Zondag 17/11/2019

Tegen morele pretentie

In 'How To Be Good' laveert Hornby tussen ironie, sarcasme en cynisme door om dit complexe onderwerp aan te pakkenOf een mens nu van nature goed of slecht is, de vraag houdt Nick Hornby al eeuwen bezig

Recensie door Dirk Van Hulle

Nick Hornby

How To Be Good

Viking, Londen, 2001, 244 p., £ 52.95.

Nick Hornby, ed.

Speaking With the Angel

Riverhead Books, New York, 2000, 233 p.

Sinds Nick Hornby (°1957) in Fever Pitch (1992) zijn leven als voetbalfan uit de doeken deed, is hij niet meer weg te denken uit de Engelse literatuur. Met zijn aanstekelijk proza scoorde hij ook in zijn romans High Fidelity (1995) en About a Boy (1998), die erg verfilmbaar zijn gebleken. Na Colin Firth in Fever Pitch en John Cusack in High Fidelity zal Hugh Grant de hoofdrol spelen in About a Boy. Met deze felle aanloop waagt Hornby zich nu aan de grote thema's.

Of een mens nu van nature goed of slecht is, de vraag houdt hem in elk geval al eeuwen bezig. Als 'de' mens überhaupt iets 'van nature' is, dan blijkbaar een vreselijke twijfelaar. Stel dat Hamlet resoluut besliste 'to be', dan zou daarop meteen de vraag volgen: 'how to be'.

Dat Nick Hornby daar in de titel van zijn jongste boek 'good' aan toevoegt, lijkt te suggereren dat 'goed zijn' een grotere uitdaging is dan het omgekeerde. Volgens het System der Ethik van de Duitse filosoof Friedrich Paulsen hebben "alle mensen zonder uitzondering de neiging eigenbelang te laten prevaleren boven de belangen van anderen"; meer nog, ze hebben zelfs geen enkel gevoel voor de belangen van anderen.

Toen Mao Zedong dit als student las, noteerde hij verontwaardigd in de marge dat dit soort mensen niet bestaat, "of ze zijn ziek en gek." Maar tegelijk toonde hij een bijzondere fascinatie voor staatsmannen die regeerden volgens legalistische principes en keiharde wetten, omdat de mens nu eenmaal van nature slecht is.

Dergelijk 'stuitend of pijnlijk ongeloof in het goede' vormt volgens Van Dale de basis voor een cynische houding. Cynisme is de coole broer van Sarcasme en Ironie, alledrie zonen van Spot. Terwijl sarcasme iets gemeens heeft, hangt cynisme samen met verbittering. En ironie is alomtegenwoordig. Aan de paperbackuitgave van A Heartbreaking Work of Staggering Genius voegde Dave Eggers een appendix toe met als titel Mistakes We Knew We Were Making. Daarin trekt hij van leer tegen het begrip ironie, dat hij definieert als "het gebruik van woorden om iets uit te drukken dat verschilt van en vaak tegengesteld is aan hun letterlijke betekenis". Volgens Eggers hebben we een punt bereikt waarop alles blijkbaar in twee categorieën uiteenvalt: "het Serieuze en het Ironische". Geen van beide is voor hem aanvaardbaar. Eggers schaamt zich typografisch voor zijn "ergelijke en pedante" uitweiding, die hij daarom in een minuscule letter afdrukt. Op die manier wordt pijnlijk duidelijk hoe gecompliceerd het is geworden om ongecompliceerd te zijn.

Wie niet van ironie verdacht wil worden, kan de oprechtheid van zijn uitspraken enkel nog garanderen met de omslachtige zigzagbeweging van de dubbele negatie: dit is niet het tegenovergestelde van wat ik bedoel.

Tegen deze omstandigheid lijkt de akelig directe titel How To Be Good op het eerste gezicht een rauw protest. Hornby laveert tussen ironie, sarcasme en cynisme door om na de minder ambitieuze thema's in zijn vorige boeken dit complexe onderwerp aan te pakken. Daarvoor kiest hij het standpunt van een vrouw, Katie Carr. Deze eenenveertigjarige huisdokter is getrouwd met David, die van zijn sarcasme zijn beroep heeft gemaakt. Als columnist spuwt hij zijn gal in een Londense krant.

David de Verongelijkte begrijpt niet dat niemand begrijpt dat zijn column 'ironisch' bedoeld is. Zelfs zijn vrouw niet. Uiteraard zijn vrouw niet. Zij is immers degene die elke dag moet samenleven met "The Angriest Man in Holloway" - zoals hij zich noemt. En die blijkt niet alleen als columnist maar ook als huisvader en echtgenoot een klootzak te zijn - tenminste vanuit Katies standpunt.

