Maandag 21/10/2019

The Making of ...

Kuifje in Tibet neemt in het oeuvre van Hergé een heel aparte plaats in en markeert een bijzonder moeilijke periode in het leven van de auteur. Het album over de zoektocht naar de Chinese jongen Tchang kan dan ook gezien worden als Hergés manier om zijn persoonlijke moeilijkheden van zich af te schrijven.

Michael Farr

Tegen de tijd dat Hergé Cokes in Voorraad had afgewerkt, was zijn privé-leven één grote puinhoop. Zowel zijn huwelijk als zijn zenuwen stonden op springen. De niet aflatende en torenhoge eisen die de Kuifje-verhalen hem stelden, en een huwelijk waar na 26 jaar elke passie uit verdwenen was, lieten Hergé verweesd achter. Hij had steeds sterker het gevoel dat het zo niet verder kon. De algehele malaise in Hergés leven nam de vorm aan van akelige nachtmerries waarin alles opgeslorpt werd door een overweldigend, schreeuwend wit. "In die periode maakte ik echt een crisis door en mijn dromen waren vrijwel altijd wit, en erg beangstigend", zou hij later vertellen. "Ik noteerde die dromen trouwens, en ik herinner me er een waarin ik me bevond in een soort toren van trappen. Er vielen dode bladeren, die alles bedekten. Op een gegeven ogenblik verscheen in een smetteloos wit soort alkoof een spierwit geraamte dat mij probeerde te grijpen. En meteen werd alles om me heen wit, volslagen wit." Hergé was volkomen de kluts kwijt.

De dromen werden zo hardnekkig en obsessief dat hij zich ten einde raad tot een psychoanalyticus wendde. "Ik bezocht een Zwitserse arts, professor Rickling, die een leerling en volgeling was van Jung. Die zei me: 'Ik wil u niet ontmoedigen, maar u zult uw werk nooit afkrijgen. Dit is een crisis waar u doorheen moet. In uw plaats zou ik onmiddellijk stoppen.' ... Maar ik ben niet gestopt."

Hergés beslissing om ondanks een dergelijk advies Kuifje niet op te geven, kreeg een rechtstreekse parallel in het nieuwe album, waarin zijn geesteskind zelf tegen ieders advies in zijn doodgewaande vriend Tchang wil gaan zoeken. Het was een moedige beslissing, en ook een goede. Hergé besefte dat men problemen, zelfs psychologische, meestal niet oplost door ze te negeren.

Ook op het huwelijksfront koos Hergé ervoor om de problemen niet voor zich uit te schuiven. Hij was in de ban geraakt van de charmante en elegante Fanny Vlaminck, een jonge tekenares die kort daarvoor bij Studios Hergé in dienst was gekomen. Vlaminck, die half zo oud was als hij en vol vuur, slaagde erin zijn moraal op te krikken en zijn leven een nieuwe betekenis te geven. Plots had hij opnieuw een metgezel die zijn diepste passie deelde.

Maar de scheiding van zijn eerste vrouw Germaine, die hij al kende nog voor Kuifje het levenslicht zag, was geen makkelijke stap. Zijn strenge katholieke achtergrond, het waardestelsel dat hij had overgehouden aan zijn scoutsverleden, en vooral de hoge prijs die hij stelde op loyauteit, maakten het hem bijna onmogelijk om de knoop door te hakken. Een en ander verklaarde trouwens ook waarom het huwelijk zo lang standhield nadat Hergés liefde voor Germaine, die hij in beter tijden vaak Hergée noemde, uitgedoofd was.

Kuifje in Tibet werd begonnen in september 1958 en was Hergés autotherapie om de problemen aan te pakken waarmee hij op dat ogenblik worstelde. Het was een persoonlijk statement, een bevestiging van de onwrikbare waarde van vriendschapsbanden, geïllustreerd aan de hand van de vriendschap tussen Kuifje en Tchang, tussen Haddock en Kuifje en, misschien nog het ontroerendst van allemaal, tussen Tchang en de yeti.

