Maandag 08/03/2021

Te veel vragen zonder antwoorden

W.G. Sebald schreef een roman over de holocaust die begint in Antwerpen en in Mechelen eindigt: Austerlitz. Daarin vertelt iemand het verhaal van een man, Jacques Austerlitz, die hij voor het eerst ontmoet in de wachtzaal van het Centraal Station in Antwerpen. Daar, en later tijdens opeenvolgende ontmoetingen in België, Londen en Parijs, vertelt Austerlitz het verhaal van zijn leven, merkwaardig genoeg in een min of meer chronologische volgorde.

Recensie door Geert Lernout

Foto's Patrick Poels

W.G. Sebald

Austerlitz

Carl Hanser, München, 424 p., 46 mark.

De dood van miljoenen mensen in de KZ's van de Tweede Wereldoorlog heeft diepe sporen nagelaten. Dat was al zo in de eerste twintig jaar na de ontdekking van de grote vernietigingskampen, maar het is pas de laatste dertig jaar dat in de po-pulaire verbeelding de kampen beperkt zijn tot het ene Auschwitz en het veel grotere totale aantal slachtoffers tot de zes miljoen joodse doden. In dezelfde periode werd de 'holocaust' een absolute en soms zelfs een transcendentale gebeurtenis, een nulpunt waarover niet gesproken en gedacht kon worden maar dat volgens sommige filosofen juist alle denken na 1945 mogelijk (en tegelijk uiteraard ook onmogelijk) maakte.

Ook schrijvers hadden moeite om over de holocaust te zwijgen. De Duitse filosoof Adorno schreef in 1949 in zijn barbaarse proza dat het schrijven van poëzie na Auschwitz barbaars was, maar zijn woorden werden meestal alleen maar geciteerd om ze met een nieuw gedicht of nog maar een roman te weerleggen. Adorno nam later zijn woorden terug, maar dat neemt niet weg dat toen hij zijn beroemde uitspraak deed, de eerste gedichten over de holocaust al geschreven waren. En hij kon zeker niet voorzien welke bevoorrechte rol het thema van de holocaust zou gaan spelen in de literatuur van de rest van de twintigste eeuw.

Zonder in het andere uiterste van de filosofische verabsolutering te vervallen, hebben critici als Michael André Bernstein op overtuigende wijze gewaarschuwd tegen de trivialisering van de holocaust. De verleiding voor schrijvers moet nochtans erg groot zijn: de holocaust is een moreel absolutum en als zodanig voor ieder schrijver een prachtige horizon die de moeilijkste plotproblemen in één grandioze geste kan oplossen. De kampen vormen op deze manier een negatieve versie van wat voor schrijvers uit de negentiende eeuw de onvoorziene erfenis van het verdwenen gewaande familielid uit Australië was. De holocaust is als element van een literaire plot zo sterk dat een schrijver als Jurek Becker (1937-1997) een hele roman kon bouwen op de afwezigheid van de holocaust. In zijn meesterlijke Jakob de leugenaar (Jakob der Lügner, 1968; vertaald in 1975) beschrijft hij het leven tijdens de bezetting in een Pools getto. Aan het slot wordt de hoofdpersoon samen met de verteller en de andere bewoners in een trein afgevoerd. Door een gat in de wand van de wagon kijkt de verteller naar buiten, waar hij alleen nog de schaduwen van bomen ziet. Dit zijn de laatste woorden van de roman: "slapen kan ik niet, we rijden waarheen we rijden".

Als deze woorden voor 1945 aan het einde van een roman hadden gestaan, dan zou dit een open einde zijn geweest. Hier niet: dit is het meest gesloten einde dat we ons kunnen indenken. In de roman, en in de Oost-Duitse verfilming ervan in 1974, werd met dit gegeven op ingetogen wijze omgegaan, een beperking die Hollywood zich twee jaar geleden niet echt oplegde toen het boek in het Engels werd verfilmd.

