Donderdag 06/05/2021

The importance of being Oscar

Honderd jaar geleden stierf Oscar Wilde

door Erwin Mortier

Op 30 november 1900 blies in een aftands hotel in Parijs Oscar Wilde zijn laatste adem uit. Een eeuw nadien blijven zijn werk en zijn persoon de publieke opinie beroeren. Wie was Wilde? De estheet, de dandy? Of de gezette burger met een dubbelleven die zijn homoseksuele avonturen met hooggestemde idealen omkleedde?

Een paar dagen voor zijn dood hadden de dokters hun oordeel geveld: "De diagnose van hersenvliesontsteking moet zonder twijfel worden gesteld." Operatief ingrijpen bleek niet mogelijk en had wellicht ook weinig verlossing gebracht. Wilde was nog helder genoeg om te beseffen dat het einde nabij was, maar kort daarop begon de infectie zijn geest aan te tasten. "Vandaag vroeg hij om paraffine," schrijft een van zijn vrienden, "tot we eindelijk begrepen dat hij La Patrie bedoelde", de krant. Het is een sarcastische speling van het noodlot voor een man die met de hem eigen mengeling van ijdelheid en zelfspot ooit had gezegd: "Ik hoor graag mezelf praten. Het is een van mijn grootste genoegens. Ik hou vaak lange conversaties alleen met mezelf, en ik ben zo verstandig dat ik soms geen woord begrijp van wat ik zeg."

Rond halfzes in de ochtend van 30november begon zijn ademhaling te vertragen tot een slepende doodsreutel die hem bloed en schuimend speeksel deed spuwen. Volgens zijn vrienden stierf hij om tien voor twee, volgens de lijkschouwing om halfdrie. Zijn dood vormde het gedroomde slotakkoord voor de mythebrouwers die in de eeuw sindsdien zijn werk en zijn persoon zo mogelijk met nog meer fantasie hebben omzwachteld dan hij bij leven zelf al deed: "De goden hadden mij bijna alles gegeven. Ik bezat groot talent, een klinkende naam, een hoge sociale positie, ik was briljant en roekeloos intelligent. Ik maakte van de kunst een filosofie, en van de filosofie een kunst. Ik veranderde de geest van de mens en de kleur van de dingen, niets van wat ik zei of dacht, of het bracht de mensen in verbazing... Ik behandelde de kunst als de opperste realiteit en het leven louter als een soort fictie. Ik maakte de verbeelding van mijn eeuw wakker, zodat ze mythen en legenden om me heen schiep. Ik vatte alle systemen samen in een zinsnede, en heel het bestaan in een epigram." Een bondig en niet bepaald nederig zelfportret, dat in een notendop alles bevat dat hem honderd jaar na zijn dood nog steeds van even hevige lof als kritiek verzekert. Zijn bewonderaars roemen zijn geestigheid, een kruising van Brits flegma (ook al was hij een Ier) met Franse esprit. Zijn critici kijken meestal nogal zurig neer op zijn cultus van het schone, de kunst om de kunst, zijn onvoorwaardelijke esthetisme. Hij wordt niet zelden bewonderd om wat gerust wat kritiek mag hebben en oogst kritiek om wat ook een eeuw na dato nog altijd bewondering verdient.

Wildes hoge citeerbaarheid heeft hem aan het brede publiek nagelaten als een verknipt verschijnsel, een stel bon-mots, pittige anekdotes, een levensgeschiedenis in het teken van hoogmoed en de onvermijdelijke val, het schitterende talent met de donkere schaduwkant. Een godenkind, door zijn moeder, dichteres en vurig Iers nationaliste, bedacht met de rinkelende naam Oscar Fingal O'Flahertie Wilde, waarin Ierse helden en koningen nagalmen. Wilde het wonderkind, dat als joch van vierentwintig een prestigieuze onderscheiding kreeg voor zijn poëzie en door zijn gevatheid, de flamboyante coutures waarin hij zijn boomlange gestalte hulde en zijn naar het schijnt onnavolgbare dictie, gestaag een geziene en gesmaakte figuur werd in societykringen. Een man die over de tong reed, met karikaturen in Punch werd vereerd, pijlsnel succes maakte, en naast een bestaan als echtgenoot en vader van twee kinderen een hartstochtelijke maar grotendeels platonische verhouding had met de piepjonge adelborst Lord Alfred Douglas, wiens vader hij aanklaagde wegens smaad, om ten slotte zelf te worden veroordeeld voor ontucht met mannen van de straat. Gevolg: bankroet, dwangarbeid, een vrijwillige ballingschap in Frankrijk, en een berooid en eenzaam levenseinde tussen de scherven van een gebroken reputatie. Het kostbare erts, kortom, waaruit vette krantenkoppen worden gesmolten.