Katie vindt van zichzelf dat ze Goed is, met hoofdletter. Ze is tenslotte dokter, ze helpt mensen. Wanneer ze voor haar werk in Leeds moet zijn, belt ze voor een kleinigheid naar David en voor ze het zelf goed beseft vraagt ze om een echtscheiding. Het verhaal lijkt dat van een langdradig scheidingsproces te zullen worden, tot het plots kantelt. David gaat voor zijn pijnlijke rug naar een genezer die zich D.J. GoodNews noemt. Die geneest niet alleen zijn rug, maar maakt van hem ook in een handomdraai een goed mens: David ontpopt zich van de ene dag op de andere als een vrijgevige weldoener, die zomaar tachtig pond aan een bedelaar geeft (weliswaar uit de portefeuille van Katie), zijn kinderen overhaalt om hun computer en speelgoed weg te geven aan kansarmen, de buren ertoe aanzet dakloze kinderen in huis te halen.

Uiteindelijk neemt ook GoodNews zijn intrek in het huis van de Carrs, waar de twee mannen plannen smeden om de wereld te verbeteren en een boek te schrijven, How To Be Good, stampvol praktische tips over 'hoe we allemaal onze levens zouden moeten leiden'.

Davids metamorfose heeft een vreemd effect op zijn omgeving. Aanvankelijk staat zijn beste vriend in bewondering voor de geniale manier waarop David met zijn morele pretentie de ironie tot nieuwe, ongekende hoogten drijft. Door de transformatie van haar man is Katie plots de meest sarcastische van de twee. Davids geforceerde goedheid is enkel te verteren dankzij de schampere bedenkingen die zijn vrouw erbij formuleert. Haar cynische parenthesen staan vaak effectief tussen haakjes, afgezonderd van de rest van de tekst. Het is de ruimte waarin ze ontsnapt aan de beate sulligheid. Een ruimte ook die veel meer soelaas biedt dan de fysieke ruimten waarin ze vlucht, onder meer de flat van een vriendin en uit pure wanhoop zelfs een kerk: "(Als je het type bent dat zijn keuze van entertainment laat bepalen door ruime parkeergelegenheid, dan kan ik anglicaanse zondagsmissen warm aanbevelen.)" In die kerk wordt een brief van Paulus aan de Corinthiërs voorgelezen, over liefdadigheid en hoe je daar niet mee te koop moet lopen. Bij de eerstvolgende gelegenheid haalt Katie een zin uit die brief aan om David duidelijk te maken hoe hij koketteert met zijn naastenliefde. Het bekende neveneffect van altruïsme is dat het nooit volledig onbaatzuchtig kan zijn. Je houdt er namelijk een goed gevoel van over, dus - zou Paulsen concluderen - er is altijd eigenbelang mee gemoeid.

De moraal slaat als kut op dirk: lees meer boeken. Niet om te weten te komen 'how to be good', maar om af en toe de muffe omgeving te verluchten. Wat een asociale bezigheid kan lijken, komt uiteindelijk het hele gezin van Katie, de liefde in het algemeen en dus de hele mensheid ten goede, om maar te zwijgen van het universum dat met elke regel een beetje uitdijt. Een boek is voor Katie een manier om ruimte te creëren, het rechtlijnige gewoontestramien te doorbreken, elkaar niet te dicht op de huid te zitten, opnieuw sympathie op te brengen voor menselijke wezens en hun onvermijdelijke kleine kanten.

Na Hornby's vorige boeken kon de indruk ontstaan dat die kleine kanten geslachtsgebonden zijn - 'mannen weten waarom'. Bijna alle boeken van Hornby gaan over de angst om zich te binden, serieus te worden, een verantwoordelijk, volwassen leven te leiden. Loyaliteit en onvoorwaardelijke liefde zijn makkelijker betuigd tegenover voetbalploegen en popidolen dan tegenover een mens van vlees en bloed.

Ook Will Freeman in About a Boy houdt aanvankelijk meer van zijn cd-collectie dan van zijn soortgenoten. In How To Be Good lijkt David zijn jongensachtigheid evenmin te ontgroeien, maar de volwassener Katie heeft ook haar gebreken. Hornby heeft dit keer heel bewust de overdreven sekse-kloof overbrugd, uit protest tegen het opgeklopte verschil en de lucratieve (ook literaire) industrie errond.

