Dinsdag 01/12/2020

Interview

The National: ‘Misschien is dit het einde, misschien keren we na de coronacrisis niet meer terug’

Aaron Dessner (rechts): ‘Bono zei me eens dat hij aldoor met zijn kinderen naar The National luistert. Vreemd hoor, als zo’n poplegende zoiets tegen jou zegt.’

In den beginne kwam er naar The National gemiddeld twee man kijken, zelfs de paardenkop bleef thuis. De grote sprong van cafégroep naar festivalheadliner kwam er precies tien jaar geleden, met de release van het alle registers opentrekkende High Violet. Die machtige plaat krijgt straks een vuistdikke heruitgave op vinyl, mét extra tracks. Maar eerst: een terug- én vooruitblik.

Zelfs ten tijde van het alom gelauwerde Boxer – de plaat die hun de status van indie darlings opleverde – was het nog trekken en sleuren om The National op het betere Belgische podium te krijgen: bij het eerste AB-optreden moesten de concertpromotor, de boeker en het label elk 50 euro uit eigen zak bijleggen om de trompetsectie te betalen. Nu is dat wel even anders: als de band Pukkelpop vraagt of hij twee dagen op rij over de Marquee mag heersen, dan kan Chokri alleen het hoofd buigen. Of we hen daar ooit nog terugzien, is wel nog de vraag, want als we Aaron Dessner, gitarist van The National en sinds jaar en dag de belangrijkste songleverancier, aan de lijn krijgen in zijn studio in New York, is hij duidelijk het één en ander aan het afwegen.

Aaron Dessner: “Mijn familie en ik hokken momenteel samen in Long Pond, mijn studio die je kent van de cover van Sleep Well Beast. Tot net voor de coronacrisis woonden we in Parijs, al jaren de uitvalsbasis van mijn tweelingbroer Bryce (óók gitarist bij The National, red.). Voor het werk moest ik terug naar Long Pond. Voor heel even, was toen nog het idee, maar het lot besliste daar anders over.”

Onlangs hebben Bryce en jij jullie 44ste verjaardag vanop afstand moeten vieren. Mis je hem?

“Ja, ik ben nog nooit in mijn leven zo lang van hem gescheiden geweest. Het begint écht lang te duren, moet ik zeggen. Enerzijds is het een blessing in disguise om hier te zitten, want het is hier prachtig. Anderzijds is het al de achtste week dat we onze kinderen thuis moeten onderwijzen: heftiger dan de gemiddelde tour, kan ik je vertellen. (lacht)

“Tussendoor krijg ik gelukkig ook veel klaargespeeld. Zo heb ik er net een online benefietconcert opzitten ten voordele van zorgverleners én onze tourcrew, die noodgedwongen werkloos thuis zit. Wie weet hoe lang deze situatie nog zal duren?”

Wanneer de festivals weer de deuren openen, zijn jullie headliner. Mag ik stellen dat High Violet jullie die status heeft bezorgd?

“Ja, toen hadden we inderdaad voor het eerst iets dat op succes leek. (lacht) Voorganger Boxer had ook al wel iets in beweging gezet, maar dan vooral bij een toegewijd, maar select groepje muziekliefhebbers. Bij High Violet was het anders: opeens begonnen radiozenders ‘Bloodbuzz Ohio’ te spelen. Ook in Europa, en zéker in België. Opeens hadden we een publiek om te ontgoochelen.”

Wat had High Violet dat jullie vorige platen niet had?

Boxer is naar mijn mening every bit as good, maar High Violet is net iets breder en ambitieuzer. Er stonden nummers op als ‘Bloodbuzz Ohio’ en ‘England’: grote, expressieve songs die iets weg hadden van architecturale monolieten. Ik zie High Violet graag als een auditieve sculptuur.

“Er waren nog redenen. Met High Violet hadden we eindelijk door hoe we de laatste rij van de concertzaal moesten bereiken. En ergens was het een logische stap in een evolutie die al lang gaande was. Met Alligator en Boxer waren we al op weg naar boven. Met High Violet bereikten we de top. Het was de bevestiging: we’re here to stay.”

Hoe is jullie leven op tournee – het reizen, het eten, het slapen... – veranderd door High Violet?

(denkt na) Een tourbus hadden we al ten tijde van Alligator. Ons leven is na High Violet vooral makkelijker geworden. Hoe groter de zaal, hoe minder je zelf moet doen. Wij werden opeens een Grote Rockband, ook al is dat nooit onze bedoeling geweest. De bands die wij op handen droegen – Sonic Youth, Pavement, Guided by Voices – kwamen veelal uit de underground. Wij voelden ons wat ongemakkelijk bij onze nieuwe status. Wij dachten: fijn, dat hebben we ook weer gehad. En met Trouble Will Find Me, de opvolger, zijn we weer nukkig gaan doen.”

