Donderdag 24/06/2021

The sky is the limit

Hoogmoed komt voor de val, zo weten we al sinds Bijbelse tijden. Dat heel wat politieke leiders aan die kwaal lijden, heeft de zelf tot politicus omgeschoolde Britse arts David Owen mooi beschreven in zijn Zieke wereldleiders. Maar ook landen geven vaak blijk van hybris, schrijft Peter Beinart. Vooral grote mogendheden natuurlijk. Zoals zijn eigen vaderland, de VS. Door Hans Muys

Politoloog Peter Beinart toont aan hoe hoogmoed de ‘Amerikaanse eeuw’ kenmerkt

Amerika, zo schrijft Beinart in The Icarus Syndrome, is de voorbije eeuw meermaals het slachtoffer geworden van het eigen succes - en dat zal de rest van de wereld geweten hebben. Vanuit de diepgewortelde overtuiging dat the sky the limit is, groeide keer op keer overmoed, met alle tragische gevolgen van dien. Niet zo tragisch als bij de Icarus uit de titel van zijn boek, van wie we op Pieter Breugels meesterwerk nog net de benen in zee zien verdwijnen nadat hij met zijn uit was gemaakte vleugels te dicht bij de zon was gevlogen, want Amerika is wel gestruikeld maar niet echt ten val gekomen. Wat deze rijzende ster aan het Amerikaanse politologenfirmament illustreert aan de hand van drie oorlogen, die elk voortvloeiden uit een andere vorm van Amerikaanse hoogmoed.

Beinart start zijn stevig onderbouwde betoog aan het begin van de vorige eeuw, toen president Woodrow Wilson als een soort politieke missionaris dacht dat je met redelijkheid alles kon oplossen. Die hybris van de rede mondde uit in een poging om na de Eerste Wereldoorlog, waarin de VS met de nodige tegenzin waren meegezogen, een soort ‘wetenschappelijke vreedzame wereldorde’ te scheppen. Wilsons veertienpuntenplan klinkt nog altijd mooi, met zijn pleidooi voor ontwapening, vrijhandel, rechten voor koloniale landen en een internationale Volkenbond. Maar helaas, het hield geen rekening met de Europese realpolitici. En de overtuiging van de president dat hij, als die leiders niet meewilden de volkeren van Europa over de hoofden van hun leiders kon bereiken, was een schoolvoorbeeld van wereldvreemde hoogmoed. In werkelijkheid bevatte het Vredesverdrag van Versailles de kiemen voor de tweede wereldbrand die twintig jaar later zou losbarsten. Maar intussen had president Franklin D. Roosevelt de lessen geleerd van Wilsons hybris, want hij verpakte de Amerikaanse deelname aan dat conflict niet in idealisme maar in zelfverdediging, wat makkelijker te verkopen viel aan een isolationistische achterban.

Na de overwinning op nazi-Duitsland en Hirohito’s Japan volgde de hybris van de kracht. Nooit zou Amerika nog over zich laten lopen en de nieuwe vijand, ex-bondgenoot de Sovjet-Unie, moest en zou in bedwang worden gehouden. De periode van containment was geboren en wat begon als een beleid tegen één land, groeide uit tot een wereldwijde kruistocht tegen het communisme. Daarvoor was het niet alleen nodig om sterk te staan, de perceptie speelde ook (toen al) een rol, dus elk blijk van zwakte moest worden vermeden, omdat het door de vijand zou kunnen worden aangegrepen. Zo werd de hele wereld een strijdtoneel tussen ‘vrijheid’ en ‘dictatuur’. Dat uitmondde in een nieuw desastreus gevolg van hoogmoed: de oorlog in Vietnam. Een conflict waarin twee presidenten tegen wil en dank werden meegezogen, want John F. Kennedy gaf onder vier ogen toe dat “de Vietnamezen ons eruit gaan smijten” en zijn opvolger Lyndon Johnson zag zijn binnenlandse hoofddoel, de progressieve great society, gefnuikt door that bitch of a war.

Die niet gewonnen oorlog zorgde even voor een bescheidener houding (mede door dat andere trauma: de val van Richard Nixon na het Watergateschandaal) en het duurde tot na de val van het communisme voordat de cyclus opnieuw begon. Want Jimmy Carter was van huis uit een man zonder hoogmoed en Ronald Reagan mocht wel ferme taal uitslaan over ‘het rijk van het kwaad’, de vroegere Hollywoodcowboy was bepaald niet uit op een shoot-out - behalve dan in een operette-oorlog in het dwergstaatje Grenada. Hij trok na een eerste, bloedige aanslag meteen zijn troepen terug uit Libanon, greep niet rechtstreeks in in Centraal-Amerika - al bezorgde hij de rechtse contra’s daar wel wapens, in een ingewikkelde en illegale deal met Iran nog wel - en ondanks zijn verbale geweld sloot hij ontwapeningsakkoorden met het Kremlin. Het communisme, zo schrijft Beinart, werd niet verslagen doordat Reagan Amerika schrikwekkender maakte, maar juist omdat het land onder zijn bewind minder afschrikwekkend optrad. Net als Truman voor hem, probeerde the gipper het communisme in bedwang te houden zonder grote militaire operaties. Hij voerde wel de nucleaire dreiging op en breidde de westerse economische macht uit. En zo hoort het, vindt Beinart, die ook andere leiders prijst die het hoofd boden aan hybris. Dwight Eisenhower bijvoorbeeld, die in Korea niet tot het (militaire) uiterste ging. Of George Bush, de vader van. Hij beperkte zich oorspronkelijk tot een risicoloos conflictje in Panama en verdreef de Irakezen wel (en terecht) uit het door hen bezette buurland Koeweit, maar hij bracht Saddam Hoessein niet ten val - om pragmatische, geopolitieke redenen. Om vervolgens tevreden vast te stellen dat “we voor altijd verlost zijn van het Vietnamsyndroom”.

