straks in dit huis zullen wonen. Maar die akelige gedachte probeer ik dan toch snel uit mijn hoofd te zetten. Ik wil namelijk vooral nog heel graag leven. Ik wil heel graag honderd worden met werkende hersenen. Kleine kinderen van nu gaan toch honderd worden, zegt men? Dat lijkt me fijn. Alleen ga je er zo lelijk uitzien als je oud bent."

Dat geldt toch zeker niet voor u. Wat trouwens opvalt in uw boek, is dat de liefde tussen u en uw man zo'n grote rol speelt. Het is alsof je zo'n romantisch sprookje krijgt te lezen waarin je eigenlijk niet meer durft te geloven. Maar het bestaat dus nog?

(glimlacht) "Het bestaat nog. Ik heb het boek inmiddels zelf ook wel zo'n tachtig keer herlezen, en ik heb me ook wel eens afgevraagd of ik het wel zo had moeten opschrijven, maar het is niet anders. Ik ben nu bijna 77, mijn man is 82, we zijn 36 jaar bij elkaar, en daar zijn we elke dag nog ontzettend blij mee.

"Natuurlijk zijn die 36 jaar niet zonder slag of stoot verlopen, en was het niet altijd even harmonieus. Maar er is wel altijd een grote onderlinge liefde en verstandhouding geweest. Dat ik mijn man ontmoet heb, is me eigenlijk overkomen. (glimlacht) Je kunt dus boffen in je leven. En ik heb enorm geboft. Maar je moet je geluk ook zelf een beetje maken.

"Weet je, het is ontzettend leuk om oud te zijn. Ik heb het nu veel meer naar mijn zin dan toen ik jong was. Mijn leven is altijd avontuurlijk en opwindend geweest, maar ik ben toch vooral heel tevreden over de afgelopen 36 jaar. Bij veertig begint het, hoor, neem het van mij aan. (lacht)

"Als ik nu terugkijk naar toen ik veertig was, denk ik: had ik toen maar geweten dat ik er zo mooi uitzag. Het is goed als je rond die leeftijd een beetje meer overtuigd van jezelf bent dan ik was. Dat je meer van jezelf houdt. Ik had een grote mond en ik was brutaal, maar tegelijk was ik ook erg onzeker. Nu ja, ik heb een hekel aan mensen aan wie de twijfel nooit knaagt. Vervelende mensen zijn dat.
"Ik heb ook lang gedacht dat we met ons programma niet zo'n wezenlijke invloed hadden. Dan kwam ik 's avonds thuis, en zei ik: 'Zo, we hebben de lucht weer een uurtje laten trillen'. Meer was het niet, dacht ik. Maar nu ben ik ervan overtuigd dat we wel enkele zandkorrels hebben verlegd. Dat merk ik trouwens nog elke dag. Ik ben nu precies tien jaar niet meer op televisie, en toch word ik nog bijna elke dag door iemand aangesproken over een bepaalde uitzending of een bepaald thema. Dat is toch wel heel bijzonder, vind ik."

Ze pookt even in het vuur. Liefst zou je willen blijven zitten hier, in dit warme huis, vlak bij de open haard waarin het hout gemoedelijk gloeit. Maar de trein naar België zal niet op je wachten. "Je hebt alleen maar twee kopjes koffie en een koekje genomen, moet je geen boterham?" Ze glimlacht. "En knoop je jas dicht, het is koud buiten."

Sonja Barend, Je ziet mij nooit meer terug, De Bezige Bij, 288 p., 19,99 euro

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234