Vrijdag 27/01/2023

'Ten oorlog': een theatermarathon vol hindernissen en tumult

Op 22 november 1997 stroomde de Vooruit vol met nieuwsgierigen voor Ten oorlog, waarin Luk Perceval en Tom Lanoye hun tanden zetten in de Wars of the Roses-cyclus van Shakespeare. De verwachtingen waren hooggespannen, de rumoerige sfeer spreekt vandaag nog tot de verbeelding.

Het woord alleen al: marathonvoorstelling. Ik kan me met de beste wil van de wereld niet herinneren dat ik het eerder heb gebruikt dan in 1997, toen ondergetekende voor deze krant het theaterleven volgde, samen met collega Peter Anthonissen. Uitzonderlijk hebben we van Ten oorlog trouwens allebei een nabeschouwing geschreven. Het leek een passend redactioneel antwoord op maar liefst acht uur koningsdrama's, een aantal pauzes, waaronder de tijd voor een avondmaal, niet meegerekend. Onder de titel 'Het kwaad in de breedte' schreven we elk een eigen impressie neer die in beide gevallen overwegend positief was, maar ook enkele punten van kritiek bevatte. Zo schreef Peter Anthonissen over "drie schitterende acteurs: Wim Opbrouck, Lucas Van den Eynde en Jan Decleir, elk in meerdere rollen". En over een "op zijn minst onderhoudend" geheel dat weliswaar niet "continu hoogstaand" was te noemen. Zelf had ik het over "een compilatie van bestaande elementen", veeleer dan "een nieuw ijkpunt voor de komende generaties". Tekenend voor de heisa rond de productie was dat dit commentaar al snel ook zelf werd becommentarieerd, onder meer in het vaktijdschrift Etcetera door dramaturg Koen Tachelet. Hij had het over de pers die haar "eigen verwachtingen" recenseerde, en over de "bij aanvang onzuivere communicatie" rond het hele "event". Dat was Ten oorlog in een notendop: een evenement dat boven zichzelf uitsteeg, zij het niet per se om inhoudelijke of artistieke redenen. De geest was al veel eerder uit de fles.

Broedermoord

Even enkele feiten op een rijtje. Ten oorlog was de voorlaatste productie van de Blauwe Maandag Compagnie, in de jaren negentig met voorsprong het spannendste theatergezelschap in Vlaanderen. De laatste productie heette Voor het pensioen (naar Thomas Bernhard) en dateert uit 1998, maar die voorstelling is zowat uit het collectieve geheugen verdwenen door de impact van Ten oorlog, een productie die in bijzonder moeilijke omstandigheden tot stand was gekomen. Veel, zoniet alles had te maken met de schaal, zeg maar het pure ambitieniveau van het project: een voorstelling van acht uur toneel, gebaseerd op een hoogst eigenzinnige bewerking door Tom Lanoye van Shakespeares klassieke teksten. Koningsdrama's over macht en broedermoord, geserveerd in verschillende taalregisters, doorspekt met dialectwoorden, klankrijm, hiphoptermen en knipoogjes allerhande. Zo wordt een Richard III uit de oorspronkelijke tekst een Risjaar Modderfokker den Derde in de versie van Lanoye. Met zinnen als "O Modder of Compassion, Wekster/ Van this heart of mine dat niet met kloppen stopt..."

Twee jaar had Lanoye aan zijn interpretatie geschreven, in nauwe dialoog met regisseur Luk Perceval. De omvang van deze schrijfopdracht blijft tot vandaag lichtjes hallucinant, als je weet dat Lanoye midden jaren negentig nog niet zo gek veel toneel op zijn cv had staan. Het merendeel daarvan waren creaties met titels als De Canadese muur (een samenwerking met die andere 'mooie jonge god' Herman Brusselmans), Blankenberge, Bij Jules en Alice en De schoonheid van een total loss. De enige eerdere bewerking van een bestaande tekst dateerde uit 1993 en was geschreven op basis van een roman van Gerard Walschap: Celibaat. Om dan de sprong te wagen naar een bewerking van de Wars of the Roses, grotendeels uitgeschreven in vijfvoetige jamben: je moet het maar durven.