Na de ongebruikelijke lange lijst personages van Cokes in Voorraad, waar Hergé zijn lezers verblijdt met een hele reeks oude en nieuwe personages, valt het op dat hij zich voor Kuifje in Tibet tot de absolute essentie beperkt: er zijn Kuifje en Bobbie, de onontbeerlijke Haddock die voor vriendschap en een vrolijke noot zorgt, en natuurlijk ook de bestaansreden van het avontuur, de Chinese jongen Tchang, die door Kuifje in De Blauwe Lotus gered wordt maar van wie sindsdien niets meer is vernomen. Professor Zonnebloem, een vaste verschijning sinds zijn memorabele intrede in De Schat van Scharlaken Rackham, heeft niet meer dan een onbeduidend rolletje in het begin van het verhaal, nog voor Kuifje besluit om zijn vakantie in de bergen te onderbreken. Bianca Castafiore is weliswaar eventjes te horen op de radio, maar nergens te zien. Ook Jansen en Janssen, die sinds De Sigaren van de Farao geen enkel verhaal meer gemist hadden en zelfs onbedoeld meereisden naar de maan, zijn er voor de eerste keer in 26 jaar niet bij.

Na Cokes in Voorraad, waarin een recordaantal slechteriken wordt opgevoerd, gaat het hier bovendien om een verhaal - het enige in de hele reeks - zonder één enkele slechterik. Het enige vergelijkbare album in dat opzicht is De Juwelen van Bianca Castafiore, dat op Kuifje in Tibet volgde, maar zelfs daar is er tenminste nog een kleptomane ekster. Een ander aspect dat Kuifje in Tibet zo uitzonderlijk maakt, is dat Kuifje er veel openlijker zijn emoties in uit dan in de andere albums. Kuifje draagt hier voluit het hart op de tong, en staat ver af van de scoutsachtige stiff upper lip van de vroegere avonturen, waar geen dreiging of gevaar hem te groot was. Hier is de gedachte aan Tchangs dood echter al voldoende om de heldhaftige reporter in tranen te doen uitbarsten, de eerste keer sinds diezelfde Tchang aan het einde van De Blauwe Lotus naar China vertrok. Ten slotte gebruikte Hergé het overwegend witte decor van de sneeuwvelden van de Himalaya om zijn white-outs van zich af te schrijven, en blijkbaar met succes, want tegen de tijd dat het album voltooid was, in november 1959, had Hergé de zwaarste moeilijkheden achter de rug. Er waren geen witte skeletten meer die hem tot een dodendans trachtten te verleiden. Terzelfder tijd had Hergé, inmiddels gescheiden van Germaine, een nieuw leven met Fanny voor zich. Daardoor kon hij thuis ook wat meer afstand nemen van de personages die hij in de Studios Hergé bleef creëren. Door de enorme persoonlijke betekenis die hij hechtte aan het Tibetaanse avontuur, dat zijn leven als het ware een nieuwe wending gaf, werd Kuifje in Tibet ook Hergés favoriete album, dat naar zijn oordeel zelfs Het Geheim van de Eenhoorn overtrof.