Raar: die scoorde in de hitlijsten nóg beter dan High Violet.

“Dat heb je dan: is het gaspedaal eindelijk ingedrukt, blijkt de rem kapot. (lacht) En toch is Trouble Will Find Me veel minder mainstream, vind ik. Die plaat is weirder en zit vol vreemde maatsoorten. High Violet was veel meer recht door zee.”

Wat mis je van de begindagen van The National?

“De eenvoud. Vroeger waren wij een echt muziekgroepje, weet je wel? Samenkomen, bier drinken, muziek spelen. Naarmate iedereen ouder werd, zijn we uit elkaar gegroeid, of toch geografisch gezien. Matt (Berninger, de zanger, red.) woont in L.A., Bryce in Parijs, Scott (Devendorf, de bassist, red.) in Ohio... We maken nog altijd fantastische muziek samen, maar het sprookjesachtige ideaal van een rockband is vervlogen.”

Wat is je favoriete hoofdstuk uit het hele The National-verhaal?

“Misschien wel het prille begin, de periode dat we de eerste nummers uit onze instrumenten persten: wij wisten niet dat Matt kon zingen en hij wist niet dat wij nummers konden schrijven, maar opeens gebeurde er iets. Alchemie! Dat gevoel, als een goudzoeker die in zijn bodem een rijke ader ontdekt, is enorm opwindend. Veel meer dan een vaag idee was het niet – het heeft nog even geduurd voor we effectief aan het goud zijn geraakt – maar het was alleszins het begin van onze zoektocht.

“De tijd van Boxer was ook prachtig. We hadden toen al een schare trouwe fans; er was zowaar een draagvlak voor onze muziek. Het was wel een moeilijke plaat om te maken, maar toen ze af was, had er precies een aardbeving plaatsgevonden. We stond zélf perplex: ‘Wat is er net gebeurd?’ Hoe hebben wij bijvoorbeeld ooit een song als ‘Fake Empire’ geschreven? Dat is er één voor de eeuwigheid. Bij heel Boxer voelde ik: hier kan ik opnieuw en opnieuw naar luisteren. Prachtig. Ik mis die momenten.”

Je betrekt nu Long Pond, maar wat was het grootste voordeel van de studio achter je huis in Brooklyn waar je het leeuwendeel van High Violet hebt opgenomen?

“De charme. Je kon er heel ongedwongen creatief zijn. Ik heb geen dag meegemaakt dat we moesten zwoegen, het was de ideale werkplek. Veel fantastische nummers zijn daar opgenomen. Deze nieuwe studio is soortgelijk, hoor, alleen groter. Het ruikt alleszins hetzelfde – dat ligt misschien aan ons. (lachje)

De grootste ruzies in The National vinden blijkbaar plaats tijdens de fase van de finishing touch. Hoe intens was het bij High Violet?

(denkt na) Ik herinner me er geen... Zelfs niet met Matt, wat toch uitzonderlijk is. Er was wél veel frustratie. Van ‘Lemonworld’ hebben we bijvoorbeeld meer dan honderd versies gemaakt – van stadionrock tot arthouse – om uiteindelijk toch gewoon de demo te gebruiken. (lacht) We zijn meermaals met onze kop tegen de muur gelopen. ‘Conversation 16' was pas een song op de laatste dag van de opnames: dat had evengoed níét kunnen gebeuren. Voor hetzelfde geld had High Violet helemaal anders geklonken.

“We hebben vooral vóór High Violet enorme problemen gehad. Vermoeidheid, alcohol en drugs: we hebben lang op de rand van de afgrond gestaan. Maar bij High Violet ging alles beter. Met het ouder worden zijn we andere mensen geworden, en de problemen die we nu hebben zijn niet dezelfde als vroeger.”

Wat loopt er nog mis? Je zou denken dat jullie na al die jaren wel een manier zouden hebben gevonden om harmonieus samen te werken.

“In een band manoeuvreren is zoals je weg zoeken in een donkere kamer vol Lego-blokjes: it’s pretty difficult, en af en toe doet het pijn. (lacht) We doen ons best. Wanneer we allemaal samen een pint drinken, zien we elkaar graag en zijn we de beste vrienden. Maar als iedereen in zijn eigen hoekje van de wereld toeft, komt er soms oude wrok bovendrijven. Dat kun je, net zoals in elk huwelijk, onmogelijk vermijden. Maar over het algemeen werken we beter samen dan vroeger.

