Donderdag 25/02/2021

Tantanna

Vanaf vandaag loopt in Antwerpen de tentoonstelling Madonna, als een eerbetoon aan de talrijke Maria-gevelbeelden die de stad rijk is. Schrijver-wandelaar Koen Peeters liep, niet geheel rechtlijnig, door Antwerpen, op zoek naar die beelden. Gaandeweg ontwaarde hij zowaar een systeem. 'In Antwerpen hangen die Madonna's gewoon bij wijze van burgerwacht. Overal staat de schutspatrones het onnoembare af te wenden. Algemene beschermingswerken. Madonna's als verzekeringspolis, als volautomatische gebedsmachine.'

Koen Peeters

Foto's Stephan Vanfleteren

'Speel 's wat viool, jongen, Ave Maria van Schubert, Verdi of Liszt, of een airtje van Cherubini. Als het maar om bij te wenen is." Tantanna was dood. In een huurflatje op de Linkeroever was ze onlangs zonder man, kinderloos gestorven op statistisch voorspelbare leeftijd. Bijna twintig neven en nichten waren op het appèl. Toen we haar meubels openden, viel haar leven eruit. Ze had rare collecties aangelegd: onwaarschijnlijke handdoeken, bijbehorende washandjes, stapels paraffine en strooizout, misschien wel honderd scharen, plastic draagtassen en broodzakken, veel levenswijsheid van Tagore, Kahlil Gibran en Toon Hermans.

Een andere kast werd geopend, met daarin haar geschenken voor onverwachte verjaardagen. Fietssloten, pennenzakken, dierenkijkboeken, chocolade en nicnacs. Er waren Bond-zonder-Naamkaarsen, liters viooltjesgeur, eau de cologne in gezinsverpakking. Er waren volle kleerhangers en zeer divers glaswerk. De hele inboedel was bestoven met de tristesse van de Linkeroever. Alles moest weg.

Een oom begon een weesgegroet: Maria vol van genade en een flat vol voorwerpen. Het bieden volgde. "Koop ook 's wat", zei een neef. Ik kocht een doos theelichtjes en ik zei dat ik straks nog met de trein naar huis moest. Ik hielp mijn oom met aandragen, aanprijzen en verkopen. Alles ging door onze handen. Ik kocht een zak met kanten doekjes, onderleggers en schrijfpapier, een klassieke cd met vijftien Ave Maria-uitvoeringen en een koffer waar ik alles in stak. Toen de avond viel, werd sterke drank geschonken: dat waren Tantanna's souvenirs van Engeland-reizen. Harslucht, muntsmaak. Ik schafte me ook zo'n fles aan. Toen alles verkocht of weggegeven was, schoot er niets over van haar inboedel. Niets. Er was een batig saldo van familiale weemoed. Wat schiet er over van een mens?

Op de Linkeroever hebben planologen lelijk huisgehouden. Straten zijn onbegrijpelijk breed, populieren groeien in urbanistische schema's. Het regent er vaker dan elders in de wereld. Straten zijn genoemd naar schrijvers alsof dat iets oplevert qua beschaving. Er is de witheid en de geelheid van bakstenen, er is de levensvreugde waarmee men terrassen schrobt. Antwerpen is helder en hygiënisch.

"Wel ja jongen, speel 's iets moois, iets triests", zei ik aan de violist. Hij stond aan het bronsgroene standbeeld van Boudewijn. Een koning op het dolomiet: medelevend, voorover neigend, uitputtend luisterend. Ik ging bij hem zitten, opende mijn fles. De jongen speelde iets droevigs van de Balkan. Op een muurtje stond geschreven, als enige daad van verzet: d o e i e t s n u t t i g s. Ik legde al mijn kleingeld in zijn vioolkist en daalde af tot in de voetgangerstunnel.

Er hingen veel motiverende zwartwitfoto's van Linkeroever-behuizing. Het was er verboden te roken, te roepen, te zingen of rumoer te maken, alsook te spuwen.

Met mijn koffertje liep ik in de tunnel richting Rechteroever, ik werd aangezogen door het verre galmende einde. Het was er koud. Achter me klonk het malen van de ouderwetse roltrappen. Er hingen tranen op de witbetegelde muren. Om de vijfentwintig stappen proefde ik van mijn fles. Ik vroeg me af wat dominant was: hars- of muntsmaak. Mijn fles moest snel leeg. Ik kon niet laten te denken, dertig meter diep en een halve kilometer lang, aan de angstaanjagende hoeveelheid Scheldewater boven me. Ja, boven mij die losgeslagen kubieke supermarkt van water, slik, pcb's en resten van visbestanden.

