Zaterdag 21/09/2019

The Good, the Bad en the Ugly

Juni 2008. Op Lincoln Avenue in Chicago, waar de tijd terug naar 1934 is gedraaid, filmt Mann het einde van Dillinger. Eén man op de set, een 47-jarige volbloed-Texaan die in New Jersey woont, heeft er zijn werk als figurant op zitten. Hij heet Bryan Burrough, werkt voor Vanity Fair, schreef als reporter bij The Washington Post met zijn eerste boek - Barbarians at the Gate: The Fall of RJR Nabisco (co-auteur John Helyar) - “the best business book ever”, en legt thuis de laatste hand aan zijn vijfde boek, The Big Rich, een kroniek van vier oliegeslachten. Het is ver voorbij middernacht, maar Burrough wil niet weg. Hij wil zo lang mogelijk proeven van de verfilming van zijn vierde boek. Behalve over het setbezoek en een cameo is er vanuit Hollywood nooit met hem gepraat. Niet sinds hij in 2004 de rechten verkocht, die hij nota bene had teruggekocht van televisiezender HBO. Want wat als een boek van meer dan 600 bladzijden eindigde in 2004, en in 2009 een film van 100 miljoen dollar werd, begon in 1999 inderdaad als een idee voor... een televisiereeks die nooit werd gemaakt. Om halfdrie ’s nachts houdt Burrough het dan toch voor bekeken. Maar dan tikt iemand hem op de schouder. Het is Mann. “Nog niet weggaan”, mompelt die. “Ik moet je iets laten zien.” Vandaar gaat het naar een sportcafé waar de crew zijn basis heeft en er op een paar krukken een projector is geïnstalleerd. Wat later kijkt Burrough met Mann naar de eerste gemonteerde sequentie van de film. Buiten breekt de morgen aan, binnen komt geschiedenis in hyperreële HD tot leven. Over geschiedenis gaat ook ons gesprek, dat plaatsvond op de dag dat in Dallas, Texas een Remington .41 caliber Double Derringer werd geveild die 75 jaar geleden van John Dillinger himself werd afgenomen bij zijn arrestatie in Tucson, Arizona.

De FBI, toen nog Bureau of Investigation, beleefde in 1933 en 1934 buitengewoon intense tijden. 75 jaar later zijn 2008 en 2009 voor u uitzonderlijk bewogen jaren.

“Het was en is een volslagen krankzinnige, opwindende en diep bevredigende tijd, ja. Ik ben al 25 jaar actief als journalist, beleefde rustige en drukke jaren, en dan maak je dit allemaal mee. Begin 2008 dacht ik nog dat er niets van zou komen. Dan was er het script - niet honderd procent historisch accuraat, maar wel het beste wat Hollywood ooit over de periode had gedaan. Vervolgens de casting: Johnny Depp, Christian Bale… Ik werd Googleziek: zeker drie keer per dag zat ik naar nieuws te zoeken. Weet je, die tijd waarin ik onderzoek deed, waarin ik het boek schreef, was een van de mooiste uit mijn leven. Public Enemies was nog steeds mijn kindje, ook al was er een knappe kerel mee vandoor. Ik wou er bij zijn, droomde zelfs van een rolletje. In juni vorig jaar werd die droom werkelijkheid, in juni dit jaar was er de release van de film, en mijn boek stond weer in de bestsellerlijsten en werd wereldwijd vertaald. Let op, er was nog meer aan de gang. Oktober vorig jaar: de editie voor de 20ste verjaardag van Barbarians at the Gate. Januari dit jaar: de publicatie van The Big Rich. Ik werd eigenlijk compleet overdonderd. Gelukkig bleef mijn vrouw er stoïcijns bij.”

De nieuwe editie van Public Enemies zet vanzelfsprekend good bad guy Dillinger op de cover, maar eigenlijk gaat het boek over de FBI, aanvankelijk de bad good guys. En ugly, eigenlijk.

