Zaterdag 12/06/2021

'Tegen de holocaust kunnen wij niet op'

'Joden verschillen over alles van mening, van abortus tot belastingen. Maar over één ding zijn ze het eens: Israël. Arabieren zijn het nergens over eens''Joden hebben altijd geleerd: als je een deur op een kier ziet staan, trap je die open. Die politieke betrokkenheid hebben Arabische Amerikanen niet van huis meegekregen'

Caroline de Gruyter / Foto Magnumwaarom in de vs geen verenigde Arabische politieke lobby bestaat

Geld en stemmen, daar draait het om in de Amerikaanse politiek. De joodse kiezers en lobbyisten hebben dat goed begrepen, maar van de Arabieren horen de politici nooit iets. De Arabische lobby is versnipperd. De organisaties doen allemaal hun eigen, kleine projecten. Een verenigde Arabische politieke lobby is er niet. 'Amerikaanse Arabieren hebben een imagoprobleem', zegt een diplomaat in Washington.

In juni bracht een groep Amerikaanse Arabieren een bezoek aan congreslid Thomas Davis uit Virginia. Afgaand op zijn uitlatingen op tv en in de krant dachten zij dat Davis zwaar op de hand van Israël was. Maar tijdens het gesprek bleek dat de man wel degelijk een open oor had voor de Arabische kant van het conflict in het Midden-Oosten. Dus vroegen zij Davis, verbaasd, waarom hij altijd de kant van Israël kiest als er in het Congres gestemd moet worden - over Jeruzalem, ontwikkelingshulp aan de Palestijnen of Israëls bezetting van Zuid-Libanon. "Luister", zei Davis, "de joden steken zoveel meer geld in de politiek dan jullie, dat je wel gek moet zijn om als congreslid tegen hen te stemmen."

Dat patroon zal voorlopig niet veranderen. Voor de verkiezingen voor het Congres, die op 3 november werden gehouden, hadden Amerikaanse joden volgens het pro-Arabische tijdschrift Washington Report on Middle East Affairs in 1997 en het eerste kwartaal van 1998 al 98 keer meer geld en energie gestoken dan de Arabische Amerikanen. Dat getal is gebaseerd op een fractie van al het geld dat aan kandidaten wordt gedoneerd, namelijk via de zogenaamde PAC's (Political Action Committees, organisaties die namens een belangengroep geld inzamelen voor politieke kandidaten). Volgens het tijdschrift kregen congresleden in de genoemde periode in totaal 1.495.560 dollar van pro-Israël-PAC's, en slechts 15.300 dollar van pro-Arabische PAC's. Er zijn 62 pro-Israël-PAC's, en vijf pro-Arabische PAC's.

Naar het aantal inwoners gerekend zouden de pro-Arabische bijdragen echter minstens even hoog moeten zijn als de pro-Israëlische. In Amerika wonen zo'n vier miljoen mensen van Arabische afkomst, van wie de helft christenen. De totale moslimgemeenschap (inclusief Iraniërs, Pakistani en zwarte Amerikanen, voor wie kwesties als Jeruzalem of sancties tegen het moslimland Irak eveneens belangrijk zijn) telt tussen de zes en acht miljoen zielen. Toch zegt de adviseur van een congreslid op Capitol Hill: "Hun politieke invloed is nihil. Wij moeten soms zelfs Amerikaanse Arabieren opbellen en zeggen: Als je niet wilt dat Amerika weer de kant van Israël kiest, you'd better get your act together. Maar zelfs dan gebeurt er niets."

Het aantal Amerikaanse joden is ongeveer zes miljoen. Die zijn, anders dan de Arabieren en/of moslims, actief. Zo actief, dat de joodse lobbyorganisatie AIPAC (American Israel Public Affairs Committee) volgens het blad Fortune in 1997 het op één na machtigst was van alle lobbygroepen op Capitol Hill. AIPAC stelt zelfs de National Rifle Association en de olielobby in de schaduw. Alleen de Association for Retired Persons, de gepensioneerdenbond, heeft meer gezag.

