Zondag 21/07/2019

The State of LanoyeOthello in tijden van postapartheid

Een globalistisch

uit zijn voegen meanderend

essay over kunst en politiek

1. VAN CAESAR TOT SOBUKWE De geoefende krantenlezer zal zich het volgende fait divers herinneren, waaraan mijn hele betoog is opgehangen zoals een nijlpaard aan een punaise: een paar maanden terug adviseerde een lerarencomité in de buurt van Johannesburg tot het zuiveren van de officiële leeslijst voor scholieren. Shakespeare was daarop van oudsher ruim vertegenwoordigd geweest. Zeker vergeleken met Vlaamse of Nederlandse leeslijsten. (Daar staat niet één verplicht toneelstuk op. Van Vondel, Claus óf Shakespeare. Maar dit terzijde.) Opeens echter vond het Johannesburgse lerarencomité Hamlet "niet optimistisch" genoeg en bovendien "weinig verheffend". King Lear zat vol "wanhoop" en "geweld", en op de koop toe was de plot "onwaarschijnlijk" en "belachelijk". En Julius Caesar dan! Regelrecht seksistisch want het propageerde machismo: "It elevates men." Een beschuldiging die des te pijnlijker klonk omdat net een overheidsfilmpje tegen groepsverkrachtingen was afgevoerd na de klacht van een paar beroemde sportlui. Hun bezwaar: "It breaks down men." Ofte: hoe in Hoogtijdagen van de Klaagcultuur zelfs De Man poseren kan, nog wel als een serieslachtoffer. De aanbeveling van het comité, dat overigens alleen provinciaal advies gaf, werd weggehoond, in eigen provincie en land nog sneller dan in de rest van de wereld. De officiële biograaf van Nelson Mandela, Anthony Sampson, legde in een stuk in The Observer uit hoe dat kwam. Samengevat komt het hierop neer. Tijdens hun Struggle vonden de antiapartheidshelden Shakespeare net zo belangrijk als Karl Marx, de koran of de bijbel. Ook nu, in the New South Africa, is het werk van de Grote Bard niet weg te denken uit de retoriek en de politiek van de geestelijke erfgenamen van Mandela, "(die nog steeds) in Shakespeare een inspiratiebron vinden voor hun strijd en medemenselijkheid ('their humanity')". Sampson staafde deze beweringen met een stortvloed aan feiten. Ik zal u met slechts een bloemlezing om de oren slaan. Reeds in 1944 besloot een groepje jonge zwarte politici, onder wie de kersverse advocaat Mandela, zijn nieuwe manifest voor het African National Congres (ANC) met dit citaat uit Julius Caesar: "Niet ons gesternte, beste Brutus, óns Treft alle schuld dat wij maar knechten zijn." Toen hem in 1964 de doodstraf boven het hoofd hing, antwoordde Mandela met een citaat uit de komedie Lik op stuk, zoals ik Measure for Measure hier zou willen vertalen: "Leef met de dood voor ogen, dan zijn dood En leven des te zoeter." Samen met Mandela zaten leden van alle verboden oppositiepartijen in hechtenis op Robbeneiland, voor de kust van Kaapstad, sommigen meer dan twintig jaar. De melting pot zelve leek er te zijn opgesloten: zwart, Indisch, coloured, blank, islamitisch, joods, Duits gereformeerd, communistisch, atheïstisch... Sommigen waren zelfs een fan van Barry Manilow. Hun respectieve moedertalen benaderden samen het dozijn. Desondanks vonden de gevangenen al die tijd, zo schrijft Sampson toch, in Shakespeare een gemeenschappelijke meester en medestander ("teacher and supporter"). Om de tijd te doden, de pijn na de dwangarbeid te lenigen en het geheugen te oefenen, citeerden ze lange en combattante passages, meestal alweer uit Julius Caesar maar natuurlijk ook uit Coriolanus en het onvermijdelijke Henry V. (Dat krijgszuchtige stripverhaal had tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de filmversie van Sir Laurence Olivier, Britse troepen en burgers al een hart onder de riem moeten steken. In een rammelend patriottisch vehikel dat ver achterbleef op Triumph des Willens, Leni Riefenstahls meesterwerk uit 1936. La Leni klopte Sir Laurence in cinematografische flair en zelfs in propagandistische effectiviteit, hoezeer de uitslag van de Tweede Wereldoorlog ook het tegendeel mag doen denken. Maar dit opnieuw terzijde.) Een van de Indische gevangenen op Robbeneiland, Sonny Venkatrathnam, hield achter kitscherig religieuze hindoeplaatjes een exemplaar verborgen van Shakespeares Verzamelde werken, waarin de belangrijkste gevangenen hun favoriete passage hadden aangekruist. Mandela's grote mentor, Walter Sisulu, koos een repliek van Shylock, de jood uit De koopman van Venetië: "Steeds heb ik het schokschouderend verdragen Want Lijden is van heel ons ras het brandmerk." Mandela zelf kruiste opnieuw iets aan uit Julius Caesar: "De lafbek sterft veelvuldig voor hij sterft, De held proeft één keer maar de smaak des doods. Mij kwamen al veel wonderen te ore Maar nooit sloegen ze dit: dat mensen bang zijn... Waarom? De dood, dat onafwendbaar einde, Komt toch wanneer hij komt." Toen Mandela in 1998 zijn tachtigste verjaardag vierde en aankondigde zich uit het presidentschap te zullen terugtrekken, plaagde opvolger Thabo Mbeki hem in zijn speech met een citaat uit King Lear, en hoe díe zich in alle rust had willen terugtrekken: "Vertelsels ophalend van lang geleden, Lachend naar vlinders van bladgoud en stakkers Aanhorend, met hun roddels van het hof." Zelf president geworden, liet Thabo Mbeki (een ex-banneling en oud-student van Sussex University) zelden na om ook zijn andere speeches te stofferen met een citaat uit het werk van the Big Bard. Hetzelfde geldt voor de huidige nationale minister van Onderwijs, Kader Asmal. Deze keerde zich dan ook, samen met president Mbeki, verontwaardigd tegen de Johannesburgse leraren, ook nadat hun advies reeds lang en breed was weggewuifd op het lokale niveau. Anthony Sampson schreef in The Observer niet verwonderd te zijn over deze demarche. Want, zo besloot hij zijn opsomming, "voor Zuid-Afrikanen staat het afwijzen van Shakespeare gelijk aan het afwijzen van een deel van hun eigen geschiedenis, en van (zelfs) hun eigen bijdrage aan de wereldcultuur". Die conclusie klinkt als een stoere, zelfs wat gezwollen geloofsbrief, overhandigd door de ANC-supporter die Sampson natuurlijk is. Maar het merkwaardige is dat een