Donderdag 25/02/2021

Thé Tjong Khing

U kreeg alle prijzen die een Nederlandse illustrator kan ambiëren. Is dit de ultieme bekroning?

“Ik geloof het wel. Deze is niet voor één boek, maar voor alles wat ik maakte, voor mijn hele oeuvre. Een beloning voor bewezen diensten. Dat méén ik letterlijk. Ik vind dat ik als illustrator een dienende rol speel. Ik moet een verhaal van een ander nog mooier maken. En ik dien de zogenaamde doelgroep, die andere, meer experimentele illustratoren wel eens uit het oog verliezen, vrees ik. Ik werk voor kinderen, niet voor mezelf of voor de ‘esthetiek’. Als kind las ik nooit boeken zonder plaatjes. Ik zat er urenlang naar te kijken en ik stelde me van alles bij die tekeningen voor. Dat is zo gebleven. Een verhaal moet beelden bij me oproepen. Ik moet er iets in kunnen zien. Het moet me beelden geven. Anders teken ik het niet. Vroeger was dat anders. Toen pakte ik alles aan. Ik moest het vak nog leren en ik moest ook nog eten. Nu ben ik kritischer. Ik kán ook niet alles, hoor. Zo veelzijdig ben ik niet. Auto’s bijvoorbeeld, niks voor mij. En gebouwen liggen me ook niet. Dat is me allemaal te realistisch. Er moet vooral fantasie aan te pas komen. Dan voel ik me prettiger.”

U kwam in 1956 als jonge man uit Java naar Nederland. Dat moet een cultuurschok zijn geweest? Hoe heeft u die overstap ervaren?

“Ik heb bewust alles achtergelaten in Indonesië. Een mooie tijd heb ik daar niet gehad. Ik kon daar geen kant op met mijn tekenaarsambities. Er werden geen boeken uitgegeven, laat staan geïllustreerd. Ik volgde wel even les op de tekenacademie in Bandung, maar meer dan een vluchtige kennismaking met grafiek en schilderkunst was het niet. Alleen mijn fascinatie voor de film heb ik meegebracht. In de bioscoop van mijn vader zat ik als jongen in het donker gretig te kijken naar Marlene Dietrich, Bette Davis en Joan Crawford. Eindeloos tekende ik ze na, die diva’s. Die beeldenbagage is me blijven inspireren in mijn werk. Eigenlijk heb ik alles uit de praktijk moeten leren. En ik heb ongelooflijk veel geluk gehad! Ik was nauwelijks een maand in Nederland en op een feestje ontmoette ik Tim Maran, een schrijver van kortverhalen. Meteen mocht ik zijn boeken illustreren. Zomaar! Stel je voor! Dat zou nu niet meer kunnen. Nu moet je al haast volmaakt zijn voor je begint. En ik had nog alles te leren... Ik had geluk. Ik was gezegend. Zou een mens iets moois kunnen opbouwen zonder geluk? Dat vraag ik me vaak af... Met talent alleen kom je er niet. De juiste mens op het juiste ogenblik ontmoeten, daar heeft het veel mee te maken. Met Marten Toonder was het niet anders. Ik kende Tompoes van de krant in Indonesië. De Kunstnijverheidsschool had ik intussen bekeken. Een baan wilde ik hebben. Even in het telefoonboek gezocht en de Toonderstudio gevonden. Toevallig - weer dat toeval! - zat die in Amsterdam. Ik ging hem opzoeken. Mijn tekeningen overtuigden hem niet meteen. Maar ik gaf niet op: een tafel, een stoel en een maand de tijd heb ik gevraagd. Hij hoefde me niet te betalen. Ik wilde het vak leren. Wonder boven wonder mocht het. Daar heb ik razendsnel geleerd: goed uit mijn ogen gekeken en hier en daar bijgesprongen. Toen de vreemdelingenpolitie erachter kwam dat ik niet meer studeerde - ik had een studievisum - moest ik terug naar Indonesië. Een nachtmerrie! Maar de studio stond garant voor mij. En zo kreeg ik een werkvisum. Weer geluk gehad...

“Ik heb heel lang strips getekend. Arman & Silva werd een hele reeks, die eerst in de krant verscheen. Die albums worden nu opnieuw uitgegeven. Maar dat eindeloze tekenen van steeds weer diezelfde figuurtjes, dat wordt op den duur behoorlijk saai, hoor. Je moet er echt wel een beetje gek voor zijn. Het is hard werken, ook.”

En toen kwam Miep Diekmann met een voorstel aanzetten en bent u de kinderboekenwereld in getuimeld?

“Miep Diekmann kende mijn strips en voor haar jeugdboek Total loss, weetjewel was ze in de jaren zeventig op zoek naar een illustrator met een eigentijdse look. Het werden dus tekeningen in stripstijl. Daarna vroeg ze me haar peuterversjes in Wiele wiele stap te illustreren. Ik had nog nooit voor kleuters getekend. Kinderen en poezen tekenen, dat realisme ook... een hele uitdaging. Ik heb er behoorlijk op gezwoegd, op die kleine zwart-witplaatjes. Dankzij Miep Diekmann ben ik illustrator geworden en gebleven. Ik kreeg steeds meer opdrachten van Querido. In die tijd maakte ik ook wel illustraties voor tijdschriften als Panorama, De Spiegel en de Katholieke illustratie. Die hadden allemaal kortverhalen, een beetje in navolging van de Saturday Evening Post. Maar boeken vond ik toch blijvender. Daar heb ik dan voor gekozen. Ik heb toen alweer veel geluk gehad!”