Voor hij het Tibet-verhaal begon uit te werken, overwoog de veelgeplaagde Hergé om soelaas voor zijn problemen te zoeken in een oud stokpaardje: indianen. Hij had het gevoel dat daar nog veel meer over te vertellen viel dan hij in Kuifje in Amerika gedaan had, ook al was hij er met dat album wel in geslaagd om hun uitbuiting onder de aandacht te brengen. Maar terwijl hij wikte en woog, kwam hij - wellicht terecht - tot de conclusie dat het een vergissing zou zijn om een al behandeld thema weer op te pikken. In de plaats daarvan klampte hij zich vast aan een andere strohalm uit het verleden: zijn gelukkige vriendschap en samenwerking met Tchang, een jonge Chinese beeldhouwer die in Brussel studeerde terwijl hij aan De Blauwe Lotus werkte. Hergé dacht tijdens deze moeilijke periode met heimwee terug aan hun vriendschap, die hij in het album zou weerspiegelen in de vriendschap tussen Kuifje en Tchang. Tchang was na zijn studies naar huis teruggekeerd en het contact tussen beiden werd bruusk verbroken tijdens de Japanse invasie in China, de wereldoorlog en daaropvolgend de communistische revolutie. Hergé probeerde herhaaldelijk het contact te herstellen, maar voorlopig bleven zijn pogingen zonder succes. Pas jaren later, in 1975, werd Tchang dan toch teruggevonden. In 1981 keerde hij naar Brussel terug voor een emotioneel weerzien met Hergé alvorens zich definitief in Parijs te vestigen. Tegelijk kon Hergé in dit erg persoonlijke verhaal ook twee andere thema's verwerken die hem mateloos fascineerden: buitenzintuiglijke waarnemingen en de mystiek van het Tibetaanse boeddhisme. De verweving van die drie thema's is ronduit meesterlijk: ingedut tijdens een spelletje schaak met de kapitein heeft Kuifje een beangstigend visioen van Tchang, een nachtmerrie vergelijkbaar met die waar Hergé zelf aan leed. Hij is danig van streek en gaat vroeg slapen, maar wat ligt er de volgende ochtend bij het ontbijt op hem te wachten? Een brief uit Hongkong, daar gepost door Tchang die op weg is naar Europa! Kuifje is dolblij, tot hij beseft dat Tchang, die via Calcutta en Nepal reist, het slachtoffer kan zijn geworden van een vliegtuigongeval waar de krant een dag eerder melding van maakte. Hij haalt er snel de krant van die dag bij, en leest: 'De vliegramp in Nepal - Geen overlevenden'. Kuifje voelt niettemin aan dat Tchang het ongeval overleefd heeft, en is vastbesloten naar Nepal te trekken om zijn vriend te zoeken. Hij neemt op die reis een weigerachtige maar ook hondstrouwe Haddock mee, een vriend die, als hun leven in gevaar komt (pagina 40), zelfs bereid is om het ultieme offer te brengen om Kuifje zelf te laten overleven.

Die buitenzintuiglijke waarneming wordt later in het verhaal vermengd met mystiek als de Tibetaanse monniken zien hoe een van hen, Gezegende Bliksem, een levitatie ondergaat en een visioen krijgt: "Ik zie drie mannen ... nee ... twee mannen en een jongen met een zuiver hart ... met een hondje wit als ochtendsneeuw ... Zij verkeren in levensgevaar..." Maar behalve voor de spiritualiteit van de Tibetaanse monniken had Hergé ook belangstelling voor de politieke situatie van het land. In de jaren vijftig werd dit cultureel erg rijke land gewelddadig onderworpen door zijn expansionistische buurland China. Bang voor het verlies van haar zo gekoesterde onafhankelijkheid had de regering in Lhasa eind 1948 de Verenigde Staten en Groot-Brittannië al gevraagd haar verzoek te steunen om lid te worden van de Verenigde Naties, maar tevergeefs. In oktober stuurde China 40.000 soldaten om zijn aanspraak op Tibet kracht bij te zetten en de bergstaat te 'bevrijden'. De Tibetaanse regering werd er met harde hand toe gedwongen om een 17 punten tellende overeenkomst te ondertekenen die onder meer inhield dat het de annexatie aanvaardde en het Chinese communistische bewind erkende. Wat volgde was een lange periode van politieke onderdrukking en burgeropstanden. In maart 1959 vluchtte Tibets politieke en spirituele leider, de dalai lama, naar India. Net als bij vele vorige albums zat Hergé ook hier weer pal op de actualiteit. Hij voltooide het album in november 1959, minder dan negen maanden na de dramatische vlucht van de dalai lama. En zoals zo vaak gebeurde met zijn uitgekozen thema's, bleef ook Tibet nog lang na de voltooiing van zijn verhaal actueel. De laatste jaren, met name sinds de val van het communisme in Europa en het einde van de Sovjet-Unie, is er toenemende internationale aandacht voor het lijden van het Tibetaanse volk onder het communistische bewind. De Tibetaanse taal, cultuur, religie en architectuur kregen het in naam van de Chinese eenvormigheid hard te verduren. Door ook de onvatbare yeti in zijn verhaal te betrekken, speelde Hergé rechtstreeks in op nog een ander fenomeen dat aan het einde van de jaren vijftig sterk tot de publieke verbeelding sprak. De kranten stonden vol verhalen van mensen die de yeti gezien zouden hebben, er waren de mysterieuze voetafdrukken (zoals afgebeeld op het omslag van het Kuifje-verhaal) en er werd volop gespeculeerd over de ware aard van de yeti. Internationale expedities om de Verschrikkelijke Sneeuwman op te sporenbleven alle zonder resultaat, maar ze leverden de internationale pers wel schitterende kopij op en de krantenverkoop rees de pan uit. Zoals altijd deed Hergé ook hier zijn huiswerk met de grootste zorgvuldigheid. Hij wendde zich tot zijn vriend Bernard Heuvelmans, die Hergé ook al geadviseerd had voor Raket naar de Maan. Heuvelmans had een boek geschreven over onbekende dieren waarin hij ook ruime aandacht besteedde aan de yeti. Hij leverde Hergé dan ook de nodige aanvullingen op alle krantenknipsels die hij al had verzameld. Alles samen ging het om "zeer uitgebreide documentatie", aldus Hergé.