ANC-supporter en Mandela-biograaf met zo veel voorbeelden iets lijkt te moeten verdedigen, ja zelfs rechtzetten. En waarom laat die rechtzetting zo'n bitter smaakje na in de mond? Sampson verschaft ons, weliswaar onbedoeld, zelf het begin van een antwoord. "Mensen in alle landen en tijdperken", schrijft hij, "hebben gevonden wat ze wílden vinden in het werk van Shakespeare." Helaas ondergraaft hij zo zijn eigen stellingen over Mandela, Mbeki et les autres. Want wat betekent de politieke voorliefde nog voor een oeuvre, indien dat oeuvre om het even wat kan betekenen, voor om het even wie, waar ook ter wereld? En toch verklaart de alominzetbaarheid van Shakespeare waarom één relletje in een voorstad van Johannesburg dagenlang de internationale pers haalt. Voor de meesten heeft Shakespeare namelijk allang niets meer met literatuur te maken, en vooral niets met zijn eigen werk. Of men hem nu gelezen heeft of niet, Shakespeare is een logo dat het bezit van beschaving suggereert, zoals het drinken van een designdrank als Red Bull suggereert dat je kunt vliegen. Petroleum met prik? Daar krijg je vleugels van, zolang hij maar van het juiste merk is. Net zo is ook the Shake een vaantje geworden dat iedere parvenu kan laten wapperen naar de wind die hij zelf produceert. Een kosteloze zwangerschapstest voor de culturele kredietwaardigheid van burgers zonder boekenkast. In deze scherper gestelde vorm verleent Sampsons uitspraak ons alsnog het perfecte scalpel om een onschuldig ogend fait divers open te snijden en de walmende etter eronder vrije loop te geven. Want hier was meer aan de hand dan wat gratuit ginnegappen om de blunder van een stel schoolfrikken. Indien, zeg maar, in een voorstad van Londen een groepje leraren een eensluidend advies zou hebben gegeven als hun collega's in Johannesburg, zou dat net zo goed zijn weggelachen. Maar de lach zou wereldwijd anders hebben geklonken. Losser, guller. Minder vervuld van die merkwaardige cocktail van revanchisme en vrees die zo vaak onze berichtgeving over Afrika vergiftigt. Een leraar die op het zwarte continent voorstelt om Shakespeare te schrappen? Dat past in de verwachting van velen die niet op het zwarte continent leven. Hij past in hun beeld van het zwarte onderwijs, en hij past in hun beeld van de geheime vergeldingsagenda van álle zwarten. Tussen de regels van de conservatiefste kranten, zeker de Britse, stond te lezen: "Zie je wel? In voormalig Rhodesië laat Mugabe landerijen van blanken bezetten, en in buurland Zuid-Afrika kondigt zich nu hetzelfde aan. De eerste aanvalsgolf is begonnen! Die op onze cultuur, ónze Shakespeare." Er sijpelde zelfs een duistere tevredenheid tussen sommige regels vandaan: "Hebben we het niet gezegd? Negers zijn niet te vertrouwen, ook al citeren ze Romeo & Juliet waar je bij staat." Was het daarom dat zo weinig van onze kranten vermeldden dat op de wraaklijst ook boeken stonden van zwarte auteurs? Akkoord, dat ook een boek van Nobelprijswinnares en apartheidscriticaster Nadine Gordimer op de wraaklijst stond - dat werd wél gul meegegeven. Meestal niet zonder een toefje leedvermaak. Onverbloemd verwoord: "Dat zotte wijf had maar niet de verdediging op zich moeten nemen van die wildemannen. Eigen schuld, dikke bult." Hetzelfde viel moeilijk te suggereren van Sol Plaatje. Die is, behalve een zwart auteur, zowaar ook een van de stíchters van het ANC. Toch stond zijn roman Mhudi op de wraaklijst. Net als de wel heel toepasselijke verhalenbundel Fools van Njabulo Ndebele, nog wel de huidige vice-chancellor van de University of Capetown - een overwegend zwarte universiteit. Een pientere geest zou opwerpen dat Gordimer internationaal veel bekender is dan Plaatje of Ndebele, en dat zij dus vanzelfsprekend wél in de westerse media werd vermeld, en die twee andere niet. Een even pientere geest zou riposteren dat het tekenend is dat zij wél internationale bekendheid geniet, en die twee andere niet. Een derde geest zou besluiten dat dit feit nóg tekenender is: nu er zich eindelijk een gelegenheid voordeed om aan de toestand iets te veranderen, werd Gordimer wel vermeld, en die twee anderen weer niet. Men zou daar ingewikkelde hypotheses uit kunnen distilleren. Over internationale kunstpromotie annex literaire contracten, van Frankfurt tot Manhattan. Of over de censurerende dominantie van een heersende wereldtaal, die op zich het gevolg is van de economische dominantie van de blanke Angelsaks en zijn West-Europese neefjes. Allemaal hypotheses in de lijn van Cultuur en imperialisme, het standaardwerk van de Palestijn Edward Saïd. Maar voor ik hier - wellicht net als u - moet bekennen dat ik nog niet één boek heb gelezen of gekocht van Sol Plaatje of Njabulo Ndebele, en van Nadine Gordimer al méér dan een, zou ik ons gezwind weg willen voeren naar een vraag die mij beter uitkomt. Waarom werd, in de grootste zwarte handelsstad ter wereld, hoogstaand literair werk van zwarte auteurs door zwarte leraren ongeschikt geacht als leesvoer voor zwarte scholieren? Nog wel met de intentie het zelfbeeld en de emancipatie van die scholieren op te krikken? Dat klinkt even absurd als een Vlaamse school die leerlingen (om hun eigen bestwil!) verbiedt het werk te lezen van Jef Geeraerts, Pol Boon of Brusselmans. Dat is toch ondenkbaar! Zoiets is toch nooit gebeurd? Sampson suggereert aangaande het Johannesburgse comité een viertal verklaringen. In de eerste plaats verwijt hij de leraren "semi-geletterdheid en halfbakken opinies", eufemismen voor stompzinnigheid en onkunde. Hij acht die, waarschijnlijk terecht, doorslaggevender dan het tweede punt: de geestdrijverij der political correctness, onder welke vlag het comité beweerde te varen. Heel wat discutabeler echter klinkt Sampsons derde uitleg: "Het gebrek aan kennis van (en waardering voor) Engelse literatuur is een tragische erfenis van het (minderwaardige) Bantu-onderwijs (dat de apartheid oplegde aan alle zwarten)." Met andere woorden: die leraren zijn tien jaar na dato nog altijd slachtoffers van het apartheidsregime. Vandaar hun