“Een band is een fragiel organisme, hè? Telkens wanneer we een levensfase afronden, weet ik niet hoe het verder moet. Al onze optredens van dit jaar zijn afgelast, wij staren nu in een soort zwart gat. Hoe zal de band dat te boven komen? Een deel van mij denkt van níét. Misschien is dit wel gewoon het einde van The National.”

(verslikt zich in de koffie)

(lachje) Ik denk dat niet écht, en ik zou verdrietig zijn als we onze nummers niet meer samen zouden kunnen spelen. Maar ik zou wel denken: we had a pretty good run. Onze erfenis mag gehoord worden. De laatste show die we speelden, was in Lissabon in december. Dat was ongetwijfeld één van onze beste concerten ooit. En ik dacht toen: ofwel wil ik dit soort optredens vaker geven, ofwel mag dit het laatste zijn. (herpakt zich) Nee, we blijven heus wel bestaan. Ik druk me wellicht verkeerd uit. Ik wilde vooral zeggen: niets staat in steen gebeiteld. En als we er toch mee ophouden, ben ik fier op wat we achterlaten.

“Iedereen is ook met zijn eigen ding bezig. Bryce heeft zijn klassieke muziek, Matt bereidt een grote soloplaat voor, ik heb zoveel projecten...”

LACHEN MET U2

Eén van de mensen met wie je samenwerkt, heet Michael Stipe.

“Tiens, nu je het zegt. (lacht) Het is geen geheim dat R.E.M. één van de grootste inspiratiebronnen is voor The National. Peter Buck, Mike Mills... Dat zijn idolen. Toen R.E.M. goed was, hoorden ze bij de bésten. Dus ja, het is surrealistisch om samen met Michael Stipe in één kamer aan muziek te werken. Ik heb meegewerkt aan ‘No Time for Love Like Now’, de recente single, en er komt nog meer aan.”

Hoe moeilijk is het om samen te werken met een idool?

“Het is gek om voor één van je grote helden te staan, zogezegd als ‘gelijke’. Maar in 2007 en 2008 hebben we met The National nog uitgebreid getourd met R.E.M. en sindsdien mogen we Michael een vriend noemen. Zo zie ik hem dus, en niet zozeer als ‘de zanger van R.E.M.’

“Het blijft fantastisch om hem aan het werk te zien. Hij neemt zijn ideeën op met de oude achtsporencassetterecorder die hij al met zich meezeult sinds het begin, zingt in de goedkoopste micro... Very rock-’n-roll. Hij is écht, weet je wel? Hij zingt en hij staat er, het talent spat ervan af.”

Zijn de ruzies even erg als de ruzies met Matt?

(lacht) Eén regel: no fights with Michael Stipe.”

Volgens de legende vroeg hij jullie waarom jullie geen popsongs schreven, waarop jullie ‘Anyone’s Ghost’ uitbrachten. Was hij effectief een invloed op High Violet?

“Dat we ten tijde van Boxer met R.E.M. tourden, heeft misschien wel een weerslag gehad. In Boxer zat nog veel Pixies en folkmuziek. High Violet daarentegen was meer zoals The Smiths – met hun barokke popsongs – en zoals R.E.M. Of toch iets in die aard.”

Wat weet je nog over die keer dat je ‘Sorrow’ 105 keer op rij speelde voor een kunstinstallatie in New York?

“Dat het een soort spirituele, monumentale ode aan verdriet werd. Eerst vonden we het grappig, maar het werd al snel erg aangrijpend. Het is zelfs één van mijn favoriete dagen van ons als band. Alsof we eens echt hoge kunst aan het maken waren. De herhaling gaf de muziek en de woorden een diepere betekenis, en ik belandde in een diepe meditatieve staat. Het was een soort religieuze ervaring.

“Ik herinner me dat er tijdens het laatste uur van dat optreden een vrouw voor mijn neus stond: een nogal opvallende figuur, met gekleurde garen in d’r haar. Achteraf kwam ze op me af. Ze vroeg of ze, na zes uur aan een stuk gitaarspelen, mijn vingers mocht zien. Ik toonde haar dus mijn bebloede handen, en tóén realiseerde ik me wie die vrouw was. Björk! Zoiets maak je niet al te vaak mee.”

Gebeurt het vaak dat je zo’n compliment krijgt van geëerde collega’s?