In plaats van wat sarcastisch te doen over die literaire industrie, gebruikt hij ze voor zijn eigen goede doel, verpersoonlijkt in zijn autistische zoon. Er zijn te weinig scholen voor autistische kinderen. Om geld in te zamelen voor de oprichting van een nieuwe school, kon Hornby elf collega-schrijvers enthousiasmeren om een verhaal te schrijven voor een bundel met als titel Speaking With the Angel. De bijdragen zijn, op vraag van Hornby, allemaal in de eerste persoon enkelvoud geschreven en vanuit een ander standpunt dan dat van de schrijver. Merkwaardig genoeg kiezen auteurs dan nogal makkelijk voor het perspectief van personages die minder intelligent zijn dan zijzelf, wat niet altijd de meest boeiende resultaten oplevert. Tenzij die intellectuele beperking vloekt met de functie van het personage, bijvoorbeeld de Eerste Minister in Robert Harris' verhaal, waarvan de vorm zo haaks staat op de inhoud dat het surrealistisch wordt; of tenzij het principe satirisch werkt, zoals in Dave Eggers' bijdrage over een snelle hond en een stel kritische eekhoorns die wachten tot hij op zijn bek gaat.

Uiteraard koos Hornby voor de hipste schrijvers van dit moment (Dave Eggers, Irvine Welsh, Zadie Smith, Roddy Doyle, Helen Fielding,...): die brengen het meeste geld op. Zelf noemt hij dat cynisch, maar het is een welgemeend cynisme. Met een vrijpostigheid die Peter Sloterdijk eerder 'kynisch' zou noemen, verplicht Hornby zijn lezers min of meer zijn goed doel te steunen: per gekocht exemplaar gaat één pond of twee dollar automatisch naar het onderwijs voor autistische kinderen.

Hornby's eigen bijdrage aan deze verhalenbundel, 'NippleJesus', heeft ook iets kynisch: het is geschreven met gevoel voor scepsis en satire, zonder nihilistisch of onverschillig te worden. Het gaat over een suppoost, verantwoordelijk voor een controversieel kunstwerk (een collage van duizenden uit pornoblaadjes geknipte tepels die samen het gelaat van Christus vormen). Op zijn zachtaardige maar effectieve manier hekelt Hornby elke vorm van preuts religieus fanatisme, maar net zo goed de exploitatie van de controverse als winstgevend product.

De reacties op Speaking With the Angel hebben de directe aanleiding gevormd voor How To Be Good. Toen mensen lazen over het autisme van zijn zoon, kreeg Hornby van de gekste goeroes en genezers hulp aangeboden. In plaats van er zelf op in te gaan, heeft hij zijn personage dat laten doen. De groteske bekering van David in How To Be Good is best geestig, maar de humor is zwarter en melancholischer dan in Fever Pitch, High Fidelity en About a Boy. Tegelijk ook subtieler en minder vrijblijvend. Hornby speelt de troeven van literatuur uit tegen de generaliserende discussies over moraal. Een van die troeven is de focus op concrete situaties. Met gevoel voor humor en kleine nuances geeft Hornby vorm aan een prikkelende denkoefening: een doornenkroon van rozige tepels - om zijn eigen metafoor te gebruiken. Goedheid is een onverwacht controversieel thema, iets waar 'men' niet over spreekt, en Hornby schrikt er niet voor terug zijn lezers ermee in verlegenheid te brengen. Enerzijds is Katie een burgertrut voor wie goedheid-met-mate een dekmantel is voor morele mediocriteit en zelfingenomenheid. Anderzijds heeft ze, in tegenstelling tot David, niet de pretentie om haar manier van leven op te dringen en te dogmatiseren, wat haar dan weer sympathiek maakt. Het enige wat ze wil is dat haar man wat vriendelijker is en het volgende moment gedraagt hij zich als een heilige die volledig opgaat in een vorm van dictatoriale goedheid die een weldaad tegen de menselijkheid is. En bepaald humorloos.

Het valt op hoe nauw de goed/kwaad-discussie samenhangt met de ernst/ironie-kwestie van Eggers. Een schrijver met gevoel voor zelfrelativering vraagt zich af 'how to be good' en voor hij het beseft wil zijn personage er een zelfhulpboek over schrijven, het absolute tegendeel van wat hij bedoelde. Vanaf dat moment komt hij in een verlammende, schizofrene situatie terecht en kan hij de vier woorden How To Be Good enkel nog oneigenlijk gebruiken, ironisch dus. Dat wil niet zeggen dat Hornby niet meent wat hij schrijft. Verre van. Maar hij kan geen kant-en-klaar antwoord formuleren. Het hele boek gaat over de onmogelijkheid om een boek met die titel te schrijven, gezien de permanente staat van morele verwarring waarin elke mens leeft die geen Übermensch is. How To Be Good is gecondenseerde onbeslisbaarheid: niet tragisch, niet komisch, niet ironisch en niet onironisch, even halfslachtig als de doorsnee-westerling wanneer hij zich afvraagt wat gedaan in dit overbevolkte niemandsland tussen goed en kwaad; zo paradoxaal resoluut, extreem en consequent halfslachtig zelfs dat het oncomfortabel wordt. Uiterst compatibel dus met dit hoogst ongemakkelijke thema.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234