Ook Perceval had als regisseur veel voorbereidingstijd uitgetrokken om zijn artistieke droom te verwezenlijken. Die voorbereiding verliep overigens grotendeels parallel met een ander soort gesprek, mede aangestuurd door zakelijk leider Stefaan De Ruyck: de fusie met de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) in Antwerpen, het stadstheater waar de Blauwe Maandag Compagnie in 1998 zou opgaan in Het Toneelhuis. Het zou de terugkeer van Perceval en co. inluiden naar de stad waar het allemaal begonnen was, weliswaar na een aantal "gelukkige" jaren in de Vooruit en de Gentse Minardschouwburg. Ook dat vooruitzicht, van de intrede in een eigen schouwburg een jaar na de première, legde extra druk op de totstandkoming van Ten oorlog. Perceval en De Ruyck beseften dat hun nieuwe visitekaartje maar beter zeer aantrekkelijk kon zijn, om allerlei redenen.

Stap terug

Ondanks de nodige koelbloedigheid en een diepgravende voorbereiding liep het mis, meer bepaald toen dat voortraject vertaald moest worden naar de spelersgroep tijdens de repetities. Het vaste ensemble van de Blauwe Maandag Compagnie - met klinkende namen als Peter Van den Begin, Stany Crets, Els Dottermans, Guy Van Sande, Jan Decleir, Gilda De Bal - was voor de gelegenheid uitgebreid met een schare jong talent dat voornamelijk uit Studio Herman Teirlinck in Antwerpen kwam. Onder hen Peter Seynaeve, Wim Opbrouck, Kyoko Scholiers, Ariane Van Vliet en Johan Heldenbergh. Die uitbreiding was logisch voor de grootschalige vertelling die in de steigers stond, maar de lengte van de repetities - achttien maanden, du jamais vu, want minstens "drie keer zo lang als een normale repetitieperiode" - en de inhoudelijke "voorsprong" van de regisseur zorgden voor een crisissfeer in het ooit zo uitbundige, familiaire gezelschap.

Verschillende acteurs van de vaste kern deden steeds luider hun beklag. Peter Van den Begin: "We hadden een specifieke methode ontwikkeld die niet evident was voor nieuwe mensen. Bij die methode voelde ik mij goed. Bij Ten oorlog had ik snel het gevoel dat de ruimte voor ons klein was, dat Luk iets wilde waar wij niet bij raakten. Hij had een duidelijk beeld van wat hij wilde vertellen, een beeld dat wij moesten invullen. Het deed me denken aan mijn eerste stappen bij de Blauwe Maandag, toen Luk mij op een heel strakke manier regisseerde. Die stap terug wilde ik niet zetten." Uiteindelijk zou hij uit de productie stappen, net als Stany Crets, Karlijn Sileghem en Guy Van Sande. Het hele project dreigde te kapseizen nog voor het schip uit de haven was. Ook Jan Decleir, die wel aan boord bleef en Risjaar Modderfokker den Derde speelde, moest zijn verwachtingen bijstellen, zo liet hij verstaan in Etcetera: "Ik dacht dat we dat grote ding met een kleine groep zouden maken, dat we zouden gaan schuiven, knippen en plakken. Dat was voor mij de kracht van de Blauwe Maandag: de kans om te knoeien. Ik had het vooral moeilijk met de tekst: ik vond dat het vet van de soep was, dat de ontsporingen die Shakespeare zo interessant maken, waren weggeknipt. En toen we begonnen, was Tom Lanoye weg. Er kon niets meer bijgeschreven worden, enkel nog geschrapt..."

Gesneuveld

Perceval blikte later openhartig terug op die woelige periode. Voor het boek Accidenten van een zaalwachter, een overzicht van zijn prille jaren in het amateurtheater in Merksem tot en met zijn professionele successen in Duitsland, vertelde hij aan Geert Sels: "Het was naïef te denken dat je met een groep van zeventien acteurs en in totaal vijftig medewerkers op dezelfde manier kunt werken als met een groep van acht. Van zo'n onderneming een onderwerp van democratie maken, is onmogelijk. Ik ben op een gegeven moment veel strikter, bijna illustrerend gaan regisseren, omdat ik besefte dat de acteurs nog niet konden vatten waar het geheel naartoe moest. Dat maakte mij aanvankelijk heel eenzaam." Of zoals Koen Tachelet, die verschillende leden van de acteursgroep had geïnterviewd tijdens de repetities, in Etcetera schreef: "Ten oorlog draagt nog sporen van de oude Blauwe Maandag Compagnie, een gezelschap met de kenmerken van een hechte familie. Maar het is de eerste stap geweest in een schaalvergroting, waarbij dat oude systeem willens nillens in vraag werd gesteld, en tenslotte ook werd opengebroken om ruimte te kunnen maken voor Het Toneelhuis."

