Dinsdag 19/01/2021

Tate Britain serveert een verse Engelse rosbief

Frisse presentatie van de beste verzameling Britse kunst ter wereld

Londen

Eigen berichtgeving

Rudy Pieters

De Tate is dood, leve de Tate. Sinds gisteren spreken we niet meer over de Tate Gallery maar over Tate Britain. De niet-Britse werken zijn eruit gebonjourd. Voortaan krijgen we alleen nog Britse kunst te zien, een indrukwekkend en vooral bijzonder fris overzicht van 1500 tot vandaag.

'The whole world + the work = the whole world.' Zo staat in neonletters op de voorgevel van Tate Britain. Het is een werk van de jonge kunstenaar Martin Creed (1968), hier vooral bekend sinds de laatste Poëziezomer van Watou, toen hij een hele kamer met ballonnen vulde. De toevoeging van dit zeer eigentijdse werk aan het pompeuze neoklassieke gebouw op de Theemsoever is een treffende aankondiging van wat binnen te zien is: een confrontatie van jong en oud. Het Tate-personeel lijkt volgens hetzelfde recept gekleed: een vlot zwart polohemdje met subtiel oranje logo, op een klassieke donkergrijze broek.

Het ruim honderd jaar oude gebouw kampt al geruime tijd met plaatsgebrek. Per jaar zwelt de collectie met 245 werken. En het aantal bezoekers stijgt zienderogen: van 1 miljoen in 1985 tot 2,6 miljoen vorig jaar. De niet-Britse werken verhuisden daarom naar een nieuw museum, Tate Modern, dat op 12 mei opengaat in een oude elektriciteitscentrale aan de Theems, enkele kilometers verderop.

Voortaan niets dan Britse kunst dus, net zoals suikermagnaat Henry Tate ooit begonnen is. Brits wil meestal zeggen: van Britse kunstenaars. Maar ook geadopteerde Britten komen in aanmerking, zoals Van Dyck en Siberechts, Antwerpenaars die lang in Engeland woonden. En hier en daar een buitenlands werk met een hoog Brits gehalte, zoals het Theems-gezicht van de Franse fauvist André Derain. Voorlopig vaart Tate Britain nog op halve kracht. De echt nieuwe start komt er in de lente van volgend jaar, wanneer de uitbreidingswerken klaar zijn. Het 2 miljard kostende project moet de Tate met een derde vergroten. In afwachting heeft het museum zijn vaste tentoonstelling helemaal herschikt, onder de titel RePresenting Britain 1500-2000.

De presentatie oogt bijzonder fris, vooral omdat ze het klassieke chronologische pad verlaat. Werken van zeer uiteenlopende leeftijden hangen samen. Een van de vier hoofdthema's heeft hen samengebracht: literature & fantasy, public & private, home & abroad en artists & models. Je vindt er zo'n typische verwrongen kop van Francis Bacon uit 1961 naast een 16de-eeuws portret van Elizabeth I, of een fotomontage van Gilbert & George uit 1977 bij het honderd jaar oudere beeld van de paardenrennen door William Powell Frith, of de bulterriër die Cedric Morris in 1948 portretteerde bij mevrouw Spencer die Van Dyck driehonderd jaar eerder schilderde. Die verrassende confrontaties, die zowel de continuïteit als de verandering door de eeuwen heen blootleggen, doen je met andere ogen kijken. Als je na een uur of drie de hele verzameling achter de kiezen hebt, kom je allerminst met een indigestie buiten.

Dat mag niet doen vergeten dat je hier geen werken vindt van voor 1500, de periode dat Engeland nog katholiek was. In een museum dat zich als het nationale kunstgeheugen opwerpt, is dat een gemis. Directeur Stephen Deucar zegt zich daarvan bewust te zijn - dat is al iets.

Ook over de uitsluiting van niet-Britse kunst kun je vallen. Het is op zijn minst een artificiële keuze, want hebben de werken vaak niet meer met buitenlandse pendanten gemeen dan met de Britse culturele identiteit die het museum wil onderzoeken? Wat niet wil zeggen dat je niets zinnigs kunt aanvangen met die identiteit. Zo heeft de Tate een zaaltje vol politieke spotprenten gehangen waarop Britten en Fransen de draak met elkaar steken. Het centrum van dit ensemble is een schilderij van William Hogarth: O the Roast Beef of Old England, waarop de magere Fransen (de Frogs) staan te watertanden bij een flinke Engelse rosbief. Ernaast hangt een recente versie van dat werk, een cartoon uit The Guardian waarop de rosbief gedragen wordt door John Major, destijds als premier door de mad cow disease achtervolgd. Ook dat kan in de nieuwe Tate.

Maar volstaat het? In de 19de eeuw was een museum met alleen maar eigen kunst normaal omdat het ook de politieke opdracht had de natie prestige te bezorgen. Tate Britain loopt daarom het risico met dat soort vermolmde instituten te worden geassocieerd, waardoor de werken van hun scherpte kunnen verliezen. Voorlopig kan de Tate dat gevaar bezweren. Dankzij de uitzonderlijke kwaliteit van wat ze in huis heeft, want nergens ter wereld vind je een betere en grotere collectie Britse kunst. En dankzij de bijzondere presentatie waarmee ze die collectie tot leven laat komen.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234