Woensdag 23/10/2019

Tekst op het toneel is weer toegelaten

Er was een tijd dat theater vooral beeld en lijf moest zijn, maar een jonge generatie theatermakers heeft de tekst herontdekt als krachtig communicatiemiddel. De theaterauteur anno 2018 is literair bevlogen, geëngageerd én behoorlijk doe-het-zelf.

Is de moderne mens verslaafd aan bewegend beeld? Beperkt zijn aandachtscurve zich tot de lengte van een tweet? Aan de theaterproducties van de voorbije maanden zal het niet liggen. Afgelopen weekend ging bij fABULEUS Het puin van Eden in première, een poëtische tekst van dertigers Freek Mariën en Carl von Winckelmann. Generatiegenoten als De Nwe Tijd, BOG en Hof van Eede schreven en speelden onlangs een hoop woorden bijeen, met als uitschieter Niets, een teksttrip van twee uur uit de pen van Freek Vielen.

En dat terwijl tekst in een niet zo ver theaterverleden nog very uncool was. De genadeval van de toneelschrijver is gekend: was hij in het midden van vorige eeuw nog de god van het theaterbedrijf, dan werd hij vanaf de jaren 70 door eigenzinnige regisseurs en acteurs van zijn troon gestoten. De literaire traditie (waarin bijvoorbeeld auteurs als Claus schreven) werd verlaten voor een schrijven 'vanuit de praktijk' - op de vloer - en de tekst verloor zijn status. Meer nog, aan woorden ging een reukje zitten: ze waren burgerlijk, 'echt' theater had niet meer nodig dan lijf en spel. Regisseur en auteur Stijn Devillé, in oktober 2017 nog bekroond met een letterkundige prijs voor de theatertrilogie Hebzucht/Angst/Hoop, herinnert zich uit zijn opleiding dat er vooral vanuit improvisatie werd gewerkt. En dat hem dat frustreerde. Devillé: "Het gebeurde allemaal collectief, er werd lustig geknipt en geplakt, maar inhoudelijk bleef alles nogal disparaat. We maakten zelden een punt."

Revolutie

Het betekent niet dat er in die decennia voor de millenniumwissel geen auteurs waren, zegt Ditte Pelgrom van uitgeverij De Nieuwe Toneelbibliotheek, eerder dat er een terugval was in de zichtbaarheid van de toneeltekst. Pelgrom: "Er werd nauwelijks nog theater uitgegeven, waardoor er geen kennis meer was over wat er door wie werd geschreven." Daarom startte Pelgrom samen met een groep schrijvers en dramaturgen een platform voor onafhankelijke auteurs en in 2009 met De Nieuwe Toneelbibliotheek, ongeveer op hetzelfde moment dat in Antwerpen auteur Paul Verrept uitgeverij Bebuquin nieuw leven inblies. De comeback van de toneelauteur begrijpt Pelgrom als een comeback van aandacht voor de toneeltekst als zelfstandig kunstwerk. Devillé besloot al in 2002 het schrijven als volwaardige bezigheid naar zich toe te trekken, en de lat hoog te leggen - zo hoog dat de teksten los van hun enscenering moesten kunnen voortbestaan.

Dat de tekst naast onderdeel van een voorstelling weer literatuur mag zijn, is wellicht een logische terugslag zoals die zich bij elke 'revolutie' voordoet - nauwelijks is de toneelauteur doodverklaard of hij wordt via de coulissen terug binnengedragen. Maar er is ook een inhoudelijke reden voor de herwonnen interesse. Freek Mariën spreekt over de 'urgentie' om iets mee te delen: "Een tekst, zelfs als die gelaagd is, dwingt sterker tot een inzicht dan de abstractie van een dansfrase. Als ik iets zo precies mogelijk wil vertellen, voel ik toch dat ik niet buiten de taal kan."

En Mariëns generatie lijkt iets te willen vertellen. Wie de teksten van Freek Vielen, Tom Struyf of Rebekka de Wit leest, kan er niet omheen dat ze weer politiek zijn. Niet op de absolute, naïeve manier van de jaren 70, maar wel doordrongen van een voorzichtig utopisme, een constructief bewustzijn rond wat nu moet veranderen. Dat bewustzijn heeft woorden nodig. Mariën: "Als je een alternatief voor de samenleving wilt bedenken, vraagt dat om heldere begrippen."

Die begrippen worden al schrijvend gezocht. De teksten van deze auteurs zijn nogal vaak 'gedachtenstromen', introspectieve zoektochten. Hun onderzoek voeren ze bovendien niet in schrijfkamertjes, maar in nauw contact met hun collega's op de vloer. De samenwerking tussen schrijver en theatermaker is verre van nieuw, maar vandaag valt op dat de grote meerderheid van de theaterauteurs niet alleen betrokken is, maar gewoonweg zelf zijn teksten regisseert en/of speelt. Voor Devillé leidt dat tot betere theaterteksten: "Ik ken maar weinig auteurs die zelf geen theater maken en er toch in slagen een steengoede theatertekst te schrijven - een paar groten misschien wel, zoals Lanoye of Olyslaegers."

De verwevenheid heeft echter ook te maken met het feit dat het veld bijna uitsluitend 'vraaggericht' werkt: teksten worden geschreven in opdracht, met het oog op een concrete productie, niet (enkel) omdat de auteurs ze 'in zich' hebben zitten. Mariën: "Als je een affe tekst hebt, kun je daar altijd mee gaan leuren, maar zonder regisseur komt er geen enscenering."

Dan is het nog zo handig als je je eigen regisseur bent. De cijfers van het Vlaams Fonds der Letteren, waar auteurs subsidies kunnen aanvragen - los van de vraag of de tekst wordt opgevoerd - bevestigen dat. Er is de laatste tien jaar geen significante stijging in aanvragen, wat erop wijst dat de meeste teksten binnen het kader van een concrete productie (en dus met projectsubsidies) ontstaan. Lelijk gezegd: de theatertekst moet onmiddellijk 'renderen'. Dat is jammer, vindt Pelgrom: "Het is juist door niet productiegericht te werken dat auteurs hun taal vinden, risico's durven nemen. De focus op enscenering beknot die experimentele ruimte voor vormonderzoek."

Terug op de troon

Het lijkt er dus op dat de toneelauteur anno 2017 nog niet direct terug op zijn troon zit - en gelukkig maar - maar dat hij zich net als zijn collega's van regie of spel moet verhouden tot een kunstenveld dat kostenbesparend en productiegericht werkt. Als hij zijn teksten wil opgevoerd zien, doet hij er goed aan zelf de handen uit de mouwen te steken. Het goede nieuws is dat die flexibele dertiger in zijn meest recente upgrade het beste van vele decennia in zich verenigt: het literaire uit de jaren 1950, de politieke bekommernis uit de jaren 1970, de verbinding met de praktijk uit de jaren 1990 en het utopische denken van na het millennium. En dat die wonderlijke bundeling aan kwaliteiten op dit moment niet alleen valt te zien en te horen in de zalen maar vooral ook: te lezen.

Het puin van Eden, nog tot 23/1 in OPEK, Leuven, daarna op tournee

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234