Robin Williams speelt Jakob en van de vormgeving tot de affiche baadt alles in het grauwblauwe licht dat we dwangmatig met Auschwitz associëren. Het resultaat is een perfect voorbeeld van wat Bernstein met zijn kritiek bedoelt. Terwijl in de roman de personages nog de menselijkheid en morele complexiteit hadden waarop ze recht hebben, worden ze in de Amerikaanse film vanaf het begin enkel en alleen in het kader van de holocaust bekeken. In de Duitse film hebben ze een leven dat op een bepaald ogenblik niet langer beschreven wordt, in Hollywood leven ze alleen maar in het kader van hun dood.

Bernstein noemt dat laatste een vorm van "apocalyptische geschiedenis" en hij verzet zich nog meer tegen de manier waarop deze literaire denkwijze ook in de geschiedenis wordt toegepast. De schaduw van de gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog ligt niet alleen over alles wat er sinds 1945 is gebeurd, maar ook over het verleden. Letterlijk alles wat er in de wereld voor 1933 is gebeurd, wordt alleen nog gezien in het kader van wat tussen 1933 en 1945 met de joden is geschied. De wat geëxalteerdere denkers en dichters van de holocaust zien dan in elke trein een dodentrein, in elke schoorsteen die van een crematorium, in elke Duitser een moorddadige nazi. Joden die in 1933, of in 1938, of in 1940 niet uit Duitsland wegvluchtten of in het verzet gingen, worden dan automatisch dom of laf. Wat we daarbij volgens Bernstein uit het oog verliezen, is dat de geschiedenis alleen maar achteraf één verhaal vormt. Zoals we iedere dag opnieuw kunnen vaststellen, is de toekomst voor ons open. Niet alleen hebben we slechts in heel geringe mate vat op wat er morgen gaat gebeuren, alles kan altijd anders zijn dan we verwachten en dan zelfs de grootste profeten kunnen voorspellen.

De holocaust is voor ons een veilig thema geworden: zelfs zij die geloven dat er geen holocaust geweest is of dat alles niet zo erg was als men wel beweert, zijn toch nog tegen de massavernietiging van joden. Maar een dergelijke eensgezindheid heeft een prijs. Een van de kwalijkste gevolgen is zeker het gevaarlijke spektakel van de populariteit van het slachtofferschap. Vooral in de Verenigde Staten is het feit alleen al dat je een slachtoffer bent (of dat je luid roept dat je er een bent, of dat je beweert in naam van een groep van slachtoffers te spreken), genoeg om je alle morele gezag te geven. We hebben ook in België in de nasleep van Dutroux gezien waar zulks toe leidt. Als de holocaust de grote absolute misdaad is, dan is een slachtoffer van de kampen meteen ook de morele overwinnaar van iedere discussie. Iemand als Elie Wiesel heeft op deze rol een hele carrière gebouwd. En hij heeft dan nog echt in de kampen gezeten.

Geen wonder dat iedereen slachtoffer wil zijn. Helaas zijn er ook gevallen van slachtoffers die later leugenaars bleken te zijn, en dan laat ik acteurs die zichzelf een hakenkruis in de borst kerven nog buiten beschouwing. Een van de beroemdste fantasten is ongetwijfeld de Amerikaanse schrijver Jerzy Kosinski, die beweerde dat de verschrikkelijke wreedheden in zijn roman The Painted Bird een weergave waren van zijn eigen jeugd in Polen, tot hij moest toegeven dat zijn ervaringen verzonnen waren. En vijf jaar geleden was er het geval van Benjamin Wilkomirski, die het als zijn memoires gepresenteerde Brokstukken (Bruchstücke. Aus einer Kindheid 1939-1948) uitgaf, waarin hij beschreef hoe hij als kind de gruwelijkste wreedheden in de kampen overleefde en darna geadopteerd werd door pleegouders die hem dwongen zijn verleden te vergeten en als een Zwitsers jongetje op te groeien. Zijn verhaal werd gepubliceerd en nagenoeg onmiddellijk vertaald. Hij kreeg lovende recensies, een prijs van The Jewish Quarterly, de Jewish National Book Award en de Prix de Mémoire de la Shoah. Toen bleek dat de jongen die door zijn ouders gedwongen werd om zich als een Zwitser te gedragen, gewoon een Zwitser was die zich al dan niet bewust een avontuurlijk joods verleden bij elkaar had gelogen.