Uw oeuvre is enorm. Ruim honderd boeken met uw signatuur! Uw werk is bovendien aldoor in beweging. Het realistische Wiele wiele stap, het sprookjesachtige Kleine Sofie en Lange Wapper, en het geestige Vos en Haas lijken wel drie stilistische mijlpalen in uw werk. Klopt dat?

“(aarzelend) Het gekke is dat ik die evolutie niet zo in de gaten had. Mijlpalen zou ik die boeken niet noemen. Zo bekijk ik het niet. Ik ben voortdurend op zoek. Alles komt geleidelijk. Ik moet ontzettend veel proberen en nadenken voor het lukt, weet je. Kleine Sofie zat al voor een stuk in mijn vorige boeken, maar met nog een hoop ballast erbij. Die heb ik toen overboord gegooid. En dan bleek dat ik daar wilde uitkomen, bij die soberheid. Ik heb er twee jaar over gedaan. Els Pelgrom en ikzelf hadden in 1978 samen Goud gewonnen (Gouden Griffel en Gouden Penseel; AL). Toen vroeg ik haar een verhaal voor me te schrijven. Zo is het gekomen. Het moest een verhaal met veel afwisseling worden. Het werd een duistere reis. Erg dankbaar voor een illustrator. Ik moest schemering suggereren. Dan ben ik met streepjes gaan experimenteren. Zo kwam er weer wat nieuws uit de bus. We schreven en tekenden het helemaal samen. Of ik haar verhaal heb beïnvloed, weet ik niet. Ze vond dat mijn tekeningen haar verhaal veel erger maakten dan ze het eerst had bedacht. Ik heb iets met tragische geschiedenissen. Treurnis is leuker. Het ligt niet in mijn karakter, hoor! Die donkere kant vind ik gewoon heel aantrekkelijk om te tekenen.”

Heeft uw voorliefde voor sprookjes en mythes daar wat mee te maken? Die illustraties zien er vaak behoorlijk bangelijk uit. U lijkt ook wel een ‘royalty watcher’, met al die ritselende gekroonde hoofden en die prachtige paleizen.

“(lacht) Nee hoor, het hof daar heb ik niks mee. Het zijn die prachtige kleren, die me fascineren. Veel mooier dan wat wij aantrekken, vind ik. En paleizen hebben toch meer allure dan een flatgebouw. Ik kijk vaak in boeken over de renaissance. Daar pik ik alles van. Het gaat hem altijd om het beeld. Sprookjes hebben geen lieve plaatjes nodig. Mijn eigen sprookjes die ik voor mijn oudste kleinzoon herschreef en vereenvoudigde (De Sprookjesverteller; AL) illustreerde ik weer anders, wat laconieker, maar die duistere zijde heb ik er wel in gehouden. De tekeningen in dat boek zijn ook meer gestileerd. Dat hield ik over aan mijn illustraties bij de bewerkingen die Els Pelgrom maakte van Griekse mythen. Daarvoor ging ik Griekse vazen bestuderen. Ongelooflijk mooi zijn die! Daarbij vallen alle illustraties die ik bij die mythen ken in het niets. Heel onaangedaan, uitdrukkingsloos getekend zijn ze, die figuren zonder emoties, marionetten haast, maar zo welsprekend. Je kunt er alles zelf bij invullen. Dat was weer een ontdekking. Zo wil ik het voortaan doen. In mijn tekeningen voor Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede en in mijn prentenboeken zonder woorden (Waar is de taart? en Picknick met taart; AL) laat ik de expressie steeds meer van de lichaamstaal en de houdingen komen, dan van de gezichten. Die dommige vos en die haas zijn erg iconisch. Ze hebben geen mond, zag u dat?”

U heeft heel wat illustratoren in Vlaanderen en Nederland geïnspireerd met uw typische signatuur. Wie waren uw leermeesters?

“Een moeilijke vraag... Ik kijk niet zozeer naar illustratoren. Ik doorzie te veel de problemen waar ze mee worstelen. Eerder naar Matisse en Hockney. Dat zijn mijn grote goden. En ook naar Magritte. Niet dat ik ze imiteer, hoor, maar ze inspireren me heel erg. Die vrijheid van geest die uit hun werk straalt is geweldig. Als ik het even niet meer zie zitten bekijk ik hun tekeningen en schilderijen. Hoe die Matisse een boom maakt, bijvoorbeeld. Prachtig is dat! Ik heb thuis een reproductie van een zicht op Parijs dat hij maakte. Die patst daar een flatgebouw neer met drie vegen en een paar vlekken. Het kan hem niet schelen hoe het eruit ziet. Dat geeft me moed bij mijn geploeter. Heerlijk om me aan op te trekken en te blijven doorgaan.”

1933 Purworedjo, Java

l Kwam in 1956 naar Amsterdam.

lStudeerde aan de Kunstnijverheidsschool Amsterdam.

lWerd striptekenaar bij de Toonderstudio’s en illustrator van tijdschriften.

lDoceerde aan de Rietveld Academie.

lIllustreerde ruim honderd kinderboeken van Nederlandse en Vlaamse auteurs.

lKreeg o.m. drie Gouden Penselen (1978, Wiele wiele stap; 1985, Kleine Sofie en Lange Wapper; 2003, Het woordenboek van Vos en Haas) en de Woutertje Pieterse Prijs (2005, Waar is de taart?).

lBekroond met de Max Velthuijsprijs 2010 voor zijn hele oeuvre.

lWerd erg populair in Vlaanderen met zijn illustraties voor de Vos en Haas-boeken van Sylvia Vanden Heede en voor zijn prentenboeken zonder tekst.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234