halfbakken opinies. Een grond van waarheid zal daar wel in schuilen maar mij riekt het te veel naar de praatjes waarmee élk vernieuwend regime ál zijn fouten blijft verwijten aan zijn voorgangers, desnoods decennialang. Bij ons doet paars-groen het nu al twee jaar. (Eén troost voor Guy Verhofstadt: ook Thabo Mbeki reageert met paranoïde verongelijktheid op iedere schijn van kritiek. Misschien moet hij Noël Slangen maar eens in de arm nemen. Die heeft voor een baan in Afrika alvast zijn familienaam mee, sinds het failliet van Bonanza heeft hij tijd zat, en dan zijn wij eindelijk van hem af.) Maar het is vooral Sampsons vierde verklaring die ons moet interesseren. Hij peilt, terloops maar afdoende, naar de politieke affiniteiten van de Johannesburgse leraren. U had die allang zelf geweten indien onze westerse commentatoren indertijd de moeite hadden genomen om zich de volgende vraag te stellen: waarom te deksel stond Macbeth niet op de Johannesburgse wraaklijst? Gezien de uitsluitingscriteria van het comité had Macbeth een ereplaats verdiend. We kunnen dat Schotse treurspel moeilijk "optimistischer" of "verheffender" noemen dan Hamlet. En vrij van "wanhoop of geweld" is het ook al niet - in geen ander stuk van Shakes- peare komt het woord "bloed" zo vaak voor. Om maar te zwijgen van de "onwaarschijnlijke plot"! Mag ik hem in een notendop wurmen? Op een mooie nacht en een mistige heide gelooft een Schotse oorlogsheld drie mottige toverkollen op hun heksenwoord: hij zal koning worden, wat er ook gebeurt! Door die ene warrige voorspelling laat hij zich met echtgenote en al verleiden tot moord op zijn vorst, zijn boezemvriend en een paar kerngezinnen, tot zijn eigen uitschakeling erop volgt... Wat een wreedaardig bijgeloof! Echt een sprookje uit Barbaars Afrika! Inclusief medicijnmannen, fetisjen en rituelen - als we tenminste uit het oog willen verliezen dat ook Scandinavische, Germaanse, Limburgse en Hollywood-sprookjes ongerijmde wreedheden niet uit de weg gaan, om van toverkollen en bokkenrijders maar te zwijgen... Maar terzake! Waarom stond Macbeth niet op die wraaklijst? Macbeth is sinds jaar en dag het favoriete stuk van de Zulu's. En sommige van de leraren uit het comité hadden op z'n minst Zulu-sympathieën. De Zulu's vormen een van de grootste zwarte bevolkingsgroepen in Zuid-Afrika. Ze hebben een sterk nationalistische traditie die zich maar al te vaak heeft verzet tegen het communistisch en centralistisch geïnspireerde ANC. Zulu's hebben een heus koningshuis en een nationalistische partij, Inkatha Freedom Party. De meeste mannen houden van optochten waarbij ze de toyi-toyi dansen, zingend en schijnvechtend, pronkend met hun onafscheidelijke traditionele wapenen - de korte assegaai en een klein schild bekleed met dierenhuid. Ze doen me, op de danspassen na natuurlijk, altijd denken aan onze extreem-nationalisten die, in onveranderlijke battledress en met een leeuwenschildje op de mouw genaaid, zo graag gingen marcheren in de Voerstreek. De grote vaderlandse held van de Zulu's heet niet August Borms maar Shaka, bloeddorstig alleenheerser over een immens Afrikaans rijk ten tijde van de voorlaatste kolonisatiegolf. Gewapend met alleen hun assegaai en hun kleine schild hakten de Zulu's toen menig goedbewapend Engels leger in de pan... Zoiets doet patriottische harten nog honderden jaren later lekker zwellen. En bijgevolg doen meedogenloze oorlogshelden het bij de Zulu's nog altijd even goed als, zeg maar, Henry V of Richard 'Bomber' Harris bij de Britten. Niet toevallig dus werd uitgerekend het bloedige Macbeth in het Zulu vertaald. En nog minder toevallig door Robert Sobukwe, een leider van het radicale Pan African Congres (PAC). Deze Sobukwe is altijd een uitgesproken rivaal geweest van het ANC en van zijn leider Mandela. Want Nelson is niet alleen een advocaat en politicus, hij behoort ook tot de aristocratie van de Xhosa, die andere grote etnische groep in Zuid-Afrika. En de Zulu's leven al even lang op gespannen voet met de Xhosa's als bij ons de flaminganten met de franskiljons of de Basken met de Castilianen. (Om het nog mooier en ingewikkelder te maken, heeft ook Sobukwe gevangen gezeten op Robbeneiland. Helaas vermeldde Sampsons artikel niet welk citaat híj had aangekruist in Shakespeares Verzameld werk. Het zou te mooi zijn, mocht het een gifgroene repliek betreffen van Jago uit Othello - want zelfs op Robbeneiland bestonden niet alleen vriendschappen. De jaloezie, "that green-eyed monster", heerst overal, ook onder iconen van een legendarische vrijheidsstrijd. Maar terzake!) De etter die ons aldus uit het fait divers tegemoet komt siepelen is herkenbaar, zeker voor een Vlaamse Belg als ik. Onder het mom te strijden tegen sociaal onheil (geweld!, seksisme!, onveiligheid!, neerslachtigheid!) probeerden enkele leraren hun leerlingen te modelleren naar hun eigen nationalistische voorkeuren, terzelfder tijd de favorieten van de centrale staat per schietstoel verwijderend. Dat verklaart wellicht waarom Plaatje, Ndebele en Gordimer werden geviseerd. En waarom het ene stuk van Shakespeare niet, en het andere wel passabel werd geacht. Derhalve luidt ons dissectierapport als volgt. Een deel van het comité verweet de ANC-regering dat zij, net als het vorige regime met zijn Bantu Education, haar politieke visie door wilde drukken via haar pedagogisch beleid. Ongetwijfeld hadden die paar leraren zelfs gelijk. Politieke visies doordrukken via een beleid? Dat is wat álle regeringen proberen te doen. Doch wat het comité beoogde, was geen revolte tegen dat beginsel maar juist een toepassing ervan, gegrondvest op de éigen voorkeuren. Hier werd dus - op het veld van scholing en schone letteren, en op de kap van Shakespeare en Sol Plaatje - minder om principes gevochten dan om de macht. De Grote Bard werd misbruikt om een kleine rekening te vereffenen. Zoals de westerse media Hem misbruikten om een reeds vertekend beeld nog wat meer te vertekenen. Misschien had ik toch beter een samenvatting kunnen maken van Saïds Cultuur en imperialisme.