"Overal winden Arabieren zich op over het feit dat Amerika zo pro-Israëlisch is", zegt Khaled al-Zjindi, een jonge Egyptische Amerikaan in all-American jeans die voor de lobbyorganisatie Arab American Institute Foundation (AAI) in Washington werkt. "Maar we doen er niet genoeg aan om dat te veranderen."

Juist op dit moment is de vraag actueel: waar blijft de Arabische lobby? Het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen - en andere Arabieren - verloopt zeer moeizaam sinds Benyamin Netanyahu in 1996 premier werd van de joodse staat. Het is een publiek geheim dat de Amerikaanse president Bill Clinton Netanyahu niet kan luchten of zien, en graag meer druk op hem wil uitoefenen om concessies te doen aan de Arabieren. Policymakers op het State Department, joods en niet-joods, geven openlijk lucht aan hun teleurstelling in Netanyahu. Als er een krachtige, geoliede Arabische lobby op Capitol Hill was, zou ze juist nu in dat gat kunnen springen.

Er zijn legio Arabisch-Amerikaanse en islamitische lobby- en belangenclubs. Sommige daarvan boeken nu en dan een succesje, zoals de Council on American-Muslim Relations (CAIR), die vorig jaar een logo van Nike-sportschoenen wist te verwijderen omdat het te veel op de Arabische transcriptie van 'Allah' leek. Op dit moment probeert CAIR het plot van de film The Siege te veranderen omdat Arabieren daarin als terroristen figureren. De film - een oorlogsfantasie van 20th Century Fox met Bruce Willis en Denzel Washington - ging deze week in première. Voorfilms in de bioscopen toonden afgelopen zomer al voorproefjes van Arabische hordes die de Brooklyn Brug over marcheren om Manhattan te bezetten en moslims die in Amerikaanse moskeeën oproepen tot geweld. Fox weigert de film om te gooien. Wel zijn scènes geschrapt van een taxichauffeur die weigert een Arabische Amerikaan mee te nemen, en van een Arabier die zwaaiend met een machinegeweer op een kameel door Manhattan trekt.

Maar de Arabische lobby is versnipperd. De organisaties doen allemaal hun eigen, kleine projecten. Een verenigde Arabische politieke lobby is er niet - en zeker niet op internationaal-politiek gebied. Wat dat betreft heeft de joodse lobby, krachtig als altijd, geen Arabische concurrentie. "Capitol Hill is Israëlisch bezet gebied", zei de voormalige Republikeinse presidentskandidaat Pat Buchanan eens. Meer dan de helft van Clintons verkiezingsbudget kwam van Amerikaanse joden - zelfs bij AIPAC steken ze dat percentage niet onder stoelen of banken. In cruciale staten als Californië en Florida, waar Clinton en zijn Republikeinse rivaal nek aan nek streden, zorgden de joodse stemmen net voor de Democratische overwinning - de beroemde, of beruchte, 'swing vote'.

"Als Clinton Netanyahu laat vallen en PLO-leider Yasser Arafat omarmt, kan dat de Democraten in 2000 de herverkiezing kosten", zegt een van de invloedrijkste joodse lobbyisten in Washington, die anoniem wil blijven. In zijn kantoor, op een steenworp van Capitol Hill, hangen foto's van hem met Clinton. "Daarom is Clinton een filosemiet. Zijn inner circle zit vol joden, en dat is niet voor niets."

Zo gaat het ook met congresleden - zelfs de Arabische. Ray LaHood uit Illinois, die in een Arabisch gezin opgroeide, stemde bijvoorbeeld voor de verhuizing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem. Een Amerikaanse ambassade in Jeruzalem zou betekenen dat de Verenigde Staten Israëls claim op de hele stad erkennen - inclusief Palestijns Oost-Jeruzalem. Toen een prominente Arabische Amerikaan vroeg: "Ray, waarom stem je tegen ons?", antwoordde LaHood: "Omdat joden me stemmen en geld beloven als ik dat doe, en ik nooit iets van de Arabieren hoor."

