Woensdag 04/08/2021

Ten oorlog!

Beschilderd met oorlogskleuren, zoals de Noord-Amerikaanse indianen of bedekt met tatoeages, in uniformen die de drager moesten camoufleren of juist moesten doen opvallen. Met op het hoofd pluimen, mutsen of helmen. Beschermd door fraai gedecoreerde harnassen of door kleurrijke schilden. Gewapend met versierde dolken of met juwelen afgezette zwaarden - die, zoals koning Arthurs Excalibur, vaak een naam droegen. Te voet of op met geborduurde zadelkleden verfraaide strijdrossen, in tanks, vliegtuigen of oorlogsbodems die ook vaak gepersonaliseerd of gedecoreerd waren. Onder begeleiding van trommels of doedelzakken. Meestal was het de bedoeling om de vijand te intimideren, vaak speelde ook ijdelheid een rol, zoals bij generaal Patton, die de Tweede Wereldoorlog hielp winnen in een zelfontworpen uniform: een ‘Eisenhower jacket’ met vergulde knopen, rijbroek en pistolen met ivoren handvat. Zo trok of trekt de mens ten oorlog. Sinds het begin van de tijden. In alle hoeken van de wereld.

Cultureel erfgoed

“Die oorlogskleuren, uitrusting, uniformen en wapens”, schrijft Martin Van Creveld in Oorlogscultuur “hebben net zo’n lange geschiedenis en zijn even nauw verbonden met allerlei aspecten van economische, sociale en culturele ontwikkeling als burgerkledij”. En hetzelfde geldt volgens de auteur voor de rituelen waaraan de oorlogvoering zo rijk is. De vaak barbaarse opleiding, compleet met brullende sergeant, vernederingen en fysieke mishandeling, die ten doel heeft de strijder ontvankelijk te maken voor discipline en voor het uitvoeren van bevelen. De driloefeningen en de exercities. De manier waarop een oorlog wordt verklaard, waarop over vrede wordt onderhandeld en waarop de strijdende partijen de wapens neerleggen. Over die vormen van militaire cultuur door de eeuwen heen heeft Van Creveld, die in zijn vorige boeken al blijk gaf van een gedegen historische kennis, bijzonder boeiende zaken te vertellen. Net als over de artistieke cultuur die zo vaak haar inspiratiebron vond in het krijgsbedrijf. Zowel beeldende kunstenaars (van de oude Grieken tot Picasso’s Guernica) als schrijvers zoals George Orwell, Leo Tolstoj, Ernest Hemingway of Norman Mailer, werden dermate geboeid - of geschokt - door het verschijnsel oorlog dat we er een eindeloze reeks meesterwerken aan hebben overgehouden. En dan zijn er nog de oorlogsmonumenten, van protserige stenen of bronzen eerbetonen aan leiders en generaals, tot de gedenktekens voor de (onbekende) soldaten die op het slagveld hun leven lieten.Aan dat deel van dit zeer lijvige boek beleeft ook iemand die, zoals ondergetekende, zonder heimwee terugbliktApocalypse now was wel de moeite) veel plezier. Want je hoeft echt geen ijzervreter te zijn om de rol te erkennen die oorlogen speelden en nog spelen voor ons cultureel erfgoed. Net zomin als je een lidkaart van CD&V op zak moet hebben om te beseffen dat hetzelfde geldt voor de bouw- en kunstwerken die het christendom heeft opgeleverd. Van Creveld wijst trouwens op de eeuwenlange dominantie van zowél de militaire als de religieuze kunst omdat ‘wereldse kunst’ pas later aan bod kwam.