“The National is altijd een musician’s band geweest, dus ja, soms wel. En soms levert dat vreemde situaties op. Ik stond eens met Bono te praten: bleek hij met zijn kinderen aldoor naar The National te luisteren. Die gigant van een poplegende praat tegen jóú over hoe goed hij je arrangementen vindt... Dan denk je: ‘Ja maar... Heb jíj niet, ik zeg zomaar iets, The Joshua Tree gemaakt?’ (lacht)

“Ik heb me die avond trouwens nog een kriek gelachen. Terwijl ik bij Bono was, stond Bryan (Devendorf, de drummer, red.) twee uur lang met iemand te praten zonder er enig benul van te hebben dat het The Edge was. Tot The Edge een opmerking maakte à la: ‘Ha ja, onze drummer doet het ook vaak zo.’ Waarop Bryan, oprecht geïnteresseerd: ‘Aha, en wie is jouw drummer dan?’ Ik vergeet nooit zijn blik toen het antwoord ‘Larry Mullen Jr.’ bleek te zijn. (lacht)

MILDE DWANG

De reissue op vinyl van High Violet telt drie platen: één bevat een assortiment extra tracks, B-sides, live-opnames... Welke daarvan is jouw favoriet?

“‘Wake Up Your Saints’ is een grappig liedje. Ik ben blij dat het niet op de plaat staat, maar het is wel ideaal voor zo’n bonusdisc: ik was volop aan het experimenteren met klank, en zo is die song heel toevallig tot stand gekomen.

“Wat staat er nog op? De alternatieve versie van ‘Terrible Love’, juist! De versie die op de plaat staat, is eigenlijk de demo. Ik nam Bryans drums op met één microfoon, en dat klonk zo goed dat we dat hebben behouden. Maar live werd het een véél groter nummer. Toen de plaat al uit was, zijn we opnieuw de studio ingedoken om de song nog eens op te nemen zoals hij live was gegroeid.”

Wanneer heb je voor het laatst High Violet integraal beluisterd?

“Dat is even geleden. Als de plaat uit is, luister ik er nog een tijdje naar, om te genieten van de vruchten van onze arbeid. Bij High Violet was dat een plezier. Maar sindsdien?”

Wat is jouw lievelingsnummer van de plaat? En is er ook één waarvoor je je schaamt?

“‘Little Faith’ zal altijd een speciaal plekje in mijn hart hebben. A weird song, but a really good one. Ik was dan weer nooit een fan van ‘Anyone’s Ghost’, als ik eerlijk ben. Iedereen in de band kent mijn mening over dat nummer. (lacht) En omdat ik meestal de setlist opstel, spelen we het amper. Als het toch gebeurt, kun je er donder op zeggen dat de rest van de band mij er met milde dwang om verzocht heeft.

“Eén van onze allerbeste nummers tout court vind ik trouwens ‘Lemonworld’. Geen van ons besefte aanvankelijk hoe goed dat nummer wel was. Nu, jaren later, zijn we er allemaal gek van: hebben die honderd verschillende versies toch nog iets opgebracht.”

‘Vanderlyle Crybaby Geeks’ is al sinds mensenheugenis jullie setafsluiter. Is het met dat doel in het achterhoofd geschreven?

“Helemaal niet, het was gewoon een Mazzy Star-achtig, nachtelijk ‘einde van de plaat’-nummer. Het is pas later tot iets méér uitgegroeid. Toen we in 2010 soundcheckten in het Ryman Auditorium in Nashville, de plek van de Grand Ole Opry (wekelijks countryconcert dat in de VS live op radio en tv wordt uitgezonden, red.), voelde onze sound misplaatst aan. Het is een zaal die gemaakt is voor akoestische optredens, overal hingen foto’s van Johnny Cash aan de muur... en daar stonden wij lawaai te maken met onze versterkers. Om het geluid van de kamer te omarmen, hebben we toen ‘Vanderlyle Crybaby Geeks’ als een zacht folkliedje ingezet, met Matt die de ziel uit zijn lijf zong. En dat was... magisch. De eerste keer dat we zoiets deden: een intieme afsluiter na een luid optreden, maar het bleek te werken. Niet dat wij dat concept hebben uitgevonden. Zoveel bands doen het, The Grateful Dead bijvoorbeeld ook. Maar wij vonden ’t erg ontroerend. En toen zaten we eraan vast. (lacht) Mensen verwachten het nu van ons. Hopelijk raken we er ooit nog van af, want de paar keer dat we het uit de set wilden laten, reageerde het publiek erg teleurgesteld.”

Als jullie na de coronacrisis nog terugkomen, mogen jullie het gerust laten vallen.

“Oké, bedankt. (lacht)

High Violet (10th Anniversary Expanded Edition) komt uit op 19 juni bij 4AD.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234