De adviseur van een congreslid beaamt dat: "Joden bellen mijn baas en zeggen: als je niet zo en zo stemt, betaal ik geen cent meer aan je verkiezingscampagne en stem ik niet meer op je. Arabieren betalen niet aan campagnes, gaan niet op pad om andere Arabieren op hem te laten stemmen. Ze stemmen vaak niet eens. Waarom zou mijn baas naar hen luisteren?"

Geld en stemmen, daar draait het om in de Amerikaanse politiek. Als je daar slim gebruik van maakt, kan je als minderheidsgroep onevenredig veel macht uitoefenen. Amerikaanse joden hebben dat goed begrepen. Amerikaanse Arabieren spelen dat spel niet mee, of nauwelijks. Waarom?

"Amerikaanse Arabieren hebben allereerst een imagoprobleem", zegt een buitenlandse diplomaat in Washington die zich met de Midden-Oostenpolitiek bezighoudt. "Hoewel de helft van alle Arabieren hier christelijk is, worden ze toch als 'moslims' gedefinieerd omdat ze uit de moslimwereld komen. In deze judeo-christelijke samenleving is het soms echt verbijten voor Arabieren." Zo wilde Michael Dukakis, presidentskandidaat in de jaren tachtig, alleen financiële bijdragen van Arabieren aannemen als zij er hun mond over hielden. Joseph Sarkes Khoury, een Californische economieprofessor van Arabische (christelijke) afkomst, moest het vorig jaar in lokale verkiezingen opnemen tegen een man die huis-aan-huispamfletten verspreidde met enkel de namen van Khoury's Arabische geldschieters erop. De namen van Khoury's niet-Arabische en joodse donoren - dat waren er meer - waren weggelaten. "U stemt toch niet op deze man?" stond er suggestief boven. Khoury, die zichzelf omschrijft als 'eerst Amerikaan, dan Arabier', woont al 32 jaar in Amerika en werd op CNN ooit als 'de ideale migrant' aangeprezen.

Sinds de bomexplosies in het New Yorkse World Trade Center, in Oklahoma en de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar es Salaam worden Arabieren steeds meer vereenzelvigd met 'terroristen'. Zo wordt Raafat al-Dajani, een jonge Amerikaanse Palestijn die bij het American Committee on Jerusalem in Washington werkt, tegenwoordig bij politiecontroles en op vliegvelden meteen uit de groep reizigers geplukt en aan vragen en fouillering onderworpen. "Het is vernederend", zegt hij. Ook Arabisch-Amerikaanse liefdadigheidsorganisaties zijn tegenwoordig verdacht. Omdat terreurgroepen als Hezbollah en Hamas, zegt men, een deel van hun financiële bijdragen via dit soort organisaties in het westen binnenhalen, hebben nu ook bonafide, Amerikaans-Arabische grassroots-organisaties in Amerika de grootste moeite om hun activiteiten legaal voort te zetten - activiteiten die nodig zijn om een politieke lobby van de grond te krijgen. Acht Arabieren met Amerikaanse paspoorten staan op de lijst om uitgewezen te worden, omdat ze geld inzamelden in steden als Chicago. Een andere gedetineerde stuurde elke maand 50 dollar naar zijn broertje die in Zuid-Libanon in een weeshuis van Hezbollah zit. De rest van de familie was bij de Israëlische aanval op de VN-basis in Qana, in 1996, omgekomen. De man zegt dat hij geen Hezbollah-sympathieën heeft, maar dat Hezbollah de enige organisatie is die in dat gebied weeshuizen opzet. De Amerikaanse autoriteiten geloven hem niet. Maar onder de huidige antiterrorismewetten kan hij zich amper verdedigen. "Hem zelfs maar een advocaat sturen", zegt Hala Maksoud, de christelijke Libanees-Amerikaanse directeur van de Anti Defamation League, "is tegenwoordig strafbaar. Dit grenst aan racisme. Joden hebben dat probleem niet."