"Ik had een lijst van alle betrouwbare personen die de yeti gezien hadden; ik had een zeer gedetailleerde beschrijving van zijn habitat, zijn leefwijze, foto's van zijn sporen, enzovoort. Ik had ook een ontmoeting met Maurice Herzog, de bedwinger van de Anapurna, die sporen had gezien. Hij verzekerde me dat die sporen niet van een beer afkomstig konden zijn: beren zijn immers viervoeters die slechts bij hoge uitzondering overeind komen, terwijl deze sporen wel degelijk van een tweevoeter waren en ophielden aan de voet van een groot gebergte. Met al die gegevens kon ik dus makkelijk, net als bij Raket naar de Maan, de valstrikken van de legende ontlopen."

Als de Verschrikkelijke Sneeuwman ooit gevonden wordt, zal die naar alle waarschijnlijkheid erg lijken op de beeltenis die Hergé ervan schetste, net zoals Kuifjes reis naar de maan profetisch nauwkeurig bleek. Er is bovendien een zekere gelijkenis tussen Hergés voorstelling van de verschrikkelijke yeti en het 'monster' van Kiltoch in het vroegere De Zwarte Rotsen. Het belangrijkste verschil is het uitgesproken eivormige hoofd van de yeti. Ranko is in het Schotse avontuur een conventionele, zij het fors uitgevallen gorilla. Beide blijken ook een gevoelige kant te hebben die achter hun angstaanjagende uiterlijk schuilgaat. Kuifje schenkt de ene aan de Londense dierentuin, de andere laat hij zijn eenzame bestaan in zijn schuiloord in de Himalaya voortzetten.