Er is ook de Wilde die in 1891 bij zijn bezoek aan Parijs de taak op zich nam om de jonge André Gide naar eigen zeggen te 'demoraliseren'. Gide was 21, groen als een gazon onder de veilige maar benauwende rokken van zijn zeer protestantse moeder (de ergste soort, zei Wilde over de Franse protestanten, op de Ierse na). Gide omschreef de drie weken waarin hij vrijwel dagelijks met Wilde optrok als een spirituele verleiding: "Wilde leek te stralen." "Ik moet je leren liegen," vertrouwde Wilde hem op zijn beurt toe, "zodat je lippen mooi en gewelfd worden, als op een antiek masker."

Het duurde niet lang of Gide, gewrongen tussen zijn Hugenootse afkomst en Wildes baldadige poging hem daaruit los te wrikken, begon aan spirituele zonnebrand te lijden. "Wilde is eropuit om met religieuze verbetenheid te doden wat rest van mijn ziel," schreef hij aan Valéry, "want hij zegt dat om een essentie te kennen men ze moet onderdrukken... Alles bestaat uit niets anders dan zijn leegte." Misschien het meest symbolisch van al is dat in Gides anders zo nauwgezet bijgehouden dagboeken de pagina's over zijn kennismaking met Wilde ontbreken. In elk geval is de ontmoeting ingrijpend geweest en bepalend voor Gides verdere ontwikkeling, hoe verwarrend een en ander op het ogenblik zelf moet zijn geweest: "Wilde deed me niets dan kwaad, denk ik. In zijn buurt had ik de gewoonte verloren om te denken. Ik had meer gevarieerde emoties, maar ik vergat hoe er orde in aan te brengen." De ontmoeting zou een paar jaar later een vervolg krijgen in Algiers, waar Wilde Gide uiteindelijk een jonge Arabier aan de hand deed, die hem vervolgens alle hoeken van de slaapkamer liet zien. Gide ervoer het als een openbaring, een ontdekking van zichzelf.

Richard Ellman, Wildes biograaf, heeft wellicht gelijk wanneer hij stelt dat Gide door Wilde een manier kreeg aangereikt om zich op een cruciaal moment in zijn jeugd los te maken uit een levenshouding die nog niet in het reine was met zaken als liefde of religie, en uit een religie die misschien wel beschutting bood maar je ook voortdurend achterom deed kijken. Het is tegelijk een visie die bepaald wordt door wat voor Ellman zelf de essentie van Wilde vormt: diens 'verborgen' geaardheid als de kern van zijn kunstenaarschap, en het is de vraag of die visie klopt. Ze geldt waarschijnlijk wel voor Gide, die zich later in zijn leven zou opwerpen als voorvechter van de rechten van homoseksuelen, terwijl Wilde dat nooit expliciet heeft gedaan. Diens uitlating dat zijn homoseksuele avonturen op lichamelijk vlak waren wat de paradox was voor het denken, is geen boutade en diens verwerping van een persoonlijke essentie meer dan gepoch van een literaire veteraan tegenover een jongere vakbroeder.

In De ziel van de mens onder het socialisme, een traktaat waarin voor Wildes doen opvallend weinig aforismen te plukken vallen, komt die problematische kijk op het 'ik' duidelijk naar voren. Het werk wordt nogal eens meewarig bekeken, niet het minst door de nogal bizarre melange van socialisme, katholicisme en esthetiek. Er komt een Wilde uit naar voren die volkomen wars is van de heroïek van het lijden en begaan met het lot van de verpauperde klassen op een wijze die verder gaat dan het caritatieve denken van zijn tijd. Hij bepleit een samenleving die zodanig is opgebouwd dat armoede onmogelijk wordt, wat hulporganisaties eerder verhinderen dan bewerkstelligen: "Net zoals de ergste slavendrijvers degene waren die goed waren voor hun slaven, en zodoende vermeden dat de verschrikking van het systeem doordrong tot wie er onder leden, zijn de mensen die de meeste schade aanrichten zij die het meeste goed willen doen. Liefdadigheid vernedert en demoraliseert." Men kan zich afvragen wat hij zou denken van Blairs socialisme van de derde weg.