De tweede reden dat Arabieren politiek nauwelijks actief zijn in Amerika, is dat ze niet begrijpen hoe je als minderheid invloed kan uitoefenen. Zij komen allen uit meerderheidsculturen, waar de minderheid er juist voor kiest om zich zo onzichtbaar mogelijk te maken. Joden, die altijd overal in de minderheid waren, kennen het klappen van die zweep veel beter.

Ten derde komen veel Arabieren uit landen waar je je beter niet in de politiek kan begeven - dictaturen als Irak en Syrië, of landen als Libanon waar menig politicus een vogelvrij bestaan leidt. "Joden hebben altijd geleerd: als je een deur op een kier ziet staan, trap je die open", zegt Joseph Alpher, directeur van The American Jewish Committee in Jeruzalem, die in het verleden in Washington veel met de Arabische lobby te maken had. "Die politieke betrokkenheid hebben Arabische Amerikanen niet van huis meegekregen." Arabieren, zegt de Egyptische Amerikaan Khaled al-Zjindi van het Arab American Institute, komen naar Amerika om een nieuw bestaan op te bouwen. "We zijn blij om de Midden-Oosterse politiek achter ons te laten." Veel Arabieren beschouwen politici als leugenaars die het volk gebruiken om er zelf beter van te worden. Ook in Amerika willen ze niets met dat slag te maken hebben - met als gevolg dat ze zelfs na een jarenlang verblijf nog niets van het politieke systeem begrijpen. Een rondgang langs talloze Arabisch-Amerikaanse belangengroeperingen in Washington levert een blocnote vol scheldkanonnades op - over elkaar, elkaars leiders, elkaars motieven. Die groepen splitsen om de haverklap vanwege interne ruzies, en besteden vervolgens onevenredig veel tijd aan het zwartmaken van elkaar. De een "is een nest vol spionnen voor Israël", de ander "tilt de belastingen" of wordt geleid door een "egotripper". Wie het politieke klimaat in het Midden-Oosten kent, klinkt dit gekift akelig bekend in de oren - hetgeen Arabische Amerikanen een vervelend déjà vu bezorgt en enkel nog achterdochtiger en apolitieker maakt. Van de joods-Amerikaanse stemgerechtigden, schrijft J.J. Goldberg in zijn recente boek Jewish Power, gaat bijna 90 procent naar de stembus. Van de Arabische Amerikanen laat minder dan de helft zich zelfs maar als kiezer registreren.

De vierde reden dat een sterke Arabische lobby in Washington nauwelijks van de grond komt, is de enorme verscheidenheid onder Arabische Amerikanen. "Ze zeggen wel eens: waar twee joden zijn, vind je drie meningen", zegt de joodse lobbyist op Capitol Hill. "Joden verschillen over alles van mening, van abortus tot belastingen. Maar over één ding zijn ze het eens: Israël. Arabieren zijn het nergens over eens." Tweeëntwintig landen en zes religies op één lijn krijgen zou nog te doen zijn als de Arabische Amerikanen, net als de joden, een gemeenschappelijke 'cause' hadden. Maar zo'n zaak, waar allen zich achter kunnen scharen, bestaat niet. Het enige wat hen kan binden, is misschien de kwestie-Jeruzalem: de heilige stad voor alle moslims, waarvan zelfs het Palestijnse oostelijke deel nu tot veler afgrijzen steeds verder 'gejudaïseerd' wordt door Israël. Maar voor de meesten is dat te ver van huis, te abstract. Libanezen die politiek actief zijn, concentreren zich op de Israëlische bezetting van Zuid-Libanon, of op de Syrische bezetting. Irakezen zijn gepreoccupeerd met het embargo tegen Irak, of met de zoveelste Golfcrisis. Saudi's zijn bezig met olieprijzen. Palestijnen voeren actie tegen joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, en voor of tegen het Oslo-vredesproces. En de Egyptische gemeenschap in Chicago, waar Khaled al-Zjindi opgroeide, is "totaal insulair". Iedereen bemoeit zich met zijn eigen zaken. Voor zover Egyptenaren bijdragen aan de gemeenschap, dan is het hun eigen parochie: ze zamelen geld in voor een moskee. Egyptenaren behoren tot de welvarende middenklasse. Ze trouwen met elkaar. Met de Palestijnen, die in Chicago meer tot de arbeidersklasse behoren, hebben de Egyptenaren nauwelijks contact.