Hergé zag Kuifje in Tibet als een "lied dat is opgedragen aan de vriendschap", iets wat op tal van manieren in het boek doorschemert. Zo schildert hij de yeti af als een bijna menselijk wezen. "Mijn yeti is een wezen dat ook vriendschap zoekt. Al vanaf het prille begin was ik van plan om hem menselijker te maken, en helemaal niet zo 'verschrikkelijk'." Hergé steunde voor die benadering onder meer op een verklaring van een sherpa die beweerde dat de migoe (de Tibetaanse naam voor de yeti) een jong meisje meegenomen en verzorgd had. Zo wordt ook in het verhaal de gewonde Tchang, de enige overlevende van het vliegtuigongeval, teruggevonden en verzorgd door dit vreselijk uitziende maar goedhartige wezen. Tchang vertelt aan Kuifje en Haddock hoe dol de yeti wel op hem was. "Eerst bracht hij me koekjes die hij tussen de wrakstukken van het vliegtuig had gevonden. Daarna leefde ik op kruiden en wortels die hij meebracht van zijn nachtelijke tochten. Soms bestond zijn buit uit kleine dieren..." Kuifje merkt op dat Tchang hem 'Arme Sneeuwman' noemt, en zegt: "Vreemd! ... Jij bent de enige die hem kent, en je spreekt niet van de 'Verschrikkelijke Sneeuwman'." "Zo vreemd is dat niet, Kuifje: hij heeft voor me gezorgd. Zonder hem was ik van honger en kou omgekomen."

En dan is er nog het bitterzoete einde van het verhaal met Kuifje, Haddock en Tchang die met de karavaan wegrijden, van op een veilige afstand achter de rotsen gadegeslagen door een bedroefde yeti, die een afscheidskreet uitstoot. "Het afscheid van de yeti, Tchang! ... Nu is hij weer eenzaam, tot de dag aanbreekt waarop het de mensen die hem zoeken, lukt hem gevangen te nemen", zegt Kuifje. "Nou, ik hoop dat ze hem nooit zullen vinden, want dan zullen ze hem behandelen als een wild dier", antwoordt Tchang. "En heus, Kuifje, hij ging zo met me om dat ik me wel eens afvroeg of hij geen menselijk wezen is." "Wie weet?", antwoordt Kuifje. Voor Hergé was er niets boosaardigs aan de yeti.

Hergé was zoals gezegd ook geïntrigeerd door levitatie. Dit fenomeen, zo merkte hij op, "werd beschreven door een groot aantal hoogst geloofwaardige auteurs, met name Alexandra David-Neel en, naar ik geloof, Fosco Maraini, die enige tijd in Tibet doorbracht". De geduchte Alexandra David-Neel, een baanbrekende tibetologe, was Hergés voornaamste bron voor zijn hoogst authentieke en warme portret van Tibet, zijn kloosters, monniken, inwoners en gebruiken. David-Neel heeft uitvoerig gepubliceerd over Tibet, voornamelijk in de jaren dertig. Enkele van haar boeken waren With Mystics and Magicians in Tibet, uitgegeven in Londen in 1931, en Initiations Lamaïques, dat een jaar eerder verscheen in Parijs en Hergé in het bijzonder beïnvloed blijkt te hebben. Talloze details en voorbeelden van de couleur locale lijken zo uit David-Neels boeken te komen en in Hergés verhaallijn te zijn verwerkt. Zo vertoont het tentenkamp dat sherpa Tharkey en de koelies opslaan (pagina 22) een opmerkelijke gelijkenis met een van de kampen die in David-Neels boek staan afgebeeld. Het gezelschap eet die avond tsampa, wat Hergé in navolging van dezelfde auteur omschrijft als geroosterd gerstemeel met thee en boter. We leren ook de drank Tchang kennen, een sterk plaatselijk bier. Ook de religieuze monumenten die het Tibetaanse landschap sieren, de chortens, staan in David-Neels boek geïllustreerd en werden door Hergé overgenomen. "Dat chorten, sahib. Daar as van grote lama's bewaard", legt Tharkey uit aan Kuifje, en dan aan Haddock: "Ongeluk over jou, sahib, als jij rechts langs chorten gaan..."

Verderop in het verhaal, op pagina 61, zijn de klederdracht en de typische muziekinstrumenten van de Tibetaanse monniken te zien die David-Neel in haar boeken beschrijft, net zoals de rituele schenking van de zijden sjaal, een goed onderhouden Tibetaans gebruik."Gegroet, o Zuiver Hart!", zegt de Grote Wijze tot Kuifje. "Ik schenk u deze zijden sjaal zoals onze traditie het wil."