Toen ik me omdraaide, zag ik achter mij exact hetzelfde beeld als voor mij. Ik was een luchtbel in een waterpas. Bijna-doodservaring. Ik dacht vooral: hou nu je hoofd erbij, zo dadelijk ben je in staat om gewoon terug te lopen. Van dorst of claustrofobie moest ik blijven drinken. Hars of munt, ik raakte er niet uit.

Draai je niet om, bezwoer ik mezelf. Draai je niet om, want zo meteen moet je helemaal teruglopen. Op de tunnelwand verschenen grijze en bruine tekenen. Vochtsproeten van verval. Onder water klonk een onderwatersirene. Ik neuriede luider Ave Maria. De roltrappen roffelden Schubert. Een man met een Vlaamse baard stak me voorbij, zijn gezicht oceanisch bleek. Hij zei dat roepen en zingen verboden waren in de tunnel. "Franke teut", zei hij toen ik nog harder Schubert zong. Net op tijd was er een voorhistorische goederenlift en kon ik opstijgen. Opgekalefaterd als een versgeschilderd schip en met de waardigheid van een dronkaard, verliet ik de tunnel.

Ik had me de weg laten uitleggen: loop tot aan de KBC-toren, nu tijdelijk met een rode a erop, en dan via de Meir en de De Keyserlei recht naar het station. De rode a was van een city-marketingproject, er waren ook kleurvlakken op gebouwen. Voorbijgangers keken me nieuwsgierig aan. Ik gooide mijn lege fles in een vuilnisbak, of probeerde dat tenminste. De stad daverde of wankelde wat. Het plein leek op een zwembadcafetaria: iedereen dronk Ice-tea en lachte. Ook al omdat ik nergens een toren met een a zag, schoof ik rechts tussen de platanen en de auto's door. Ik zag een pakketboot liggen met de naam Zuiderterras. Ik dacht dat ik droomde. Tegen een huis zag ik die winnende oorlogsfoto van een schreiende Palestijnse moeder met haar doodgeschoten zoon, in piëtahouding. Kijk wat die zoon had uitgestoken. Was het reclame, een magazinecover? Nee, die zoon in vleeskleur bleek een naakte Jezus. De Palestijnse moeder was Maria met lichtblauwe pettycoat en gestifte lippen. Het was alsof ze het dode hoofd van haar zoon aan de haren trok. Smartelijk moedertje, Onze-Lieve-Vrouw van de Nood Gods. Het was een beeld op het hoekhuis, onder een bronzen baldakijn. Jezus' lange dode hangende arm wees een smalle straat aan, met haagjes van klimop en antiparkeerpalen.

Ik keek naar de prullen in mijn koffer. Ik had iets willen hebben dat een beeld van mijn Tantanna vasthield, maar ik had niet het gevoel dat ik dat had gekocht. Ik had gewoon rommel mee. Wat moest ik met theelichtjes?

"Ze is uitgedoofd als een kaarsje", had de verpleegster gezegd met haar goedkoopste beeldspraak. Ze bedoelde een rustige dood. Vreemde wetenschap die geriatrie. "Bitte, wo ist das historische Zentrum?", vroeg een dikke toerist mij.

Ik moest de richting van Jezus' arm wijzen en die zelf ook volgen. In een straat met de vreemde naam 'Oever' hing weer zo'n basic Maria boven de reclameletters j e s p e r s. Deze Madonna was even wit als de gevel, maar aan haar voeten hingen pioenrozen en groene takken van plastic. Het beeld was karakterloos en vormloos, goed onderhouden, puriteins. Het stond daar in weer en wind, vol goede bedoelingen. Maria patrones der Sinjoren en van kruidenier Jespers in het bijzonder. De wereld bekijken en zegenen. Al het verdriet van Antwerpen opnemen. Promotie van goed- en edelmoedigheid, offervaardigheid en plicht.

Ik zat met Tantanna in mijn hoofd. Ze zette altijd cassettes op met klassieke muziek. Pompeus en ritmisch, enkel geschikt om paardensport en gymnastiek te begeleiden. Tantanna hoorde slecht maar zong wel luid Radetski mee. Op het eind kwam ze haar flat niet meer uit. Ze kleedde zich mooi op, lachte en iedereen wist dat er iets ergs bezig was. Haar laatste maand was gevuld met het jargon van medische complicaties. Ze zag er vredig uit, alsof ze elk moment kon doodgaan, of juist nog jaren zou verder leven.