Leidersfiguren in de Arabisch-Amerikaanse gemeenschap zijn daarbij overwegend christenen. Christenen krijgen hier, net als in Europa, gemakkelijker visa en verblijfsvergunningen dan moslims. Zij vinden sneller aansluiting bij de christelijke Amerikaanse cultuur. Ze 'maken' het daardoor sneller in de politiek, maar vervreemden in even hard tempo van het islamitische deel van de achterban. "Wij veramerikaansen snel", beaamt James Zogby, de flamboyante christelijke directeur van het AAI, wiens familie uit Libanon komt. "Mijn vrouw is Ierse. Mijn dochter is net getrouwd met een niet-Arabier. Over een paar generaties zijn we totaal geassimileerd. Geen spoortje Midden-Oosten meer." Voor veel moslims is zulk leiderschap op zijn ergst een gruwel, op zijn best laat het ze onverschillig.

Zogby - met zijn sigaren, tweed jasje en stopwoorden als 'Hey man' en 'Fuck 'em' - omschrijft zichzelf als "een trotse gung ho Amerikaan die toevallig uit een ander land komt". Hij voelt zich in Amerika meer thuis dan in Libanon. Als een van de weinige Arabische Amerikanen sprak hij tijdens de Golfoorlog over "onze troepen op vreemd grondgebied" (Irak) - een term die in het State Department en het Witte Huis beter aansloeg dan "Geen vreemde troepen op ons grondgebied", de slogan die veel andere Arabische Amerikanen gebruikten. Zogby staat mijlenver af van de Iraki-met-tulband die op een congres van de American Muslim Council in Washington Allahs boodschap op cd-rom verkoopt, en van de gesluierde vrouw in het stalletje ernaast, die hijabs (lange bedekte jurken) in de aanbieding heeft. Op het Moslimcongres eten moslims houmous en kebab. De lezingen gaan over discriminatie van moslims in Amerika en de "racistische inslag" van de "anti-islamitische buitenlandse politiek in Amerika". De enige niet-Arabische spreker is Ramsey Clark, voormalig procureur-generaal onder president Johnson, die met ronkende uitspraken als "Kijk hoe ze Palestina van de Arabieren hebben gestolen!" aller handen stevig op elkaar krijgt.

Geen congreslid dat er maar over peinst om zijn gezicht op zo'n bijeenkomst te laten zien. De enige Arabisch-Amerikaanse lobbygroep waar sommige congresleden zich vertonen, is Zogby's AAI. "Wij spreken de taal van de Amerikanen", zegt Zogby trots. "De taal van de Macht. Dat spreekt het establishment aan." Toen Bill Clinton deze zomer als eerste zittende president een Arabisch-Amerikaans jaarcongres bezocht - zoals presidenten sinds jaar en dag bij joodse congressen doen -, koos hij het AAI. Na de Israëlische aanval op de VN-basis in Qana in 1996, waarbij ruim honderd Libanezen de dood vonden, kreeg Zogby een telefoontje van een politiek analist uit het Witte Huis die zei: "Wat betekent Qana voor ons in Michigan?" De man was bezorgd over de toekomst van de Democratische afgevaardigden in Michigan - de enige staat in Amerika waar Arabische Amerikanen aan de politiek beginnen deel te nemen. Daarop regelde Zogby een ontmoeting tussen Clintons veiligheidsadviseur Anthony Lake en drieduizend Arabische Amerikanen uit Michigan. "Op dat telefoontje", zegt Zogby, "heb ik twintig jaar gewacht. We hebben nog steeds bruine ogen, maar we worden tenminste eindelijk serieus genomen."