En toch ook niet. We mogen het fait divers dan ontdaan hebben van zijn etter, laten we het nu ook eens onder een microscoop leggen. Er vallen dan tal van bontgekleurde beestjes te ontdekken. Ik wil u een beschrijving niet onthouden. Maar vergun mij dat ik daartoe gebruik maak van een omweg. Daarnet verzon ik, als tegenwicht van het comité in Johannesburg, een lerarencomité in Londen. Dat had niet gehoeven. Ik had een parallel kunnen trekken tussen twee echt gebeurde faits divers. Enerzijds: het voorval in Zuid-Afrika. Anderzijds: de heisa in Oostenrijk omtrent Schlachten, de Duitse vertaling van Ten oorlog. Onmiddellijk na de première op de Salzburger Festspiele, enige jaren terug, werd kinderen onder de zestien jaar verboden de voorstelling bij te wonen. Het provinciale Salzburgse Bureau voor Sociale en Welzijnszaken had een klacht ingediend vanwege "ordinair taalgebruik", "obscene scènes", "expliciet geweld" en "verheerlijking van machtsmisbruik". In Zuid-Afrika had president Mbeki, na de feiten en tegen het lerarencomité in, alsnog zijn stem laten horen. In Oostenrijk had president Klestil, daags voor de première, het Bureau voor Sociale en Welzijnszaken zélf de pap in de mond gegeven. In een speech bij de opening van het festival (de stemming werd al dagen opgeklopt door Weense tabloids) pleitte Klestil, alluderend op ons werkstuk, voor "meer harmonie en humanisme in de kunst", "meer aandacht voor het cultuureigene van Oostenrijk" en "minder aandacht voor het duistere dat geen uitweg biedt". Ik geef subiet toe dat het verbod, na een vloedgolf van protest en moppen, helaas niet langer dan twee dagen heeft standgehouden; dat het achteraf bekeken om een pedagogische meesterzet ging (opeens wilde de voltallige Oostenrijkse jeugd met alle macht naar een toneelvoorstelling); en dat uiteindelijk de staatstelevisie ÖRF Schlachten integraal heeft uitgezonden - zij het 's nachts, maar een kniesoor die daar op let. Toch is het relletje te mooi om er verder niets mee aan te vangen, op het gevaar af dat ook ík Shakespeare misbruik om het bestaande beeld nog meer te vertekenen van een operetteland, dat zich van hoogfatsoen en eigenwaan al eeuwen een rolberoerte walst op de properste stoep van Midden-Europa. Aan ordinair taalgebruik en obscene scènes pleitten regisseur Perceval en ik schuldig, zij het niet schuldiger dan het eerste het beste rapgroepje of het gemiddelde Duitse misdaadfeuilleton. Maar gezien de plot had zelfs Sir Laurence Olivier tijdens de Tweede Wereldoorlog Richard III (onze Modderfokker) niet kunnen spelen zónder op z'n minst een tíkkeltje "expliciet geweld": moord op een broer, een schoonbroer, een klad handlangers, een verse bruid en twee minderjarige neefjes. De meeste van deze moorden worden door Richard proestend aangekondigd en achteraf dijenkletsend becommentarieerd. Juist dat soort "verheerlijking van machtsmisbruik" maakt van Richard III al eeuwenlang een der populairste stukken uit het wereldrepertoire. De gebochelde moordmachine is een Tarantino-creatuur avant la lettre, zonder concurrentie de grootste entertainer uit het oeuvre van the Shake. Hij is in elk geval grappiger dan de dikkerd Falstaff en die vreselijke nar van King Lear samen. Shakespeare zónder geweld? Zónder smakelijk machtsmisbruik? Verdammt, nog mal! Het Bureau voor Sociale en Welzijnszaken mocht in zijn handjes knijpen dat we geen bewerking hadden gemaakt van Titus Andronicus, Shakespeares onstuimige jeugdwerk. De Romeinse veldheer Titus neemt wraak voor de moord op zijn telgen door de twee zonen van de keizerin heimelijk tot moes te slaan en op een galabanket letterlijk als pâté en croûte te serveren aan hun eigen moeder. Pas als het brave mens bij wijze van spreken al in haar tanden zit te peuteren, onthult hij haar het recept van zijn pièce de résistance. Het is eens wat anders dan Mozartkugeln. En wie zou, president Klestil ter ere, Shakespeare überhaupt kúnnen ensceneren met "meer aandacht voor het cultuureigene van Oostenrijk"? Dat is nog maar één keer gelukt. Door een Oostenrijkse amateur-schilder, in een periode dat het cultuureigene van de alpenrepubliek zodanig samenviel met "het duistere" dat er geen andere uitweg overbleef dan genocide, wereldbrand en een Wagneriaanse hang naar zelfvernietiging. Zo. Dat moest even van de lever. Andermaal terzake! Ondanks de internationale uitstraling van de Festspiele vond ons relletje alleen weerklank in Duitsland (waar men houdt van oostenrijkersmoppen), in de Nederlanden (waar men houdt van geshockeerde Duitstaligen) en in Oostenrijk zelf (waar men er, zoals in elke bourgeoisie, geweldig op geilt om geshockeerd te worden, omdat men weinig anders heeft om op te geilen). Duitsland, Oostenrijk, Nederlanden, daar bleef het bij. In Zuid-Afrika bijvoorbeeld - ik heb dat zelf gecheckt - heeft niemand er ooit van gehoord. Terwijl ik in een Weens tabloid wél een smalend verslag mocht lezen over het lerarenadvies in Johannesburg. Hoe komt dat toch? Dat een Shakespeare-rel in Zuid-Afrika de wereld rondgaat en een Shakespeare-rel in Salzburg niet? Terwijl het toch in beide gevallen ging om het zielenheil van de lokale jeugd? Jazeker! De nieuwsindustrie! Die zit daar voor iets tussen, ja. Zij is, net als muziek- en filmnijverheid, een louter Angelsaksisch bedrijf. En de lingua franca in Zuid-Afrika ís nu eenmaal het Engels. Of beter gezegd: beroerd Engels. Maar niet zó beroerd of het wordt door de New Yorkse persbureaus verstaan zonder tolken en bemiddelaars en dus vlotter op de globale markt gegooid. Daarom lijken de meeste faits divers alleen maar plaats te vinden in het Engelse taalgebied, van Anchorage tot Durban, Dublin