Robbertje vechten

Helaas wil de auteur vervolgens bewijzen dat hij, zoals hij in zijn inleiding schrijft, “nu eenmaal houdt van een robbertje vechten”. De wetenschapper wordt krijger. En aan vijanden geen gebrek. Om te beginnen zijn er de door Van Creveld verfoeide Von Clausewitz en diens volgelingen “voor wie oorlog slechts een middel is tot een doel, een rationele, zij het uiterst gewelddadige reeks handelingen in dienst van de belangen van een bepaalde groep mensen”. Zij zitten fout omdat zij weigeren het belang te erkennen van de oorlogscultuur. En die zorgt nu net voor de discipline en de regels die voorkomen dat een conflict door toedoen van “woeste horden, criminelen en krankzinnige bandieten” ontaardt in een “een orgie van geweld die niet in toom kan worden gehouden”. Andere doelwitten die volgens Van Creveld de oorlogscultuur bedreigen zijn, hoe kan het ook anders, de pacifisten, van Immanuel Kant tot de “ban-de-bommers”. En de “zielloze vechtmachines” waarmee de Duitse Bundeswehr volgens hem vol zit. Of de “mannen zonder pit”, waarmee hij enigszins verrassend ook het huidige Israëlische leger bedoelt, omdat zijn vaderland zo sterk is geworden (en over kernwapens beschikt) “dat de strijdlust en het moreel besef zijn verminderd” - zoals in 2006 bleek tijdens de mislukte strijd tegen de Hezbollah in Libanon. Helemaal hysterisch wordt de auteur als het gaat om vrouwen/feministen. Niet alleen zijn die fysiek zwakker dan de man en zijn ze tijdens het spelen van serieuze war games net goed genoeg om een taart te bakken, ze ondermijnen ook de oorlogscultuur. Want of ze zich daar nu tegen verzetten, zoals Lysistrata, dan wel “mannen na-apen” door zelf een legeruniform aan te trekken, in beide gevallen moet die cultuur het daardoor stellen “zonder de verrukkelijke macht van de traditionele vrouwelijke ondersteuning”.Soortgelijke oprispingen zijn extra jammer omdat Van Creveld wel nuchter en beredeneerd zijn twijfels neerschrijft over de mogelijkheid om oorlog uit te bannen, “zoals ooit de slavernij werd afgeschaft” - al beseft hij wel dat mede door het bestaan van kernwapens, grote oorlogen tussen grote staten verdwenen zijn. En ook zijn vaststelling dat de oorlog de mens fascineert is, alweer helaas, niet onrealistisch. Want waarom zouden er anders, ook nu er vooral wereldse kunst bestaat, nog altijd zoveel boeken en films over dit thema worden gemaakt? Al moet daar meteen worden bijgezegd dat het tegenwoordig meestal gaat om werken waarin de gruwelen, en niet de glorie, van de oorlog worden geschetst. En al hebben ook rituelen als de Last Post, die elke avond om 8 uur wordt geblazen in de Ieperse Menenpoort, alles te maken met eerbetoon voor de slachtoffers en niet met verheerlijking van geweld. Het hoofdprobleem van dit boek is echter niet dat Van Creveld zelf gefascineerd is door oorlogscultuur, omdat daardoor volgens hem “de natuurlijke neiging van mensen om gevaar te vermijden kan worden overwonnen”. Dat is natuurlijk nodig om te kunnen vechten en dat de strijd niet altijd kan en mag worden vermeden, hebben de jaren 1940-1945 bewezen. Maar het gaat bij hem verder dan fascinatie. Zoals blijkt uit het spervuur van machokreten over geweld en vechtlust dat de lezer te verwerken krijgt en dat ronduit pijnlijk is voor een academicus van 63 jaar. Oorlog, zo schrijft hij, is “een collectieve, buitengewoon ingewikkelde en extreem gewelddadige vorm van vechtsport”. Vechten is “misschien wel de grootste bron van vreugde die bestaat, een vorm van extase zoals ook door bepaalde drugs wordt opgewekt”. Hij prijst wat hij “kunstzinnige verwoestingen” tijdens de oorlog noemt en ziet “in de confrontatie met de dood een bron van vreugde”. Maar net wanneer dat dit de lezer allemaal te veel wordt, verandert de auteur van toon met twee sterke citaten van de Chinese bevelhebber Sun Bin, die zo’n 2.300 jaar geleden schreef dat “elke heerser die behagen schept in oorlog, zich daardoor ten gronde zal richten” om daar in één adem de waarschuwing aan toe te voegen: “al breekt er maar eens in de honderd jaar een oorlog uit, men moet zich daarop voorbereiden alsof dat morgen kan gebeuren”. Jammer dat Martin Van Creveld zo graag wil provoceren dat hij te zelden even genuanceerd denkt als zijn Chinese voorbeeld. Want daardoor is Oorlogscultuur een vaak indrukwekkend, maar uiteindelijk toch frustrerend straatvechtersboek geworden.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234