Hergé maakt ook handig gebruik van een ander Tibetaans gebruik waar David-Neel gewag van maakte: het uitsteken van de tong als een vorm van begroeting. Kapitein Haddock is razend als hij, op pagina 53, zo door de dorpskinderen begroet wordt. "Bengels die jullie zijn! ... Leren ze jullie dat op school soms?", schreeuwt hij, en bij wijze van antwoord zet hij zijn gespreide hand tegen zijn neus: "Lekker puh, vlegels!" "Moet je nagaan", vertelt hij aan Kuifje, "die rekels hier hebben het lef bij wijze van welkom hun tong tegen me uit te steken!" "Maar natuurlijk, kapitein, zo begroet men elkaar in Tibet ..." Nu hij dat plaatselijke gebruik heeft leren kennen wil de kapitein het natuurlijk ook graag in de praktijk brengen: "Vaarwel! ... Op zijn Tibetaans! ... NNNH!", zegt hij terwijl hij zijn tong uitsteekt tegen de jongen die hen door de bergen geloodst heeft. Daarmee wreekt hij zich op dezelfde manier als tegen de spuwende lama's aan het einde van De Zonnetempel.

Maar zoals altijd beperkte Hergé zijn zoektocht naar geschikt materiaal niet tot één enkele bron. Zijn abonnement op National Geographic Magazine leverde een reeks waardevolle foto's op, waarvan hij een selectie bewaarde in zijn mapje 'Alpinisme'. Nummer 29 bevat bijvoorbeeld een illustratie die bruikbaar was voor het incident met het ijshouweel op pagina 33. De centrale foto van 'Alpinisme 1' laat een gletsjer en een ijsgrot zien die duidelijke gelijkenissen vertonen met die welke afgebeeld staan op pagina's 34 en 35 van het verhaal. Op de keerzijde van 'Alpinisme 42' staan 'aan touwen vastgemaakte bergbeklimmers nabij de top van Mount Rainier' in bijna identiek dezelfde houding als Tharkey, Kuifje en Haddock op platen 2 en 4 van pagina 43. De foto die Hergé bewaarde als 'Alpinisme 48' is precies zoals de derde plaat op dezelfde pagina. Een andere map, 'Spéléologie' genoemd, bevat voorbeelden van ander gebruikt materiaal, zoals '1950 France Spéléologie 3' die bijkomende directe inspiratie leverde voor de ijsgrot waar Haddock op pagina 34 in valt. Hergés berglandschap is door dat alles verre van monotoon, ook al is het voor het grootste overdonderend wit, net zoals zijn dromen. Zijn beheersing van het medium stelt hem in staat staaltjes van grafische virtuositeit ten beste te geven, zoals de drie platen op pagina 35 waar de bergketen van de ene plaat in de andere doorloopt, waardoor het als één scène gezien kan worden en zo het tijd- en ruimtegevoel versterkt. De levendige Tibetaanse scènes van het hoogtepunt van het verhaal worden in dit opzicht geëvenaard door de bijzonder realistische platen eerder in het album van New Delhi en Katmandoe. Zo zijn er prachtige illustraties van de Qutab Minar en de Rode Vesting in Delhi als Kuifje en Haddock net de tijd hebben voor wat sightseeing tijdens de tussenlanding. De cinematografische kwaliteiten van deze platen zijn dusdanig dat het lijkt alsof Hergé een heel productieteam naar deze kleurrijke steden had gestuurd om ter plekke beeldmateriaal te verzamelen. In werkelijkheid werd alles zorgvuldig samengesteld in de bureaus van de Studios Hergé aan de Brusselse Louizalaan.