Sommige Arabisch-Amerikaanse lobbyorganisaties verspreiden via Internet verontwaardigde berichten over Israëlische bulldozers die Palestijnse huizen in Jeruzalem platwalsen. In ronkende teksten verwijzen zij naar het onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan. "Dat werkt niet", stelt Zogby vast. "Er is zoveel onrecht in de wereld, waarom zou een Amerikaan zich hier druk om maken? En als het om slachtofferschap gaat, winnen de joden het van ons: tegen de holocaust kunnen wij niet op. Die strategie is verkeerd. Je moet er een Amerikaans onderwerp van maken." In zijn wekelijkse tv-talkshow A Capital View op het Arabisch-Amerikaanse kanaal ANA laat Zogby ook bulldozers zien. Zijn tekst: "Amerika geeft Israël jaarlijks 5 miljard dollar hulp. Vindt u het een goede zaak dat een deel van dit bedrag, UW belastinggeld, in dit soort acties wordt gestoken?"

Veel Arabische Amerikanen verwijten Zogby dat hij, in zijn poging een wit voetje te halen bij het politieke establishment, te veel politieke concessies doet. Maar een jonge Libanees-Amerikaanse die voor een ontwikkelingsorganisatie in Washington werkt, noemt Zogby's aanpak een verademing. "Tot voor kort zag je op Dupont Circle tijdens de lunchpauze enkel demonstraties met spandoeken als 'Dood aan de imperialisten/zionisten!' Ik schaamde me dood. Dat is de taal van de machtelozen. Je bereikt er niets mee." Haar generatie, twintigers en dertigers die in Amerika zijn geboren en getogen, begint nu te doen wat joden al decennialang doen: stage lopen op Capitol Hill, in de hoop er een baan te vinden en de Amerikaanse politiek van binnenuit te beïnvloeden. Een van Zogby's zoons, Joe, heeft net werk gevonden bij Martin Indyk, de voormalige (joods-)Amerikaanse ambassadeur in Israël die als hoofd van het Midden-Oostenbureau op het State Department een belangrijke bemiddelaar is in het vredesproces. Dat is een begin. Net als het feit dat Hillary Clinton de laatste jaren tijdens de heilige moslimmaand ramadan iftar-maaltijden in het Witte Huis organiseert (de eerste maaltijd na een dag vasten), voor echtgenotes van prominente Amerikaanse moslims. Maar of dit soort activiteiten ook zal leiden tot het ontstaan van een krachtige Arabische lobby, die in de buurt kan komen van de joodse lobby, is dubieus. Half augustus overreedde de joodse lobby de Amerikaanse regering om een nieuw type Lockheed-satellieten niet aan derde landen te verkopen, opdat luchtfoto's van Israël niet in verkeerde (Arabische) handen zouden vallen. Onder druk van de joodse lobby smeekte president Clinton PLO-leider Yasser Arafat enige weken geleden om tijdens zijn eerste toespraak voor de General Assembly van de Verenigde Naties, niets te zeggen over de staat Palestina die hij in mei 1999 wil uitroepen - en inderdaad, Arafat maakte er melding van, maar zo voorzichtig dat de Israëlische delegatie er geen aanstoot aan nam. "Dat Arabische Amerikanen ooit zoveel macht krijgen, no way", zegt Richard Curtiss, een ex-diplomaat die nu hoofdredacteur is van de Washington Report, het pro-Arabische blad dat de joodse en Arabische campagnebijdragen voor de komende verkiezingen in kaart bracht. "Een effectieve Arabische lobby betekent dat de Amerikaanse president op een dag tegen de joden zegt: sorry, ik wil jullie helpen, maar ik kan niet: ik ben bang dat ik m'n Arabische kiezers verlies."