tot Canberra. Wat daarbuiten durft plaats te vinden, had net zo goed kunnen geschieden op Mars. Of in Salzburg, wat - toegegeven - vaak op hetzelfde neerkomt. Maar de verleiding is groot om de verklaring ook buiten de mediamarkt te zoeken. En dan komen we snel weer uit bij de beeldvorming. Niet alleen in de wijde werkelijkheid, maar ook in het oeuvre van de meester zelf. In Shakespeares oeuvre torsen de schurken een teken van hun slechtheid, fysiek of genealogisch. Ze zijn bastaarden. Of karikaturale joden, inclusief haakneus en kromme klauwen. Ze zijn van overzeese komaf - dan meestal Frans en meteen ook maar de Griekse beginselen toegedaan. Of ze hebben een horrelvoet en een bochel - ook al bezat het historische personage waarop ze zijn gebaseerd geen van beide. De goedheid daarentegen is bloedmooi, poepjong en van een ijzingwekkende onschuld. Het percentage vrouwen ligt hier beduidend hoger dan onder de schoften, temeer wanneer het meiske de huwbare leeftijd nog niet heeft gehaald. En omdat (zeker sinds de uitvinding van alcoholdragende dranken) ook onder acteurs de schoonheid maar dun gezaaid is, draagt in traditionele ensceneringen het Goede voor alle duidelijkheid een wit kostuum. Terwijl de Boze zich steevast hult in kleuren van de nacht... Wit is altijd schoon, zwart is steeds verdacht. De studio's van Walt Disney passen die stelregel nog immer toe, en ook de Marsen der spontane volkswoede houden van wit als laatste eerbetoon aan de letterlijk vermoorde onschuld. Othello, de Moorse legerleider uit het gelijknamige stuk, vormt een intrigerende uitzondering. Hij is roetzwart en toch niet slecht. De onvolprezen Shakespeare-vertaler Willy Courteaux noemt Othello zelfs "de enige compleet heroïsche en vlekkeloze figuur die Shakespeare in zijn tragedies heeft gecreëerd. Zijn karakter is nobel en simpel, zijn gemoed vrij van elke smet." Alleen al het curriculum vitae van Othello bij het begin van het stuk spreekt boekdelen. De sterke en dappere Moor wordt gelauwerd door de doge van Venetië en aan het hoofd van het leger geplaatst, vanwege zijn onkreukbaarheid en zijn populariteit bij de manschappen. Venetiaanse dames krijgen een appelflauwte als zijn naam valt en zijn vele vrienden dragen hem op de handen vanwege zijn onbaatzuchtigheid. Afijn: Othello is Denzel Washington meets Moeder Teresa. Alsof dat niet voldoende is, mag Othello (als toch ietwat oudere peer) trouwen met Desdemona. Deze is Miss Venetië maar dan mét hersens, echte tieten en een intact maagdenvlies. Britney Spears meets Emma Thompson. Ook in andere opzichten is Desdemona een vrouw zoals er te weinig worden gemaakt. Charmant, geestig, meertalig en toch kort van stof, goed in de slappe was en, tegen de tijdgeest in, smoor op een Moor. Ze benadert die zwarte man zoals echtgenotes dat zelfs tijdens de Verlichting niet meer deden: met een zekere onderdanigheid. Onnodig te zeggen dat Othello in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid zeer zelden op het repertoire stond. Uitzonderlijk was dat niet, in een klimaat vol rassenwetten en censuur. De blanke regering hield zelfs de serie Black Beauty van het televisiescherm. (Ja, zelfs nadát ze had vernomen dat Black Beauty de naam was van het paard waarrond de serie draaide. We spreken nu van een tijdsgewricht waarin de naam van Mandela in de Zuid-Afrikaanse media mocht worden uitgesproken noch neergeschreven. Tot in de late jaren tachtig stond zelfs op het tonen van Mandela's foto een gevangenisstraf. Miljoenen Zuid-Afrikanen wisten een kwarteeuw lang niet hoe de baarlijke duivel eruitzag.) (Het is eens wat anders dan Marc Dutroux. Al kan het wel eens méér dan een kwarteeuw duren voor die zelfs maar een proces krijgt, en president zie ik hem nooit worden.) Maar pas op: het wegmoffelen van Othello door een racistische regering impliceerde niet dat het stuk van de weeromstuit populair werd bij het ANC. Zelfs niet bij de Zulu's. Daarvoor bevat het toch te veel racistische uithalen, ook al vallen die (in een Politiek Correcte Reflex avant la lettre) enkel uit de mond van onsympathieke personages. Rodrigo, bijvoorbeeld. Deze domme edelman is evenzeer smoorverliefd op onze Miss Venetië. Hij schuimbekt dan ook bij de gedachte dat zij zich overgeeft aan "de beestenkussen van (die) geile neger", die "dik-lip' zoals hij Othello noemt. Rodrigo's vriend, de meesterintrigant Jago, gaat aan Desdemona's onwetende vader zelfs verklappen dat zijn kuise dochter zich "laat dekken door een berberhengst". Jago zinspeelt daarbij op de oorsprong van het woord berber: barbaar, in het Engels: "A Barbary horse". (Het is eens wat anders dan Black Beauty.) En Jago wrijft nog meer zout in de vaderlijke wonde. Door haar liefdesdaad zadelt Desdemona haar héle stamboom op met beestenbloed, tot schandvlekking van papa: "Uw neefjes zullen naar u hinniken, U krijgt niet één kozijn, alleen maar koerspaarden, Geen broers maar hitsige knollen en ezels." Desdemona's vader krijgt bijna een toeval, hij noemt de liefde van zijn oogappel "tegennatuurlijk", "bedrog", "bloedverraad" en veroorzaakt door (uiteraard) zwárte magie. Zelf briesend als een hengst, draaft papa linea recta naar Othello en spuwt zijn gal: "Op al wat rede kent, beroep ik mij: Zou ooit een maagd zo teer, zo schoon, zo blij - Tenzij jouw toverij haar had geketend - Het huwelijk zozeer verachten dat Zij blonde krullenbollen van ons eigen volk Verstoot? En mij, tot spot van iedereen, Ontvlucht? En steun zoekt op de zwarte borst Van jou - een ding! Een gruwel, geen genot!" Kortom, niet het soort verzen dat je als ANC-gevangene op Robbeneiland aanstreept om van buiten te leren. Aanvankelijk komt het