Voor Wilde zijn rijk en arm, ondanks de verschillen in welstand en voorrechten, allebei even slecht af. "In een samenleving als de onze, waar eigendom immense distinctie, sociale positie, eer, respect, titels en andere aangename zaken met zich meebrengt, stelt de mens, van nature ambitieus, zich tot doel zijn bezit uit te breiden, lang nadat hij heeft wat hij wil of kan gebruiken, of genieten, of zelfs maar bevroeden." In wezen is iedereen het slachtoffer van een maatschappelijk bestel dat individuen in de omstandigheden van hun klasse vastvriest: "De mens wordt gedwongen in een nis waarin hij niet vrijelijk kan ontwikkelen wat schitterend, fascinerend en verrukkelijk aan hem is, waarin hij uiteindelijk het ware plezier en genot van het leven ontbeert."

Het socialisme van Wilde is een bevrijdingsleer van het individu, ver voorbij de verbetering van het materiële welzijn. "De ware perfectie van de mens ligt niet in wat hij heeft, maar wat hij is." En aan het einde van de weg straalt de Kunst, als belofte van die perfectie. Met de voorwerpen die de massaproductie voortbracht loopt hij dan ook niet hoog op. "Overal waar ik kwam vond ik slecht behang, afschuwelijk qua design," schrijft hij over de interieurs in Amerika, "en gekleurde tapijten, en die oude belediging de paardenharen sofa, waarvan de verwezen aanblik van onverschilligheid altijd zo deprimeert. Ik vond banale kandelaars en machinaal gemaakt meubilair, doorgaans in rozenhout dat droefgeestig knerpte. Ik kruiste het pad van de kleine gietijzeren kachel die men maar blijft versieren met machinaal geproduceerde ornamenten, en die even vervelend is als een regenachtige dag. Wanneer men zich met ongewone extravagantie had uitgeleefd, was hij versierd met funeraire urnen." Men kan zich nogmaals afvragen wat hij zou hebben geschreven over Duchamp en de hele stroming in diens kielzog die de objecten uit de massacultuur op hun kop zette, als een ludiek verzet tegen de voorgekauwde gedragingen die ze ons opleggen.

Voor Wilde is Kunst Individualisme, beide met hoofdletter, "en Individualisme is een storende en ontwrichtende kracht. Daarin schuilt de immense waarde ervan. Want wat het zoekt is het verstoren van de monotonie, de slavernij van de zeden, de tirannie der gewoonte en de reductie van de mens tot het niveau van een machine." Hijzelf pleit voor de intieme relatie van de ambachtsman met zijn unieke werkstuk. Wildes esthetiek is ten gronde een verzet, een lichtvoetig vermomde ondermijning van de bruikbaarheid van de mens, en zijn afwijzing van een persoonlijke essentie is een uitstel van identiteit, in de overtuiging dat dit in de gegeven omstandigheden altijd een vervalsing moet zijn.

Het is verleidelijk de vraag te stellen in hoeverre die elegant verpakte subversiviteit heeft meegespeeld in zijn publieke vernedering voor de schijnwerpers van de internationale pers. Nogal wat van de lords en lady's die hem graag als gadget aanboden op hun dure partijtjes waren heimelijk ook bevreesd voor zijn scherpte. Hijzelf heeft zijn neergang deels terecht opgevat als de wrake van een hypocriet bestel: "Als er een volgende eeuw aanbrak, en ik zou nog in leven zijn, het zou meer zijn dan de Britten kunnen verdragen."

Hij heeft het net niet gehaald, tenzij een postume monoloog, op het mysterieuze radiotoestel van een Engels medium, in de namiddag van 20 augustus 1962, meer was dan een practical joke. De bard liet weten nog altijd te schrijven. Zijn reputatie baarde hem geen zorgen meer, "maar het lijkt een boel mensen bezig te houden aan jullie kant! Mijn reputatie heeft meer geld opgebracht sinds mijn dood dan ik ooit heb verdiend met mijn toneelstukken." Hij vond het leven aan de overkant stukken beter en bedankte het aanwezige publiek allerhartelijkst, maar ik vraag me af of het dat was wat hij bedoelde toen hij kort voor hij stierf liet weten: "Ik zal geen nieuwe vrienden meer leren kennen tijdens mijn leven, maar misschien een paar nadat ik dood ben."

'Ik maakte van de kunst een filosofie, en van de filosofie een kunst. Ik veranderde de geest van de mens en de kleur van de dingen'Wildes uitlating dat zijn homoseksuele avonturen op lichamelijk vlak waren wat de paradox was voor het denken, is geen boutade

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234