Enkele huizen verder stond er weer een fetisj-jodinnetje met kind. Dit was de derde Madonna, er zat een systeem in. Het beeld was rozig en schilferig. Het Jezuskind, een krullenbol met bal, stond vrolijk recht op de hand van zijn moeder.

Ik stak de straat over en liep langs het standbeeld van Jacob Jordaens. Een man met voetballerskuiten en de stadsverfraaiende snor van een dandy. Nee, Madonna's waren dan toch van een andere orde. Die waren niet didactisch. Mariabeelden zijn dode kraaien, levensnoodzakelijk genageld op een staldeur, als amulet tegen calamiteiten.

Maria keek mij strak aan, duwde me de eerste straat rechts in. Een kasseistraatje met overal antiek, brocante, betaalbare boeddha's, en een rozig Kama Sutra-bed in een vitrine. Er was art deco en art nouveau. Boven een van die winkels zag ik een vrouw met een maxi-jas. Een jonge Marokkaanse, ze droeg een kind in haar armen, ouderwets en primitief, niet in een buggy. Het was Oonzelievevraa van Baaistand en Victoore. Nummer vier.

Leek ze niet op Geena Lisa met een baby?

Had dat kind niet het hoofd van de volwassen Guido Gezelle?

En waarom wordt de godheid altijd getoond als onnozel kind? Waarom had dat kind smakelijke beentjes en een geamputeerde arm? Waarom die goudgeribbelde stralenkrans als een Navo-kruis, met daarop een slappe duif. Maria keek licht wantrouwig naar links, en omdat ik nergens de toren met de a zag, volgde ik haar wenk. Ik liet me door die beelden de weg wijzen. Ik volgde ze, ik praatte hen na, bijna gelijktijdig en bijna euforisch stelde ik vast dat ik de juiste wandelsnelheid had.

Er zat inderdaad een systeem in. In Antwerpen hangen die Madonna's gewoon bij wijze van burgerwacht. Overal staat de schutspatrones het onnoembare af te wenden. Algemene beschermingswerken. Madonna's als verzekeringspolis, als volautomatische gebedsmachine. Maria voorspreekster, verpleegster die de patiënt wast voor de dokter komt.

Op de hoek van een gele gevel genaamd Bistro en Maes Pils hing weer een christelijke zeemeermin. Uitgesneden in de hoek van het huis, met een kleed als uienschillen. Haar modern-Afghaanse boerka liet enkel gezicht en devote handjes vrij. Hoeveel onderrokken zou zij dragen? Pal achter haar scheen een rozig licht. Eindelijk, het was de a boven op de toren.

Ik ging even zitten op een bank, het bliksemde. Nee, toch niet. Midden op de Vrijdagmarkt stond een fotograaf met veel apparatuur een avondlijke foto te maken van Maria op een pompzuil.

"Massa's Maria's hier", riep ik hem toe. Het klonk alsof ik iets zei over het weer.

"Dat is geen Maria. Dat zie je toch. Dit is Sint-Catharina."

"Is dat de patrones van de fotografen?"

"Nee, en ook niet van de zatte mensen."

Terwijl hij bezig was met zijn belichting, antwoordde hij: "Veronica is onze patroonheilige omdat zij het gezicht van Christus afdroogde. In dat gebaar maakte ze een portret met bloed, zweet en tranen. Interessante gedachte, niet? Of is dat iets te moeilijk?"

"Interessant", zei ik iets te lallend.

"Laat je me dan nu verder werken, chouke."

In de cafés vulden mannen kruiswoordraadsels in, voor de intellectuele aanschijn van het plein. Vrachtwagens waren in de weer met inboedels. Op de winkels stond: In- en verkoop, Wij kopen alles, Old wood. De tweedehandsheid van de wereld: wat te doen met inboedels van oude mensen? Ik rommelde opnieuw in de koffer van Tantanna. Het schrijfpapier en nog wat prullaria gooide ik in een vuilnisbak. Ik zat te staren naar een van die geborduurde onderleggertjes maar kon mij daar niets bij voorstellen. Ik stak het op zak. Tantanna belde mij soms op, zielsgelukkig, om cassettes van misvieringen te laten horen. Schoon toch, zei ze met vragende stem, en ze noemde al haar vrienden en vriendinnen op. In de hoorn walmde kerkmuziek, voorgrond en achtergrond door elkaar. Ze somde familieleden op die al dood waren. In het telefoongesprek ontstonden brede vertakkingen van generaties, en zij vloog daardoor als een klein vogeltje. Kyrie-eleïson. Ze zei nogmaals dat ze gelukkig was en wenste me een goede avond. Ik miste haar slaapwandelend telefoonorgel. Ik keek naar mijn handen: ze beefden van de kou of van de alcohol in mijn lijf. De a stond boven mijn handen als een baken in de opkomende mist.