goed met Othello en Desdemona. Ze trouwen. Hun liefde schittert. Goddank voor de theaterbezoeker waakt Jago over een ongelukkige afloop die, pauze inbegrepen, een uur of twee kan aanslepen en seizoenenlang op het repertoire kan blijven staan. Jago is dan ook de modernste van alle Shakespeare-schurken. Hij doet denken aan het oordeel dat Joachim Fest, de biograaf van Albert Speer, velde over deze architect en bewapeningsminister van Hitler: "Een man met vele kwaliteiten, maar zonder eigenschappen." Jago is koud, berekenend, opportunistisch, en hij is in de eerste plaats seksueel door Othello gefrustreerd - de echte white man's burden hangt nu eenmaal ter hoogte van zijn kruis. Zo verdenkt Jago zelfs zijn eigen vrouw ervan dat ze met Othello overspel pleegt, al is daar niet één aanwijzing voor. Maar terzake! Getroebleerd in de lust, is Jago des te lucider in achterbakse manipulaties. Hij slaagt erin zijn afgunst uitgekookt en uitvergroot over te dragen op Othello totdat deze, aan monsterlijke jaloezie ten prooi, de kuise en nog immer op hem verliefde Desdemona wurgt. Bij de ontmaskering van Jago's gekonkel slaat Othello de hand aan zichzelf, gebroken maar eervol, zoals het een held betaamt die spreekt in vijfvoetige jamben - iets wat bijvoorbeeld Albert Speer nooit is gelukt. Maar zelfs al sterft Othello in stijl, en zelfs al wint hij zo opnieuw het respect van zijn vrienden en de gunst van de toeschouwer, toch is hij nooit populair geworden onder zwarte acteurs of activisten. Per slot van rekening hééft hij zijn knappe onschuldige jonge blanke vrouw vermoord - op O.J. Simpson rust tot nader order alleen nog maar een officieus vermoeden daarvan, en toch is deze voormalige superster zijn populariteit kwijt, ook bij vele zwarten. Hoe je het ook draait of keert, qua huwelijksgeluk is zo'n moord geen rolmodel. Maar nog meer dan de moord zelf, zijn het Othello's goedgelovigheid en ontvlambaarheid die hem op het westelijk halfrond zoveel populairder maken dan in Afrika. Vooral zwarte politici beseffen maar al te goed wat Othello belichaamt: het beeld dat westerse politici hebben van hén. Boven de evenaar wordt de furieuze achterdocht van Othello nooit verbonden met de angst van de oudere man om zijn jongere vrouw te verliezen - iets waarin nochtans menige westerse politicus en oud-burgemeester van Antwerpen zich gemakkelijk zou moeten herkennen. Des te meer leggen ze een verband met de onberekenbare, en tegelijk zo gemakkelijk te manipuleren natuur van de zwarte oermens. Het amper getemde dier. De maar net geschoolde primitief - en met "primitief" wordt dan niet bedoeld de stijl van een Oostenrijkse amateur-schilder. Willy Courteaux vatte het terecht zo samen: "Een simpel gemoedsleven vindt men in mensen van alle rassen. Maar de omstandigheid dat Othello een neger is verscherpt het conflict, maakt Jago's intrige aanvaardbaarder en Othello's reacties natuurlijker. (...) Onder dat bedaarde en majestueuze uiterlijk brandt nog de gloed van een vulkaan." Dat is een zeer hoffelijk verwoorde variant op wat in Amerikaanse blanke suburbia wordt gefluisterd over zwarte bruiden uit the inner city: "You can take the bitch out of the ghetto, but you can't take the ghetto out of the bitch." Een zwarte mag het schoppen tot Venetiaans legerleider, hij mag zich onderscheiden op het slagveld of heersen in atletiek en jazz en rhythm & blues, hij mag wedstrijden winnen voor FC Brugge en zelfs Germinal Beerschot, maar als puntje bij paaltje komt is hij niet klaar voor de liefde van een gesofisticeerde vrouw als Desdemona. En hij is vooral niet opgewassen tegen het intellectuele, cynische machtsspelletje van Jago. De Moor Othello is imposant en knap en tot op zekere hoogte geliefd en gelauwerd. Maar wie een béétje af weet van psychologie en 'Drie-op-een-rij' kan hem bespelen als een marionet. Hij is en blijft een groot kind. Tijd voor nog een omweg. Een echte dit keer. "Don't be naïve", zei een jonge zakenman naast mij, in het vliegtuig van Chicago naar Mexico City, een paar jaar terug. We hingen duizenden meters boven Caribische wateren. De jonge zakenman had vliegangst en bezwoer die door honderduit te praten. Ik was met plezier zijn doelwit. Jonge bange zakenmannen, die ga ik nimmer uit de weg. Raaskallend over dat andere nijlpaard onder de faits divers - Monica Lewinsky - kwamen we godbetert uit op Zuid-Afrika's nationale munt. Het verband zat 'm waarschijnlijk in de zuigkracht, hoe dan ook: de rand was in amper een week een derde van zijn waarde kwijtgeraakt, door een gezamenlijke digitale strooptocht van internationale speculanten, raiders en bancair schorremorrie. "Wat wil je", zei de jonge zakenman, zijn vijfde gin-tonic bestellend, "de rijkste beleggers ter wereld zijn oliesjeiks, Japanners, Duitsers, Engelse lords en - ergst van al - bejaarden uit Florida. Die willen nog geen zwarte als tuinier. Hoe zouden zij dan vertrouwen hebben in een economie waar de president rood van opvattingen is en zwart van vel?" "Zo simpel kan het niet liggen", sputterde ik tegen. "Niet alles is beeldvorming. Toch niet in het werkelijke leven." De jonge zakenman keek me proestend aan, dronken, bang, baldadig: "Geloof jij écht dat het internationaal geen reet verschil zou maken als Zuid-Afrika geleid werd door een bleekscheet? Get real. Het is met zwarten in de politiek zoals met vrouwen in de literatuur en het leger. Zodra zij er massaal in opduiken, weet je dat het algemene respect ervoor naar de knoppen is. Hoe weet je dat de Verenigde Naties geen reet voorstellen? Ze worden geleid door Kofi Annan. Nog zo'n neger met een baard! De Verenigde Staten betalen hem niet één factuur