Ook Bill Clinton had meer last van zijn libido dan van hybris en kende de grenzen van de Amerikaanse macht - zeker na het ‘Black Hawk Down’-fiasco in Somalië. Zelfs bij de genocide in Rwanda keek hij (achteraf tot eigen schaamte) nog de andere kant op, maar toen de Balkanoorlog uit de hand liep en Europa machteloos bleek, greep hij wel in. En opnieuw bleek die militaire actie voor de Amerikanen een fluitje van een cent te zijn. Waarmee de kiemen waren gezaaid voor een nieuwe kringloop en voor het derde deel van het hoogmoeddrieluik: de hybris van de dominantie. Want de 20ste eeuw eindigde met een Amerika dat zowel economisch als militair barstte van het zelfvertrouwen. Toen de WTC-torens instortten was dat voor George W. Bush ‘een opportuniteit’ om in Irak af te maken wat vader had nagelaten, om het terrorisme wereldwijd te bestrijden en om meteen het hele Midden-Oosten te ‘democratiseren’. Waartoe dat heeft geleid kunnen we, bijna tien jaar later, nog dagelijks lezen en zien.

Peter Beinart sluit zich met zijn tweede boek aan bij een hele reeks succesvolle en invloedrijke analisten van de Amerikaanse rol in de wereld - denk maar aan Paul Kennedy, Robert Kagan, Francis Fukuyama of Fareed Zakaria. Ook al biedt zijn Icarus Syndrome niet zoveel nieuwe, baanbrekende ideeën als hun werk en bevat het zelfs enkele zwakke plekken. Want ondanks zijn kritiek op de navelstaarders in Washington, bekijkt Beinart zelf de wereld ook door een zeer Amerikaanse bril en komen bijvoorbeeld de Europese Unie (behalve in de Balkancontext) en India nauwelijks aan bod. En er zijn nog vreemde lacunes: geen woord over Norman Schwarzkopf bijvoorbeeld, toch de opperbevelhebber tijdens de eerste Golfoorlog, en veel meer aandacht voor de vrouwelijke neocon Jeane Kirkpatrick dan voor Richard Nixon, die door relaties aan te knopen met China en de detente met Moskou in te zetten, toch deed waar de auteur voor pleit: het voeren van “een wijs buitenlands beleid dat uitgaat van het besef dat, aangezien de Amerikaanse macht beperkt is, we het aantal vijanden moeten beperken”. Beinart toont trouwens aan dat niet alleen politici die les negeerden, maar dat ook veel denkers die het beleid in Washington hielpen vormen daar te zelden oog voor hadden. En de manier waarop de auteur invloedrijke figuren zoals Walter Lippmann, Reinhold Niebuhr, George Kennan of Arthur Schlesinger portretteert, biedt een meerwaarde die de bovengenoemde tekortkomingen grotendeels goedmaakt.

Beinart, die toegeeft dat hij zelf in 2001 voor de inval in Irak was, en die in zijn debuutboek, The Good Fight, nog een veel hardere toon aansloeg, heeft lessen getrokken uit de geschiedenis van de afgelopen eeuw. Dat maakt van deze history of American hubris een helder en overtuigend overzicht van wat de Verenigde Staten in hun periodieke hoogmoed her en der hebben aangericht - en hoe dat kwam. En zoals verwacht mocht worden van iemand die (ook) journalistiek doceert, wordt zijn stelling gestoffeerd met goeie anekdotes en leuke weetjes. De auteur heeft ook goede raad voor Barack Obama - in wiens Witte Huis The Icarus Syndrome trouwens verplichte lectuur schijnt te zijn: “neem afstand van een aantal veronderstellingen over de Amerikaanse almacht en wees net zo agressief als Reagan bij het vinden van symbolische balsem voor de gekrenkte Amerikaanse trots”.

Eigenlijk zou dit pleidooi voor bescheidenheid natuurlijk overbodig moeten zijn nu Afghanistan, Irak en de door Wall Street veroorzaakte globale recessie de gevaren van hybris opnieuw hebben blootgelegd en nu de ‘Amerikaanse eeuw’ die Beinart beschrijft op zijn einde loopt. Maar zoals dit boeiende boek overduidelijk maakt: met een land dat zo rotsvast blijft geloven in de eigen uitzonderlijkheid en groot(s)heid, weet je maar nooit.

Wie is Peter Beinart?

n Peter Beinart werd in 1971 geboren in de Amerikaanse universiteitsstad Cambridge, waar zijn uit Zuid-Afrika geëmigreerde ouders beiden als

academicus werkten.

n Hij studeerde in Yale geschiedenis en politieke wetenschappen en in Oxford internationale betrekkingen en werkte voor het Council on Foreign Relations en voor de New America Foundation.

n Beinart is associate professor aan de New Yorkse City University, was hoofdredacteur van het progressieve New Republic, schrijft onder meer voor de blog The Daily Beast en het weekblad Time.

n In 2006 publiceerde hij The Good Fight: Why Liberals - and Only Liberals - Can Win the War on Terror and Make America Great Again.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234