“Beslist. Ik kon het maar niet in mijn kop krijgen dat de verhalen die ik als kind hoorde van mijn grootvader, die sheriff was geweest, echt waren gebeurd. Dat er zoveel legendarische misdadigers vrij spel hadden op hetzelfde moment, was onbegrijpelijk: Dillinger, Bonnie & Clyde, Machine Gun Kelly, Pretty Boy Floyd, Baby Face Nelson, de Barker-Karpisbende. Verbijsterend werd het pas toen ik in de FBI-archieven dook en zag hoe onbeholpen het allemaal begon. Begin 1933 was de U.S. Department of Justice Bureau of Investigation een grap. Een paar honderd agenten, met bevoegdheid over kleinere federale vergrijpen: op zee, in Alaska, in Indianenreservaten. Ze mochten geen wapens dragen en niemand arresteren. Maar een zaterdag in juni 1933 veranderde alles. The Kansas City Massacre was, samen met de kidnapping van twee miljonairs uit het Midwesten, het incident dat de FBI in de zogenaamde war on crime sleurde. Twee huurmoordenaars, onder wie bijna zeker Pretty Boy Floyd, schoten in Union Station een groepje van BI-agenten en politiemensen van Kansas City dat een ontsnapte federale gevangene escorteerde aan flarden. Drie doden: de gevangene, een politieman en... een BI-agent. Plots kregen alle BI-agenten, die zogoed als geen ervaring hadden in politiewerk, wapens in de handen gestopt. Ze moesten het nu maar eens gaan doen, Machine Gun Kelly of John Dillinger opsporen. Wat ze deden, waren vooral veel stommiteiten. Ze arresteerden de verkeerde mensen, brachten de verkeerde mensen voor de rechtbank, sloten de verkeerde mensen op, schoten de verkeerde mensen neer, en schoten er zelf soms het hachje bij in.”

Maar ze leerden bliksemsnel.

“Door mijn onderzoek van de FBI-documenten heen kon ik bijna zien hoe Hoovers jongens beter werden. Ik zag hoe ze wapens leerden gebruiken, hoe ze informanten rekruteerden, voortvluchtigen opspoorden. Aan het einde van die twee jaren waren de BI-agenten nationale helden. J. Edgar Hoover was van de ene dag op de andere een sensatie. Ik maakte me zelfs wat zorgen over mijn portret van Hoover. Het is niet de gebruikelijke tekening van machtshonger, paranoia, corruptie, illegale praktijken. Het is het beeld van een jonge, uiterst competente kerel die in minder dan twee jaar tijd grote schoonmaak houdt, het aantal bankovervallen en ontvoeringen tot nul herleidt. En vooral de Amerikanen ervan overtuigt dat de federale overheid een verantwoordelijkheid voor ordehandhaving draagt. Die idee is vandaag vanzelfsprekend, maar vóór de clash met Bonnie en Clyde of Dillinger was ze onbestaand. Ordehandhaving was de exclusieve taak van de plaatselijke sheriff of lokale politieafdeling, die vaak tot op het been corrupt waren.”

Toen Paul MacCabee in 1995 zijn John Dillinger Slept Here uitbracht, klaagde hij steen en been dat de FBI voortdurend dwarslag tijdens zijn onderzoek. Uw timing was beter.

“Je hebt je huiswerk gedaan. Ik heb mijn boek kunnen schrijven door op de schouders te gaan staan van enkele reuzen zoals Bill Helmer en Paul, die een goeie vriend van me is. Toen ik in 1999 zelf de misdaadgolf van 1933-’34 aanpakte, was ik wel de eerste die de bronnen doorzocht voor de hele periode en voor alle figuren. Alle documenten waren vrijgegeven en ik kon als eerste van binnenuit het verhaal vertellen van wat de FBI daadwerkelijk allemaal deed. Niet het verhaal van wat de kranten dachten dat hij deed.”

Het moet wel een titanenwerk zijn geweest. Ik las enkele verslagen van agenten die kennissen van Dillinger in de gaten hielden en schrok ervan hoe uitvoerig die waren.

“Het FBI-materiaal was gi-gan-tisch. Ik geloof dat het ongeveer 1 miljoen pagina’s waren. Ik reed aanvankelijk vier uur van New Jersey naar Washington om in de leeszaal onder bewaking de originele documenten te bekijken. Ik bleef steeds ter plaatse overnachten, maar dat kostte me telkens 200 dollar voor een hotel. Uiteindelijk haalde ik eens diep adem en kocht ik gewoon het hele archief. Dat ging om 10 dollarcent per vel, een fortuin. Mijn vrouw was er niet gelukkig mee. Ze was nog minder gelukkig toen ik de stapels papier die wekelijks vanuit de FBI naar mijn huis werden gestuurd in onze garage moest opslaan in tientallen archiefkasten. En het ging verdorie enkel maar om de jaren 1933 en 1934! Alleen al om door die hoop heen te geraken, alles te indexeren, was ik een vol jaar zoet. Jongens, vervelend dat het was om alles te moeten lezen. Tegelijk groeide de opwinding, omdat ik wist dat ik de eerste was die hierover een coherent verhaal zou vertellen.”