Nog afgezien van het feit dat zo'n Arabisch (of islamitisch) kiezersblok in geen velden of wegen te bekennen is, lijkt het een onmogelijke opgave om ooit de joodse lobby van haar prominente plaats te verdringen. Zo is het de joodse lobbyorganisatie AIPAC die beslist wie er Amerikaanse buitenlandse hulp mag ontvangen. Israël krijgt een kwart van alle hulp. Om die 5 miljard dollar veilig te stellen, heeft AIPAC ervoor gezorgd dat het - via zijn controlemechanismes over de congresleden: geld en stemmen - kan beslissen over de hele 'taart' van 20 miljard. Dat is in Washington geen geheim. Als Afrikaanse landen in aanmerking willen komen voor Amerikaanse hulp, kloppen ze bij AIPAC aan. Toen Jordanië na het vredesverdrag met Israël (1994) om Amerikaanse hulp vroeg, zorgde AIPAC ervoor dat het Congres het bedrag en de aard van die hulp goedkeurde. Via AIPAC formuleerden de Jordaniërs het soort wapens dat ze wilden hebben; als ze wapens zouden vragen die het Israëlische leger niet zouden bevallen, zou hun voorstel in het Congres immers geen kans maken. Egypte bewandelde na zijn vredesverdrag met Israël in 1979 dezelfde weg. Nu de buitenlandse hulp wederom ter discussie staat in Washington, is de joodse lobby druk bezig een nieuwe 'verdeling' te maken, waarin bijvoorbeeld ook staat welk bedrag 'goed' is voor Egypte. Egyptische diplomaten zijn daar woedend over. Waarop een congreslid tegen ze zei: "Waarom doen jullie niet als de joden, en dienen jullie een eigen voorstel in, in plaats van enkel te klagen over de joodse macht?" Omdat AIPAC niet wil dat de Amerikaanse regering haar hulp aan de Palestijnen prolongeert, is het Congres er ook tegen. President Clinton, die de Palestijnen die hulp ten tijde van de Oslo-akkoorden had beloofd, overstemt dat besluit elk jaar met een persoonlijk decreet. Om dezelfde reden is de Palestijnse ambassade in Washington de helft van het jaar gesloten: Clintons Middle East Peace Facilitation Act (Mapfa-wet), die de PLO-vertegenwoordiging moest legaliseren, is door AIPAC's invloed nooit door het Congres gekomen. Wachtend op Clintons nieuwe decreet neemt men in de ambassade zes maanden per jaar de telefoon op met 'Palestinan Embassy, good morning', en zes maanden met een voorzichtig: 'Yes?' "Wij joden", zegt de prominente joodse lobbyist op Capitol Hill, "worden door één motief gedreven: we zijn bang voor alles en iedereen. Alles is voor ons een kwestie van overleven. Daarom schieten we bij het minste of geringste in de politieke versnelling. Israël kan zich niet permitteren om ook maar één oorlog te verliezen. Dan zijn we er geweest. Arabieren hebben dat niet. Ze missen die drang. Daarom zullen zij onze lobby nooit evenaren." Iedere keer als Arabische Amerikanen een lobbyachtige aanzet lijken te doen, worden ze dan ook links en rechts door de joodse lobby ingehaald. Zo gingen de alarmbellen in 1984 bij AIPAC rinkelen: James Zogby zou bezig zijn PAC's op te richten, fondsenwervingsorganisaties. Op dat moment waren joods-Amerikaanse financiële bijdragen in de politiek veertig keer zo hoog als de Arabisch-Amerikaanse. De joodse lobby antwoordde met een enorme fondsenwervingscampagne onder Amerikaanse joden. Resultaat na enige jaren: joodse bijdragen waren niet langer veertig, maar honderd veertig keer zo hoog als de Arabische. Als joden denken dat Arabieren politiek actief worden, worden zij extra actief.

Iets dergelijks gebeurde in 1988, toen de zwarte politicus Jesse Jackson een gooi deed naar het leiderschap van de Democratische partij. Een van Jacksons trouwe kompanen was James Zogby. Om de Democratische partij te 'redden' van Arabische overheersing, zette de joodse lobby al haar kaarten op een tegenkandidaat. Dat was Bill Clinton. "We waren niet zozeer geïnteresseerd in Clinton, we wilden meer de deur voor de Arabieren dichtslaan", zegt de joodse lobbyist. Hij kijkt er triomfantelijk bij. Van de Arabieren heeft hij weinig te duchten.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234