meer. Logisch. Voor hen zijn negers met baarden werkloos, dakloos en hopeloos. Ik verwed er mijn BMW op dat Amerikaanse politici bij het zien van Kofi Annan maar één ding denken. Ik héb al gegeven: gisteren, op de hoek van 42nd street." Ik werd steeds pissiger op die yup. Met zijn lachje en zijn gin-tonics en zijn woordenstroom. Ik wachtte tot hij een slok nam: "Dus volgens jou kan Thabo Mbeki zich maar beter laten vervangen door iets wits en gladgeschorens?" "Hij moet op zijn minst naar dezelfde plastisch chirurg als Michael Jackson. Zolang hij, op het einde van zijn persconferenties, het gebruikelijke Shakespeare-citaat maar niet vervangt door hoge kreetjes, om daarna achterwaarts moonwalkend en naar zijn ballen tastend in de coulissen te verdwijnen. Daar houden bejaarden niet van. Zelfs niet die in Florida." Nu, jaren later, denk ik nog vaak terug aan dat gesprek, hoog boven de Caribische regionen. Voorspellen uiterlijke tekenen ook de rol van acteurs in het werkelijke leven? Laten we de proef op de som nemen. Wie van u las de bovenstaande tekst en had als beeld van de jonge zakenman meteen een afgetrainde, niet onknappe blanke etterbak voor ogen - Matt Damon meets Brad Pit? En wie dacht aan een afgetrainde, niet onknappe zwárte etterbak? De namen van twee jonge zwarte Hollywood-acteurs als referentie schieten me even niet te binnen. We zullen er maar niet op ingaan hoe dat weer komt, u begrijpt zo wel waar ik heen wil: die jonge bange zakenman was een zwarte. Dat maakte hem net zo intrigerend. Het kon hem geen zak schelen wie de tent leidde, als ze maar winst opbracht voor hém. Al de rest was sentiment en dus verwaarloosbaar en zelfs gevaarlijk. Hoe noem je zoiets: integratie? Cynisme? Gezond verstand? Ondankbaarheid? Ik moest aan hem terugdenken toen ik later een verhaal hoorde over een nieuw verschijnsel in downtown Johannesburg. Zwarte yups. Dit was nu die zo lang verbeide elite van the Black Renaissance, de Zwarte Wederopstanding waar president Mbeki het zo vaak over had. Zíj hadden het anders bitter weinig over hem. Ze spraken zoals alle ultraliberalen overal ter wereld. De staat moeide zich te veel, er bestonden te veel belastingen en sociale voorzieningen waren zinloos. Van dat laatste waren zij toch het ultieme bewijs? Zij hadden het gemaakt zonder enige steun. Dus iedereen kon het. Wie arm was, had dat aan zichzelf te danken, punt. En er moesten zeker geen zwarten uit buurlanden worden getolereerd. Dat tuig kwam hier maar onze banen en deviezen afpakken, om maar te zwijgen van onze veiligheid. Europese blanken en Amerikaanse zwarten, ja díe waren welkom. Zo lang ze maar flink wat poen meebrachten om te verteren of te investeren, zonder de touwtjes in handen te willen krijgen. Anders konden ze ophoepelen. Samen met de Boeren en alle anderen die nog altijd droomden van de privileges die apartheid hun een halve eeuw verschaft had. Poen en power! Al de rest was flauwekul. Zwarte yups. Niet het type dat je zou casten voor de rol van de nobele, naïeve, bespeelbare Othello. Iemand die zo'n auditie evenmin tot een goed eind zou brengen, is een kennis van me. Allerminst een yup, maar een combattief dichter en controversieel zwart columnist van een Kaapse krant, The Cape Times. Hij verloor vrienden en familieleden tijdens the Struggle - onder wie een grootmoeder die omkwam in hun brandende huis, bij een nooit opgehelderde aanslag. Ik nam samen met hem deel aan een panelgesprek in Rotterdam, over "kunstenaars en politiek in the New South Africa". Toeschouwers feliciteerden hem met "de vergevensgezindheid van zijn volk". Na de val van apartheid was de voorspelde burgeroorlog immers uitgebleven, structuren en fabrieken waren niet opgeblazen, de voormalige leiders niet afgeslacht, F.W. de Klerk was integendeel na de verkiezingen samen met Mandela zelfs even deputy-president mogen worden, en de Waarheids- en Verzoeningscommissie was al helemaal een mirakel... Afijn: de hele wereld kon maar beter een voorbeeld nemen aan het zwarte humanisme genaamd ubuntu. Die mengvorm van vredelievendheid, vergiffenis en zielenadel, die in de twintigste eeuw drie internationale vredesiconen had voortgebracht. Mandela, bisschop Tutu en Mahatma Gandhi. (Die laatste had zijn theorie van geweldloos verzet uitgedokterd op Zuid-Afrikaanse bodem en was daarvandaan ook zijn strijd tegen de Britten begonnen: "An eye for an eye makes the whole world blind.") De combattieve dichter dook meteen naar de Rotterdamse microfoon en feliciteerde de toeschouwers met hun opmerkingsgave: ja, de wereld mocht een punt zuigen aan hem en zijn volk. Kort daarvoor was hij nog in Duitsland geweest, een heuse lezingentour, en ook daar hadden toeschouwers íedere avond weer de lof gezongen van ubuntu. Totdat hij, de dichter, hun was beginnen te vragen waarom zij, de Duitsers, dan per se een proces hadden willen voeren tegen de tachtigjarige Erich Honecker, de voormalige baas van communistisch Oost-Duitsland. Indien vergeven zo veel beter was dan bestraffen, waarom hadden zij Honecker dan ook niet opgenomen in de nieuwe regering van het herenigde Duitsland? Als deputy-kanselier bijvoorbeeld, aan de zijde van Helmut Kohl? Het apartheidsregime had langer bestaan dan die hele DDR! Dat maakte een verzoening in Berlijn vast veel gemakkelijker dan een verzoening in Pretoria. En ook vlak na de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitsers hetzelfde moeten doen. Na twaalf jaartjes nazistisch bewind - amper één kwart van het apartheidsbewind! - hadden ze aan Himmler en Göring niet de doodstraf moeten schenken maar vergiffenis. Albert Speer had twintig jaar gevangen gezeten in Spandau, die andere beroemde