Dit is anders verre van klare geschiedenis. U moest door een dikke laag mythologie kijken en wat eronder stak was allesbehalve eenduidig. Zelfs de rapporten van de drie agenten die op een paar meter van elkaar op Dillinger schoten, verschillen.

“De essentie van wat ik doe is uiteraard alle mogelijke bronnen tegen elkaar afwegen en voor mezelf uitmaken welke versie van de waarheid voldoende bewijskracht heeft. Die versie geef ik dan weer. Als er een verschillende stem is die enig recht van spreken heeft, neem ik die op in een voetnoot. Kan ik in eer en geweten geen goede keuze maken, dan laat ik alle kanten van het verhaal zien. Als historicus verwelkom ik zelfs dat er verschillende versies zijn. Neem nu Ana Sage. Het valt na 75 jaar echt niet uit te maken wat precies haar rol was in de ondergang van Dillinger, ook al heerst er een consensus over het klassieke relaas.”

Tegelijk beseft u goed dat het verhaal moet kunnen rollen, geen rust mag kennen.

“Ik wil geen historische handboeken schrijven, neen. Mijn boeken moeten entertainen, de lezer boeien. Ik maak het mezelf wel niet echt makkelijk. In tegenstelling tot anderen zet ik alles graag chronologisch uiteen, laat ik massa’s personages opdraven die ik eerst moet situeren. Een lezer moet soms een hele brok kauwen voor hij of zij kan slikken.”

Al uw ‘geschiedenissen’ zweven tussen verbeelding en werkelijkheid, mythe en feit. En uw gevechten met de fictie in non-fiction lezen even spannend als de beste fictieroman. Public Enemies eindigt heel mooi, bij het graf van Dillinger, met één woord: ‘Real.’ Na 600 bladzijden kon u het haast nog niet geloven.

“Het is duidelijk dat ik graag schrijf over bekende mensen die niemand eigenlijk goed kent, of van wie niemand eigenlijk goed weet hoe ze in werkelijkheid zijn of waren. En dat het bij mij steeds om een proces gaat dat mij moet verrassen opdat het inderdaad ‘echt’ kan worden. Wel, ik viel haast voortdurend om van verbazing. Neem nu Ma Barker, dat arme schaap. Het was J. Edgar Hoover die haar de status van vrouwelijke supercrimineel aansmeerde. Ik ontdekte dat ze niet alleen geen misdaadbrein was, maar zelfs geen misdadigster, punt uit. Ze heeft in haar leven geen enkel schot gelost, geen enkele bank beroofd, was volgens Karpis zelfs “te dom om een ontbijt te plannen”. Het enige dat je haar kon verwijten is dat ze teerde op het geld dat haar twee zonen Fred en Arthur ‘Doc’ - beiden kidnappers en bankrovers - binnenbrachten. Ze werd samen met Fred van buiten af blindelings doodgeschoten door een stel BI-agenten. Op dat moment had niemand in het land ooit van haar gehoord. Hoover was dus als de dood dat de pers hem zou vragen waarom hij een 62-jarige moeder en grootmoeder had laten neerknallen. En dus bedacht hij maar een door en door schuldig fictief personage, dat hij op een echt onschuldig mens plakte.”

Ik viel om van verbazing toen ik las dat Baby Face Nelson, pseudoniem van Lester Gillis, Belgische ouders had: Pierre Joseph Gillis en de in 1868 in Orp-le-Grand geboren Marie Rose Doguet. Op de site doguet.org schrijft een nazaat: ‘Het leven, zegt men, steekt vol aangename en onaangename verrassingen... Ik vroeg me bij het begin van mijn genealogisch werk af of ik geen nobele of beroemde voorvader zou hebben. Wist ik veel wat er boven mijn hoofd hing.’

“(lacht uitbundig) Ja-a-a, hij was een tweedegeneratie-Belg! Een klein ventje, een echte wanna-be. Was even een gangsterchauffeur in Reno, tot hij zich door iemand van de Barker-Karpisbende liet wijsmaken dat banken plunderen in het Midwesten veel leuker was. Hij sloot zich uiteindelijk bij Dillinger aan, werd Public Enemy Number One na diens dood. Hij was iemand die na een overval al lachend nog even zijn machinegeweer op straat leegschoot. Maar ik ben er zeker van dat zijn Belgische afkomst voor geen meter verklaart waarom hij zo’n rotzak was!”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234