Ook voor het lieflijke begin van het verhaal in de Franse Alpen heeft Hergé geen enkel detail veronachtzaamd. De beelden stralen inderdaad de typische rust uit van een typische zomervakantie in de bergen, tot Kuifjes droom en het nieuws over het vliegtuigongeval die vakantie brutaal verstoren. De heldere, zuivere lucht lijkt inderdaad als champagne, en ook het hotel kon met zijn stijlvolle meubilair uit de jaren vijftig, zijn rijke collectie schilderijen en zijn kamerplanten niet typischer zijn. Hergé moet met zijn voorliefde voor vakanties in de Franse en Zwitserse Alpen trouwens zelf tal van dit soort familiehotels bezocht hebben. Hier heeft hij het skioord Vargèse in de Haute-Savoie uitgekozen, dezelfde plaats waarmee hij ook De Najavallei in de reeks Jo, Suus en Jokko begint (1957).

National Geographic leverde hem nog meer ideeën. Hij hield zelfs een mapje bij dat 'Piment' heette, peper dus. Op vel 3 is een kleurenfoto uit het tijdschrift gekleefd van rode pepers die in de zon drogen op Mallorca, een beeld dat Hergé op pagina 11 van het verhaal herhaalt in Katmandoe. In zijn mapje 'Accidents' had hij een foto van het wrak van een DC6 nabij Caïro, die sterke gelijkenissen vertoont met de overblijfselen van de DC3 op pagina 28 van het verhaal. De markeringen van de DC3 zijn nauwgezet overgenomen van een foto van een Lockheed Constellation met Air India - markeringen van 1954 in Hergés mapje burgerluchtvaart. De Constellation van Air India duikt ook zelf in het verhaal op als het toestel waar Kuifje en Haddock uitstappen in New Delhi (pagina 6). Onder 'Personeel Air India 1958' bewaarde hij een foto van cabinepersoneel die het model opleverde voor de stewardess op pagina 9, en er is zelfs een model voor de onthutste politieman op pagina 8.

Maar Hergés onophoudelijke streven naar nauwkeurigheid en getrouwheid leverde hem ook een klacht op. Op een bepaald ogenblik kwam een vertegenwoordiger van Air India zich bij hem beklagen over de negatieve publiciteit die hij de maatschappij had bezorgd door de gecrashte DC3 de naam, de kleuren en het embleem van Air India te geven. "Het is een schandaal!", zei de man. "Er is nog nooit een vliegtuig van ons neergestort! U doet ons groot onrecht." Hergé reageerde op de klacht door de naam en het embleem van het getroffen vliegtuig te veranderen. Toch vroeg hij zich af of het fictieve Sari Airways dat hij gekozen had misschien niet toch echt kon bestaan op het Indiase subcontinent met zijn vele luchtvaartmaatschappijen. "Ach, dat is de prijs die je betaalt voor nauwkeurigheid", merkte hij op.

Door hun uitzonderlijke vastberadenheid om tegen wil en dank toch verder te gaan - Hergé met het verhaal en Kuifje met de zoektocht naar Tchang - werd de weg vrijgemaakt voor nog meer verhalen. Zowel Kuifje als Hergé kregen immers een nieuwe levensadem door dit bijna therapeutische verhaal, dat zo weinig veelbelovend begonnen was onder de werktitel Le Museau de la Vache (De Snuit van de Koe) of zelfs Le Museau de l'Ours of le Museau du Yack. Het is niet zonder betekenis dat Hergé blijkbaar terugdacht aan de vorige wereldreizen van de reporter en opnieuw voor de titel Kuifje in/en ... opteerde. Afgezien van Kuifje en het Zwarte Goud (en, enkel in het Nederlands, Kuifje en het Haaienmeer) was dat niet meer gebeurd sinds Kuifje in Amerika, bijna dertig jaar eerder. Hergé zou ook naar die formule teruggrijpen voor de twee laatste verhalen uit de reeks, het voltooide Kuifje en de Picaro's en het onvoltooide Kuifje en de Alfa-Kunst.

Uit: Tintin, The Complete Companion, Michael Farr, Editions Moulinsart, 2001. Alle citaten van Hergé komen uit Entretiens avec Hergé, Numa Sadoul, Editions Casterman, 1983.

Vertaling en bewerking: Wim Coessens Illustraties © Editions Moulinsart

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234