gevangenis uit de twintigste eeuw. Dat was verdorie maar zeven jaar minder dan Mandela op Robbeneiland! Een schánde. Hou die Speer uit het cachot, en geef dat genie een kerntaak bij de wederopbouw, inclusief het Marshallplan. De Geallieerden, bij wie thans de lof voor de Zuid-Afrikaanse ubuntu eveneens algemeen was, zouden dat toen vast ook hebben toegejuicht... De diepe stilte die in Rotterdam na zijn tussenkomst viel, deed vermoeden dat ook tijdens de Duitse lezingentournee de discussie niet echt meer op gang was gekomen. De uiteindelijke discussie zelf zal ik u besparen. Ze is te voorspelbaar. Voor ons betoog is deze vraag belangrijker. Hoe komt het dat wij, West-Europeanen, een verbroedering in Zuidelijk Afrika bezingen die wij hier zelf nooit zouden kunnen of willen volbrengen? Want ik zie het nog niet gebeuren. Dat de Fransen Papon niet willen berechten. Dat Mladic, Milosevic en Karadzic er met een schouderklop afkomen. Dat zelfs Pinochet van Louis Michel de absolutie krijgt. Dat de vader van Máxima haar huwelijk mag komen opluisteren en, nog straffer, wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de Elfstedentocht. Of dat - ik noem maar wat - de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon ongewroken blijven, als was het maar om niet nóg meer geweld uit te lokken. Ik weet dat wel heel zeker, want ik steek ook zelf zo ineen. Als ik denk aan de recidive collaborateur August Borms (die er mede voor verantwoordelijk was dat in de Eerste Wereldoorlog niet-collaborerende flaminganten als Louis Franck werden gedeporteerd naar Duitsland, en dat in de Tweede Wereldoorlog hele busladingen Vlaamse pubers kansloos en nutteloos als SS'er gingen creperen aan het Oostfront), dan is mijn eerste reflex ook niet direct om August Borms in mijn armen te sluiten. Als ik eerlijk ben, denk ik maar één ding. Willem Elsschot mág dan in 1947 een gedicht tegen zijn executie hebben geschreven - goddank van mineure literaire kwaliteit - Borms moet worden opgegraven en nog eens geëxecuteerd. Zeker is zeker. Ubuntu of geen ubuntu. Waarom bezingen wij bij Zuid-Afrikanen wat wij zelf niet eens wíllen volbrengen? Dat kan maar om twee redenen. Ofwel vinden we vijftig jaar apartheid maar klein bier, vergeleken met onze muizenissen. Ik ga er, voor het gemak van de discussie, maar van uit dat dat niet zo is. Dit essay duurt zo al lang genoeg. Blijft de tweede reden. Wij vinden het normaal dat zwarten vlotweg vergiffenis schenken, en wij niet. Ik vrees dat wij dat inderdaad doen. Zoals ik ook vrees dat er, naast het trompetgeschal om zoveel zwarte filantropie, een valse noot van minachting meeschettert. Dezelfde paternalistische dissonant die van Othello "de enige compleet heroïsche en vlekkeloze figuur (maakt), die Shakespeare in zijn tragedies heeft gecreëerd". Het maakt van hem minder een mens dan een wandelend idee. Een fabeldier in gevechtstenue. Black Beauty óp een paard gezeten. Mijn vriend de combattieve dichter vatte het in Rotterdam na afloop zo samen, tussen pot en pint: "Ons wordt niet eens de gave gegund van het machiavellisme! De top van het ANC en de vakbond Cosatu hebben de onderhandelingen tegen het apartheidsregime gevoerd op het scherp van de snee. Ze wilden, zeer berekenend, geen burgeroorlog en geen vernielingen. Dat zou de toekomstige economie alleen maar hebben geschaad, en dus ook hun eigen toekomstige beleid. Volgens mij hebben ze knarsetandend gekozen voor een compromis zónder vervolgingen, alleen maar omdat ze daar zelf beter van zouden worden. Sommigen letterlijk, gezien de corruptiegevallen die al snel aan het licht kwamen tijdens de eerste jaren van het nieuwe bewind. Maar zelfs dát heeft het sprookje van de wonderbaarlijke overgang nooit kunnen schaden. We worden nog steeds overladen met complimenten, omdat jullie westerlingen na zo'n langdurige onderdrukking nooit de spons zouden hebben geveegd. Kijk maar naar jullie eeuwenlange vendetta's, jullie etnische zuiveringen, jullie roep om represailles bij de minste scheet. En dat wij, met zo veel reden om ons te wreken, toch nooit zijn overgegaan tot de oud-testamentische lex talionis - 'oog om oog'? Dat móet wel nobele domheid zijn. Dezelfde domheid die, wanneer jullie ze bedrijven, opeens pragmatisme heet. Of Realpolitik." Terug naar het stuk Othello. Ook al haten we de schurk Jago, hem begrijpen in zijn slechtheid doen we wel. Om zijn zin te krijgen mengt hij pragmatisme met opportunisme, en die cocktail zien we iedere dag rondom ons, indien al niet in de spiegel - of de media, zoals onze hedendaagse spiegel heet. Anders dan Jago is Othello geen personage van vlees en bloed. Hij is meer een speelbal, een embleem. Een rekwisiet met de januskop die iedere Vreemdeling nu eenmaal draagt, op de planken én in het theater van alledag: nu eens onbezoedelde natuurmens, dan weer onberekenbaar beest. Le sauvage noble, ou la bête sauvage. Wij roemen hem, jazeker. Maar op een veilige afstand. En vooral omdat geen van zijn twee imaginaire gezichten lijkt op dat ene werkelijke van ons. Othello moet tot elke prijs de Vreemdeling blijven, van wie wij - als wij eerlijk zijn - de knullige doodslag op Desdemona beter begrijpen dan haar oprechte liefde voor hem. En zelfs op het einde, bij zijn zelfdoding, houden we hem ver van ons verwijderd, dankzij de geniepigste aller straffen. Compassie, dat wrede synoniem voor neerbuigendheid. Ik had zo graag, op het einde van het stuk, de grote Moor de eer kunnen bewijzen van hem even fel te haten als Jago. Maar een zwarte Bambi-op-twee-poten laat zich niet haten. Zelfs niet met een moord op zijn geweten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden