Maandag 25/10/2021

Terug onder de Boerentoren

De hoofdzetel van de Kredietbank aan de Antwerpse Meir staat bekend als de Boerentoren. De wolkenkrabber uit 1932 kreeg zijn bijnaam niet alleen omdat plattelanders op bezoek in de grote stad zich destijds vergaapten aan dit wonder van technologie en bouwkunst. De spotnaam werd gelanceerd door de liberale pers, die dit symbool van Vlaamse financiële macht al snel associeerde met de Boerenbond en met combines en affairisme uit katholieke hoek. De geschiedenis van de Kredietbank en die van de Boerenbond zijn dan ook nauw met elkaar verweven. Historisch gezien kan de recente toenadering tussen KB-Almanij en ABB-CERA Bank ironisch genoemd worden. Het ontstaan van de Kredietbank, in de jaren dertig, had immers alles te maken met een keihard belangenconflict tussen Gustave Sap en de Boerenbond-top. Zestig jaar later vallen de aartsvijanden van weleer elkaar terug in de armen, mede onder druk van de schaalvergroting en internationalisering in de banksector. Wat zich nu ontvouwt, is een hereniging van twee financiële instellingen uit dezelfde katholieke familie, die elkaar hebben afgestoten maar nooit helemaal hebben losgelaten. Hun oude vetes hebben ze eindelijk begraven.

GUSTAVE SAP: DE FLAMINGANT

West-Vlaming Gustave Sap (1886-1940) is de sleutelfiguur in de wordingsgeschiedenis van de Kredietbank. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Sap in Le Havre, waar hij secretaris was van Joris Helleputte, minister in ballingschap en ook mede-oprichter en eerste voorzitter van de Boerenbond. Deze katholieke coöperatieve beweging was erin geslaagd op korte tijd een aantal coöperatieve spaarkassen uit de grond te stampen. Daaruit groeide een netwerk van kleine regionale banken dat later gehergroepeerd werd onder de naam Middenkredietkas.

Gustave Sap was een exponent van het in die periode opkomende Vlaamse kapitalisme. Dankzij zijn huwelijk met de dochter van de Antwerpse reder Henri Gylsen speelde hij enige tijd een belangrijke rol in de scheepvaart, een sector die volledig door Franstaligen werd gedomineerd. Na de oorlog werd Sap bankier bij de Algemene Bankvereniging, die samenwerkte met het bankennetwerk van de Boerenbond. Sap combineerde dit met een carrière als katholiek politicus en eigenaar-uitgever van De Standaard. Flamingant Sap kwam in de kortste keren in conflict met de Boerenbond, die geleid werd door conservatief Franstalige, vaak uit de grondadel afkomstige katholieken. Volgens Sap, die voor 1914 stage had gelopen bij de Deutsche Bank in Berlijn, moesten de banken minder internationaal financieel-speculatief opereren en meer risicokapitaal leveren voor de eigen industrie. De financiële crisis van de jaren twintig, die de Vlaamse banken op de rand van de afgrond bracht, dreef het conflict op de spits.

"De verspreide slagorde waarin vooraanstaande vertegenwoordigers van de Vlaamse bourgeoisie optrokken, zegt ook al iets over hun onvermogen om duurzame coalities aan te gaan met Belgische of internationale fracties van het kapitaal", schreef André Mommen in De teloorgang van de Belgische bourgeoisie (Kritak, 1982). "De Belgische holdingbourgeoisie was zelf al benadeeld door de beperkte politieke macht van België in Europa en in de wereld. De Belgische holdingbourgeoisie wilde vanzelfsprekend de alliantie met de Franse bourgeoisie tegen Duitsland bevestigen. Voor de Vlaamse bourgeoisie was zo'n alliante economisch én politiek onaantrekkelijk. Bepaalde figuren uit de Vlaamse bourgeoisie zochten daarom toenadering tot het Duitse grootkapitaal. Dat was vooral het geval in Antwerpse rederskringen. Sap was in dat opzicht een spilfiguur, omdat hij in België de agent werd van Siemens toen deze grote fabrikant zich een deel van de Belgische markt van zware elektrische uitrusting wilde toe-eigenen. Alleen Siemens was technisch in staat te Antwerpen een grote krachtcentrale te leveren."

Uiteindelijk bleek de creatie van de Kredietbank in 1935 een politiek antwoord op een mank lopend financieel systeem. De regering besloot een beschot te maken tussen banken en holdings en de noodlijdende banken op nationale schaal te fusioneren. Het plan werd uitgewerkt door toenmalig minister Albert-Edouard Janssen, een vertrouwensman van kardinaal Van Roey. De prelaat was uiterst beducht voor het risico dat de landbouwcoöperatieven onder controle zouden komen van de Vlaams-nationalisten. De landbouwers vormden immers de ruggengraat van de katholieke beweging. Anderzijds besefte hij ook dat de hele Vlaamse beweging zwaar zou lijden indien het opkomend Vlaams financiewezen in elkaar zou storten. De hergroepering resulteerde in een splitsing van de Algemene Bankvereniging die samen met andere banken opging in de Kredietbank en de creatie van de holding Almanij. Meteen werd de Kredietbank erkend als stabiele pijler onder het Belgische staatsbestel. De Middenkredietkas van de Boerenbond werd geliquideerd en vervangen door de Centrale Kas voor Landbouwkrediet van den Belgischen Boerenbond (CERA), die nog bijna dertig jaar moest opdraaien voor de schulden van haar voorganger. Weliswaar werd de Boerenbond in 1935 theoretisch hoofdaandeelhouder van Almanij en dus van Kredietbank. Maar het politiek akkoord bepaalde ook dat de Boerenbond gedurende tien jaar geen stemrecht mocht uitoefenen binnen die nieuwe vennootschappen. De landbouworganisatie werd namelijk verantwoordelijk gesteld voor het wanbeheer in het verleden. Het akkoord stipuleerde dat het bewind gedurende die tien jaar formeel zou worden waargenomen door Albert-Edouard Janssen, bijgenaamd de bankier van de kardinaal. Vanaf de jaren dertig bouwde Gustave Sap met de Kredietbank een netwerk van bankfilialen uit, waarmee het spaargeld van de middenstand en de boeren werd opgehaald, en legde hij een zware nadruk op het West-Vlaamse industrieel weefsel. Sap vond dat de bank vooral een regionale ontwikkelingsrol moest vervullen en in eerste instantie de plaatselijke economie moest ondersteunen. Pas in tweede orde moest ze een internationale financiële rol ambiëren. De 'bank van hier' was geboren.

FERNAND COLLIN: BANKIER IN OORLOGSTIJD

Toen in mei 1940 de Duitse troepen hun opmars door België begonnen, vertrokken de Belgische politici in zeven haasten. "Messieurs, nous vous confions la Belgique", zei toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak aan de topmannen van de drie grootste banken: Galopin van de Société Générale, Gérard van de Banque de Bruxelles en Collin van de Kredietbank. Deze drie vormden tijdens de oorlog, samen met enkele invloedrijke industriëlen en deskundigen uit de hoogste kringen, een soort semi-clandestien politiek-economisch cenakel. Later werd dit Comité Galopin nog uitgebreid met Leon Bekaert van de gelijknamige Vlaamse metaalreus, de onvermijdelijke Albert-Edouard Janssen en gewezen Boerenbond-topman Emile Van Dievoet.

Antwerpenaar Fernand Collin (1897-1990) stond decennialang aan het hoofd van de bank, drukte zijn stempel op de naoorlogse opgang van de instelling en bezorgde de in ondankbare omstandigheden gestarte bank een vaste plaats bij de Grote Drie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog koos de bankier voor een pragmatische koers, gericht op het herstel van de bestaande sociale orde. Zo ving Collin samen met Bekaert het grootste deel van de ACV-vrijgestelden op in zijn personeelsbestand. Tegelijkertijd echter liep een groot aantal beheerders van KB en Almanij op de rand van de collaboratie. Collin zelf kreeg na de Bevrijding juridische problemen, onder meer door zijn rol in de afhandeling van de zogenaamde Boedepast-affaire. Voor 1935 had de Boerenbond fors geïnvesteerd in de Hongaarse steenkoolmijnen. Een slechte investering, die KB-Almanij opzadelde met zware schulden. Tijdens de bezetting had Collin herhaaldelijk Hongarije bezocht, soms in het gezelschap van Duitse inspecteurs. Wellicht dankzij zijn goede relaties met Deutsche Bank-topman Herman Jozef Abs, was hij erin geslaagd het dossier te deblokkeren en een deel van de activa te verkopen. De financiële opbrengsten vormden het startkapitaal van Investco, de investeringsdochter van Almanij.

Collin stamde uit een industrieel milieu. Zijn vader was in de jaren twintig de oprichter van puddingfabrikant Imperial Products. De onderneming fusioneerde in 1968 met het voedingsconcern Devos-Lemmens tot Continental Foods. Die groep werd dan weer overgenomen door de Amerikaanse multinational Campbell. De huidige beursgenoteerde Imperial Holding, met als controlerende aandeelhouders de erfgenamen van Fernand Collin, bezit nog steeds belangrijke financiële activa en heeft participaties in Almanij, KB-Lux, Crédit Général en Gevaert. Imperial Holding is ook actief in de vastgoedsector.

Pas vanaf 1945, na het aflopen van de tienjarige periode van Albert-Edouard Janssen, kregen Almanij en het vaste aandeelhouderssyndicaat van een aantal Vlaamse families eromheen pas echt vorm. "Op het einde van de oorlog dook het idee op van een Almanij-syndicaat", verklaarde historicus Herman Van der Wee in 1985 in een interview met deze krant. "De bedoeling was om de verspreiding van de aandelen onder het publiek en bij heel wat instellingen te versterken, maar ook om de continuïteit van de controle over KB te waarborgen. Daartoe werd door een aantal mensen een groep, een syndicaat gevormd. Dat is de onafhankelijkheid van de bank tot op vandaag ten goede gekomen. Almanij is eigenlijk altijd ondergeschikt gebleven aan de KB. Er is nog altijd een vertegenwoordiging van de Boerenbond. Maar die heeft niet langer de meerderheid want de Boerenbond heeft veel aandelen verkocht. Daarnaast is er een groep mensen van de KB zelf."

ANDRE VLERICK: DE AMERIKAANSE METHODE

De man die Kredietbank groot heeft gemaakt tijdens de golden sixties is André Vlerick (1919-1990), telg uit een Kortrijkse textielfamilie die trouwde met een dochter van Gustave Sap. Zijn weduwe, barones Cécile Vlerick-Sap, prijkt nog steeds als erebestuurder in het jaarverslag van de bank. Vlerick loodste de Amerikaanse multinationals naar Vlaanderen en introduceerde moderne Amerikaanse managementmethodes in het Vlaamse bedrijfsleven. Zijn carrière begon in 1947 toen hij directeur-generaal werd van het Belgisch Instituut voor Economische Samenwerking, de coördinator van het Marshall-plan in België en het groothertogdom Luxemburg. Het Amerikaanse plan voorzag een massale geldinjectie in de Europese economie om de naoorlogse wederopbouw te versnellen en een dam op te werpen tegen het oprukkende communisme.

"Vlak na de Tweede Wereldoorlog was het nog niet helemaal duidelijk in welke richting de woordvoerders van de Vlaamse bourgeoisie koers zouden zetten", noteerde André Mommen in De teloorgang van de Belgische bourgeosie. "Binnen de CVP was er een stroming, vertegenwoordigd door de Kortrijkse industrieel Tony Herbert, die pleitte voor een corporatistische staatsordening met een versterkt uitvoerend gezag. Deze stroming leed een politieke nederlaag en weldra koos een jongere generatie van technocraten, hierin gesteund door de industrieel Leon Bekaert, voor een liberalisering van het internationale ruilverkeer. Met name de in 1948 beloofde Amerikaanse economische hulp, het Marshall-plan, betekende een substantiële versterking van het modernisme binnen de Vlaamse bourgeoisie. Het Marshall-plan poneerde dat de ondernemingen oog moesten hebben voor het opvoeren van de productiviteit en dat ook de staatsdiensten gerationaliseerd moesten worden. Samenwerking tussen de wetenschappers, de universiteiten en bedrijfsleven was gewenst. In 1951 werd op aandringen van Washington de Belgische Dienst voor de Opvoering van de Productiviteit opgericht. De uit de CVP afkomstige technocraten namen in deze nieuwe instelling een leidende positie in en op initiatief van André Vlerick werd in 1953 aan de Gentse Rijksuniversiteit het Seminarie voor Toegepaste Economie gesticht."