Het tumult in de repetitieruimte bereikte ook snel de buitenwereld. Het opstappen van een aantal vaste waarden uit het gezelschap vond zelfs afname bij de populaire bladen. Actrice Els Dottermans herinnert het zich allemaal nog alsof het gisteren was. "Tja, het was een intensieve periode, dat kun je wel zeggen. Om maar een voorbeeld te geven: ik ben in datzelfde jaar, in 1997, ook bevallen. Achteraf bekeken heeft die zwangerschap mij zowat gered, op de een of andere manier. Die hele interne 'oorlog' is daardoor zo'n beetje van me afgegleden, want ik ben niet meegegaan in de grote emoties. Die waren er in ruime mate, inderdaad. Nogal wat mensen in het gezelschap hadden het gevoel dat Luk als regisseur een koers had ingezet die ver van ons af stond, onder meer met die fusieplannen in Antwerpen. De Blauwe Maandag Compagnie was lang een hechte familie geweest, en alles wees erop dat die periode definitief voorbij was. Luk was ons gewoon vierentwintig stappen voor, en uiteindelijk was dat ook de enige juiste weg om te gaan. Maar wij, de spelers, waren nog niet allemaal mee in dat visioen. Het heeft ook een tijd geduurd vooraleer de dingen in hun plooi zijn gevallen. Maar het was onvermijdelijk."

Tien dagen voor de première werd Dottermans zelf ook een item in het avondjournaal, tot haar eigen verbazing. Tijdens de eerste try-out met publiek ging ze door haar rug als gevolg van een 'gevechtsscène' met collega Wim Opbrouck. Dottermans lacht. "Dat is wat geweest, ja. Die anekdote heeft op zich al snel mythische proporties aangenomen. De hele zaal zat vol met publiek, toen er iets gebeurde in het eerste deel, dus na ongeveer een uur of zo. Er was een soort van gevechtsscène tussen de Fransen en de Engelsen, waarbij wij arme soldaten werden verkracht met Franse broden. In een opwelling van fysieke improvisatie, zullen we maar zeggen, sprong Wim toen ineens op mijn rug. En ik voelde hoe mijn ruggengraat een verdieping zakte, als het ware. Ik lag direct op de grond en kon niet meer ademhalen. En vooral: ik had tijdelijk geen gevoel meer in mijn benen. Het enige wat ik er uitgeperst kreeg, nota bene in het Frans om niet direct uit mijn rol te stappen, was 'je ne peux plus marcher, je ne peux plus marcher!' Enfin, de voorstelling werd dan toch stilgelegd en er is een ambulance gebeld. En dat accidentje haalde het nieuws, ja. Bavo Claes sprak diezelfde avond de gevleugelde woorden: "Els Dottermans is gesneuveld in de Slag bij Azincourt." Mijn moeder wist van niets en schrok zich een ongeluk. Maar goed, twee weken later heb ik de première toch gespeeld: in een korset."

Op zaterdag 22 november 1997 was er dan de langverwachte première. De voorstelling begon in het duister, met drie slagen op een aambeeld, als start van het theaterritueel. Het was een ontlading voor alle medewerkers, en het publiek smulde van elke minuut. De productie werd ook overladen met prijzen, waaronder de driejaarlijkse Vlaamse cultuurprijs voor toneelletterkunde, de Prosceniumprijs en de Océ Podiumprijs. Maar belangrijker nog waren de nieuwe lijnen die uit dit scharniermoment zijn ontstaan, met Het Toneelhuis in Antwerpen en een Duitse versie van dezelfde marathon: Schlachten, dat op 25 juli 1999 in Salzburg in première ging. Ten oorlog werd een Europees verhaal.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234