Het was een klassiek geval van slachtofferitis, een ziekte die in Europa nog vrij zeldzaam is, maar in de Verenigde Staten al vele duizenden slachtoffers heeft gemaakt. Ze ontwikkelt zich ongeveer zo: ik ben ongelukkig en dat kan onmogelijk mijn eigen schuld zijn. Freud zij dank weten we dat ik tijdens mijn jeugd iets heel ergs moet hebben meegemaakt, seksueel misbruik bijvoorbeeld, en als ik lang genoeg geleden geboren ben, heb ik misschien wel in de kampen gezeten. En het feit dat ik me daar totaal niks van herinner, bewijst juist hoe traumatisch die ervaring is geweest.

Een dergelijke ziekelijke identificatie met slachtoffers in het algemeen en met die van de holocaust in het bijzonder vloeit vaak voort uit psychologische problemen, en de eerste verdediging van Kosinski en Wilkomirski was uiteraard dat deze arme mannen zoveel verschrikkelijks hadden meegemaakt dat ze zich sommige details inderdaad misschien niet helemaal correct herinnerden. Maar allebei deze auteurs werden veel te lang in bescherming genomen: Israel Gutman, die zelf in Auschwitz heeft gezeten, beweerde zelfs dat het niet belangrijk was of Wilkomirski alles zelf had meegemaakt omdat hij het verhaal zo diep heeft meebeleefd: "De pijn is authentiek."

Dat is sentimentele onzin; politiek uiterst gevaarlijke sentimentele onzin bovendien. Misschien is het in sommige psychologische theorieën niet belangrijk of een patiënt echt iets traumatiserends heeft meegemaakt of niet, in de rest van de werkelijkheid maakt het een wereld van verschil. De leugens van Kosinski en van Wilkomirski zijn een godsgeschenk voor mensen die de hele holocaust in twijfel willen trekken. Dat het in beide gevallen gaat om romans (Wilkomirski zei dat men zijn boek altijd als fictie mocht lezen) bewijst dat ook schrijvers van literaire fictie een belangrijke verantwoordelijkheid hebben. Dat is iets wat W.G. Sebald duidelijk niet begrepen heeft.

Al eerder had ik mijn bedenkingen bij deze in Engeland wonende Duitse auteur. Hij publiceerde verschillende boeken met overpeinzingen en reiservaringen die altijd mooi geschreven zijn, maar niet altijd diep gedacht. In De ringen van Saturnus (1996, Die Ringe des Saturn, 1995) loopt hij in 1964 door Brussel en ziet daar buitenmatig veel lelijke en gehandicapte Belgen, een fenomeen dat hij beschouwt als een onmiddellijk gevolg van de Belgische uitbuiting van de Kongo. Wie zulke nonsens op papier krijgt, hoeft niet op mijn onvoorwaardelijke begrip te rekenen. En nu heeft Sebald een roman over de holocaust geschreven die begint in Antwerpen en in Mechelen eindigt: Austerlitz.

Daarin vertelt iemand die erg op de wandelende ik-persoon van Sebalds andere boeken lijkt het verhaal van een man, Jacques Austerlitz, die hij voor het eerst ontmoet in de wachtzaal van het Centraal Station in Antwerpen. Daar, en later tijdens opeenvolgende ontmoetingen in België, Londen en Parijs, vertelt Austerlitz het verhaal van zijn leven, merkwaardig genoeg in een min of meer chronologische volgorde, te beginnen bij zijn jeugd in Wales als het kind van heel afstandelijke (pleeg)ouders, een dominee en zijn ziekelijke vrouw. Austerlitz ontdekt na heel wat omzwervingen dat hij als klein jongetje door zijn joodse moeder uit Praag naar Londen is gestuurd. Zijn vader was toen al een tijd in Parijs, waar hij vergeefs probeerde zijn familie uit de klauwen van de nazi's te krijgen. De zoon overleeft, onder meer door zijn hele joodse verleden te vergeten; de beide ouders verdwijnen in de oorlog: de moeder komt in Theresienstadt terecht, de vader verdwijnt spoorloos in het zuiden van Frankrijk.