Vlerick werd in 1953 bestuurder van Kredietbank, in 1974 ondervoorzitter, om in 1980 Gaston Eyskens op te volgen als voorzitter. Zijn broer Lucien werd beheerder van Almanij. Verder was hij lange tijd voorzitter van Investco en bekleedde hij beheersmandaten in Tessenderlo-Chemie, Unibra, Tabacofina, Philips-Belgium en Degussa. Eind jaren zeventig profileerde Vlerick zich ook als bezielend stichter en voorzitter van Protea, een club vooraanstaande Vlamingen die steun gaven aan het toenmalige apartheidsregime in Zuid-Afrika. De bankier was ook CVP-senator, minister voor Vlaamse Streekeconomie in de regering Gaston Eyskens en minister van Financiën in de daaropvolgende regering Eyskens-Cools.

"De KB is een katholieke bank, lees: een bank met een CVP-profiel", stelt René De Preter in De 200 rijkste families (Epo, 1983). "De aanwezigheid van de Boerenbond is daar natuurlijk niet vreemd aan, maar ook de personaliteit van de laatste voorzitters liegt er niet om: na Fernand Collin traden achtereenvolgens Gaston Eyskens en André Vlerick aan. Beiden zijn overigens minister van Financiën geweest, wat altijd een zeer praktische ervaring is voor bankiers. André Dequae, (gewezen) voorzitter van de Boerenbond en ex-beheerder van Almanij, is trouwens ook minister van Financiën geweest. Alledrie waren ze al met de bank gelieerd alvorens minister te worden. Eyskens was voorheen zelfs commissaris en Vlerick was beheerder van de bank geweest. En dat is dan weer interessant voor de bank."

ANDRE LEYSEN: DE LAATSTE STERKE MAN

Vorig jaar besloot André Leysen zijn twintig jaar oude banden met de Franse groep Paribas/Cobepa volledig door te knippen. Via een reeks ingewikkelde financiële manoeuvres rond Almanij, Cobepa en Gevaert kapte Leysen met de Franse groep en sloot hij zich opnieuw aan bij de Vlaamse familiale aandeelhouders van Almanij. De Antwerpse financier en industrieel had de verkoop van Paribas-België ongetwijfeld zien aankomen. Hij besloot niet te wachten tot ook de uitverkoop van de holding Gevaert door de Fransen georganiseerd zou worden. Hij regelde daarom zélf de boedelscheiding, met als bijkomend voordeel dat meteen ook zijn machtspositie bij Almanij aanzienlijk sterker is geworden.

In het begin van de jaren vijftig begon Leysen, dankzij zijn huwelijk met de dochter van de Duitse scheepsagent Ahlers, zijn carrière in de maritieme sector. Leysen nam het bedrijf van zijn schoonvader over en bouwde het uit tot een succesvolle groep. Zijn vermogen investeerde hij in Ibel, de Vlaamse poot van Cobepa, een holding van de Franse bank Paribas. In 1974 deed Cobepa op haar beurt haar intrede in het kapitaal van het Antwerpse fotobedrijf Gevaert (inmiddels Agfa-Gevaert). Vier jaar later kwam Leysen aan het hoofd van Gevaert, een doorbraak die tussen haakjes niet met de instemming van KB-Almanij plaatsvond. De harde kern van KB-Almanij heeft immers altijd gepoogd Gevaert zoveel mogelijk in Vlaamse handen te houden. Leysen deed echter precies het tegenovergestelde: hij verkocht het bedrijf beetje bij beetje aan de Duitse multinational Bayer en recycleerde de opbrengst in de holding Gevaert Photo Producten, waarvan Cobepa eveneens eigenaar werd. Leysen wist daarbij handig gebruik te maken van de crisis op de zilvermarkt. Eind de jaren zeventig creëerden de Amerikaanse broers Hunt een kunstmatige schaarste op deze grondstoffenmarkt. De speculatiegolf leek Gevaert in de problemen te brengen. Kredietbank, die van oudsher een gepriviligeerde relatie had met Gevaert, liet de kans liggen. Leysen niet. Over die uitverkoop werden boekenkasten vol geschreven: volgens aanhangers van de Vlaamse-verankeringstheorie heeft Leysen verraad gepleegd, anderen oordeelden dat internationalisering hoe dan ook een must is om te overleven. Voor Leysen wat het verlies van een stuk Vlaams prestige geen punt. "Ik ben eigenlijk een man die internationaal denkt", verklaarde hij destijds. "Nationalisme is mij volledig vreemd."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234