Kijk 's aan, nog een verschijning van Maria te Antwerpen. Nummer zes. Doorgaans verschijnt zij in een grot te Lourdes op de bergen vol glans en vol luister, de moeder van God. Dat meisje daar op het hoekhuis, net boven de verkeersborden, droeg zij niet de jurk van de Onbevlekte Ontvangenis? Ze stond in een aërodynamische arduinen nis. Dit was een Maria met verticale, katholieke plooien. Zelfs geen knietje. Zo'n geslachtloze vrouw met veel ethisch reveil zonder reliëf. Ze had van die afhangende schoudertjes onder een veel te grote hoofddoek. Ze reikte me de hand op de Vrijdagmarkt en gaf me door in haar andere handje in de Leeuwenstraat. Die beelden bleven mij gewoon de weg wijzen, en boven een groene winkelgevel stond Maria Zeven al op mij te wachten. Ze was overvloedig geschminkt met goudverf. Het beeld was er beter aan toe dan de gevel.

"Ik heb hier gepist", had Zorro op de deur geschreven.

Naarmate ik nuchter werd, begreep ik steeds minder. Ik stond ongelovig te staren naar die Maria onder haar theemuts of hoe heette die dampkap met gouden kwasten, paraplu, pardon baldakijn, ter stichting of verlichting van het pad. Hemelvaart niet te verwarren met Luchtvaart. En stond die Maria nu op een banaan?

Een man hield stil naast mij. Het was een zware besnorde Italiaan, die goederen leverde in het restaurant.

"Dat is de Madonna", zei hij.

"Waarom lijkt dat kleed op een deegsliert?", vroeg ik.

Hij begreep de vraag niet.

"Waarom is ze voorzien van elektriciteit?"

"Om onze weg te verlichten", zei hij.

"Waarom staat ze op gouden horens? Het lijkt wel een banaan?"

"Dat zijn de uiteinden van de maan, la luna. Het serpent dat de Madonna vertrapt, is het kwaad."

"Haar licht brandt niet eens. En die bal waarop ze staat, is dat een circusnummer?"

"Nee, dat is de wereldbol. Jij ziet het allemaal veel te letterlijk."

"Ik twijfel..."

"Jij zwijmelt", zei hij snel.

"Ik twijfel zelfs aan uitdrukkingen als Onze-Lieve-Vrouw. Wat bedoelen ze met onze? Hoor ik daarbij?"

"Dan moet jij direct naar de Maria van de Eenzaamheid. Ik weet hier alle Maria's hangen, er zijn er meer dan honderd binnen de Leien. Ik lever overal mijn specialiteiten", zei hij en de Italiaan begon met een bak vettige olijven in zijn handen, alle Maria's van de omgeving alfabetisch op te sommen. Het was zijn verkoopronde of het was zijn gebed:

O Maagdelijke Moeder Maria, Maria van Antwerpen, van Barmhartigheid, van Bijstand en Victorie. Maria van Dam en van Deemoed O Mater Dolorosa Maria van Eenzaamheid en Genade en van het Heilig Hart Maria van andere plezante epitheta als van Lichtmis, van Lof en van Lourdes maar ook van Oostakker en Edegem Middelares Maria van Smarten en van de Nood Gods Onbevlekt Ontvangen van Peis en Vrede, Piëta van de Paardenmarkt van de Rozenkrans van de Schapulier der Stilte Maria van Toevlucht van Vlaanderen, Maria van de Vijfhoek aan de Werken van Zeven Weeën, Maria der Zwetende Ziekte. O Zwarte Madonna van de Zwanengang.

Madonna. Antwerpse Maria-gevelbeelden, hedendaags bekeken. Een openluchttentoonstelling in de Antwerpse binnenstad, een confrontatie van hedendaagse kunst met historisch erfgoed. 8 juni - 8 september 2002.

Informatie, rondleidingen en gratis tentoonstellingsparcours: Toerisme, Grote Markt Antwerpen: 03/232.01.03.

Volgende week komen we in de krant nog terug op het Madonna-project.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234