Als jongeman raakt Jacques Austerlitz, net als de ook in het zuiden van Frankrijk gestorven Walter Benjamin, gefascineerd door de grote bouwwerken, stations, vestingen, bibliotheken, die in de negentiende eeuw overal in Europa werden opgetrokken - soms ten behoeve of ter bescherming van de bevolking, soms ook om die bevolking beter in het oog te kunnen houden. Dit brengt hem naar Antwerpen-Centraal en in zijn spoor gaat de verteller ook nog naar Breendonk. Pas vrij laat ontdekt Austerlitz na een reeks toevalligheden wie hij in werkelijkheid is en gaat hij op zoek in Praag, waar zijn kindermeisje na al die jaren nog steeds in hetzelfde appartement blijkt te wonen. Hij herinnert zich meer en meer, herkent plaatsen en personen, en vindt of voelt in Praag en Parijs sporen van zijn ouders.

De eerste helft van dit boek is prachtig. De sfeer van de lege gebouwen die te groot en te leeg zijn voor mensen komt niet alleen tot uiting in de uiterst zorgvuldig geschreven tekst, maar ook in zwart-witfoto's waarmee Sebald, net zoals in De ringen van Saturnus, zijn tekst illustreert. Foto's verwacht je in een non-fictieboek en niet in een roman; ze vergroten zeker de indruk van historische authenticiteit van het werk. Maar Sebald is vooral een stilist: zijn zinnen hebben een breedte en een ritme die doen denken aan die van de grootmeester van de herinneringsliteratuur Marcel Proust. In dit boek rijmen beelden en thema's, een vlucht vogels of een zonsondergang staat nooit op zichzelf, en de moeilijke omgang met het verleden wordt in pijnlijk precies proza beschreven. Sebald laat je ook nooit vergeten dat het grootste deel van de roman verteld wordt door Austerlitz en aangezien die voortdurend anderen citeert, neemt Sebald zijn toevlucht tot de steeds maar herhaalde mededeling, "sagte X, sagte Austerlitz". De eerste keer is dat raar, maar de voortdurende herhaling werkt wel en legt terecht de nadruk op het feit dat nagenoeg alle informatie in het boek van horen zeggen is.

Maar dat is tegelijk ook het probleem. Naarmate je verder leest, begin je aan Austerlitz' verhaal te twijfelen, en dat niet alleen door de merkwaardige overeenkomsten met het verhaal van Benjamin Wilkomirski. Zijn accent klopt niet, zijn herinneringen zijn gebaseerd op de foto's die in het boek afgedrukt worden en die dus op een of andere manier in het bezit van de verteller zijn geraakt, hij vertelt zijn verhaal tijdens vele gesprekken tussen het einde van de jaren zestig en het heden, maar alles vormt te veel een kunstig geheel om een kritisch lezer niet heel wantrouwig te maken. Zeker als minstens een deel van zijn herinneringen gebaseerd is op een film als L'Année dernière à Marienbad, die zelf het breekbare van het geheugen als thema heeft. Zelfs aan zijn naam begin je dan te twijfelen: heeft Austerlitz die gekozen wegens het slagveld, het station in Parijs of omdat deze naam zijn eerste en laatste drie letters gemeen heeft met de naam van een kamp?

Daarom is dit een heel erg mooi geschreven maar foute holocaustroman. Sebald bezondigt zich niet aan de sensationele, pornografische beschrijving van wreedheden zoals Kosinski en Wilkomirski, maar zijn boek roept te veel vragen op die niet worden beantwoord. Helemaal aan het eind zit de verteller in Breendonk bij de gracht en leest er in Heshel's Kingdom, een boek dat de Zuid-Afrikaan Dan Jacobson schreef over een reis met zijn zoon naar het kleine stadje Varniai in Litouwen, waar zijn grootvader ooit rabbijn was. Heshels rijk (het werd in 1998 vertaald) is geen roman, gaat ook over herinnering en over wat er met de joden is gebeurd. Het is minder goed geschreven dan Austerlitz, maar het is een veel beter boek.

Ook schrijvers van literaire fictie hebben een belangrijke verantwoordelijkheid in het negationismedebat. Dat is iets wat W.G. Sebald duidelijk niet begrepen heeft

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234