Donderdag 15/04/2021

't Schoon Vlees

Een kort verhaal van Luuk Gruwez ter gelegenheid van 11 juli

Ik ben van elders. Van Kortrijk, waar d'r nog altijd een paar dikke meneren zijn die gaarne een mondje Frans klappen. Van 't water van de Leie dat zelfs nu nog stinkt. Naar 't rotend vlas van indertijd, wanneer d'r nog vlas was. En naar de scheten van iemand die iedere dag savooien of spruiten eet. Van de Broeltorens ben ik, waar het ook serieus naar scheten stinkt. Want die staan aan de Leie, met hun tenen in 't sop. Ze staan daar als twee broers of twee zusters zomaar naast malkaar, ouderwets, arm in arm, al 'k weet niet hoelang.

'k Ben - à propos - ook van de Groeningekouter. Daar heeft het in 1302 serieus gestonken. Daar hebben we gevochten. Met de Fransmans. 't Is die stank die nog ieder jaar met veel tralala herdacht wordt. Ondanks de dikke meneren. Dan komt de burgemeester. Goed. Die begint te parlesanten. Dat is zijn vak. Die zegt dat het dan is dat ze echt begonnen zijn, de Vlaanders. En dat we niets zijn en nooit een toekomst zullen hebben zonder ons verleden.

't Is niet erg al de datums van de wereld te vergeten. Maar 11 juli 1302: ça jamais! Al zijt ge een dikke meneer en spreekt ge liever Frans of van dat schoon Vlaams met een vette Franse r. Lijk mijn zusterke, dat heel haar leven zo'n eersteklas franskiljon is geweest.

'k Was als kind al een rare, zeiden ze. Maar mijn pa was dat ook. Die had een wit konijn dat Wladimir heette en een teckeltje dat Anatoli Rostropovitsj of zoiets heette, maar waartegen hij meestal Meneerke zei. En - niet te vergeten - een geit, Anna Karenina, die tabak at en waarmee hij 's zondags aan een lang purperen lint wandelingen maakte langs de Leie. Mijn papa was verzot op kozakkenmuziek en op alles wat min of meer Russisch klonk of van Siberië kwam of van de toendra. In elk geval op alles wat van ver kwam. Nooit verder dan Bouillon geweest, maar 't was Minsk en Sint-Petersburg en Vilnius waar hij van droomde. Ge kunt dus niet zeggen dat hij geen rare was. Toch bazelde zélfs hij in zijn simpel Kortrijks tegen mij: "Hela, gij daar, Krommalagátski, ge zijt precies nen vreemden étranger van elders." 'k Mocht dan al op de Reepkaai geboren en getogen zijn, in 't navelputteke van Kortrijk. Vlak bij de Leie en ook vlak bij 't Hospitaal, waar later mijn Memeetje dood is gegaan, héél héél stillekens.

't Was in kamer 115. 'k Ga de laatste asem van mijn memeetje nooit vergeten. En die ene druppel bloed die nog in slowmotion uit haar neus kwam gedrupt, lijk om te zeggen "'t Is nu echt afgelopen! Geen flauwekul meer. 'k Zet er een punt achter en dat is goed." Mijn Memeetje was, geloof ik, de enige die mij nooit een rare gevonden heeft. Voor al d'anderen was en bleef ik Krommalagátski: die van elders. Voor mijn Memeetje was ik Mireille, de naam mij in 't Heilig Doopsel van Onze Moeder de Heilige Kerk gegeven. Mireille. Een gedroomde naam voor een wasserette. Of voor een coiffeuske. Voor de properheid, enfin.

D'r is geen stad waar de madammen zo erg naar veel te sterk reukwater rieken en de dikke meneren naar veel te sterke aftershave. Weet ge hoe dat komt? Ze hebben daar veel weg te steken. Heel die streek is daar altijd nogal capabel in geweest, in iets wegmoffelen. Zelf heb ik dat, met uitzondering van die ene fameuze keer, nooit gekund: 't gaat er bij mij al uit voor het er goed en wel in zit. Dat ik niet van hier ben, bijvoorbeeld, niet van Hasselt, dat hoort ge toch? 't Is volgens mij door mijn hee en mijn gaa dat er gebeurd is wat er is gebeurd. 't Komt daardoor dat ik nu in 't gevang zit.

't Is daardoor ook dat ik waarschijnlijk heel mijn leven van elders zal blijven. Om twee letters die 'k soms verkeerd uitspreek. D'r is sedert 1302 nog niet veel veranderd hier. De Fransmans die niet op een convenabele manier 'Schild ende Vriend' konden zeggen, die maakten ook direct kennis met de goedendag. Vooral als ik moe ben, vooral dan spreek ik de dingen verkeerd uit. 'k Ben dikwijls moe de laatste tijd. Maar al hetgeen ik u nu ga zeggen ga ik u luid en duidelijk zeggen. Met al mijn spraakgebreken, dat wel.

11 juli van 't jaar 1959. Heel de ochtend is er gezang komen binnenwaaien. Het Vlaamse heir staat immer pal, daar 't winnen of daar 't sterven zal. Maar 't is intussen weer doodstil. 't Raam van 't derde staat nog open. 't Duurt niet lang of ik sta drie verdiepingen lager, gelijkvloers. Dat lijf van haar, als van een mannequin, ik zal dat nooit vergeten. 't Ligt daar in een plas bloed, 't ene oog wijdopen, 't andere bijkans toe. Probeert ze misschien nog naar mij te knipogen, 't serpent? 't Is waar: ze heeft altijd overal boven gestaan, ze heeft altijd een paar verdiepingen hoger dan ik geleefd, dichter bij de hemel zogezegd. En 't zou me niet verwonderen dat ze zelfs nu nog met veel pretentie probeert te knipogen om te bewijzen dat er niets is dat haar kan deren. 't Raam staat nog open, daarboven. 'k Ben buiten asem. 'k Ben als een zottin naar beneden gelopen. Ze had maar met haar poten van mijn collectie moeten afblijven. Ze had me maar niet voor heel de school voor schut moeten zetten. En voor heel onze straat en voor heel Kortrijk. Voor Etienne, van wie ik toch nog had gehoopt dat hij ooit een boontje voor mij zou hebben. Voor mijn pa, van wie ik de chouchou was, meer dan zij. Allee, dat peinsde ik toch. 'k Zou haar vroeg of laat wel weten te vinden. 'k Had een goeie memorie. En patiëntie.

Daarom: dat doet mij niets, dat zij hier zo ligt, nu. Niet meer dan wanneer ik een van mijn vastgepinde vlinders zie. Contrarie: dode koolwitjes of citroentjes of dagpauwogen zijn mij veel liever. Ook al heb ik er van die soorten al een heel deel en al is het waar dat ik maar één zuster heb, die ze overal gaarne zien, waarschijnlijk liever dan mij. Een zuster die niet veel, maar toch iets schoner is dan ik, een zuster die niemand ooit Krommalagátski heeft genoemd, maar simpelweg Eva. Kunt ge u dat voorstellen? In een tijd waarin die naam niet echt in de mode is? Eva. 't Eerste lief van de wereld. Maar ook 't lief dat hier ligt in haar schoonste gebloemd kleedje van soie naturelle. 't Lief dat nog een paar momentjes ligt te stuiptrekken en te knipogen. En dan: 't lief dat dood is.

'k Heb vroeger altijd in 't onderwijs gestaan. Dan kunt ge 't zwanzen niet laten, want 't is uw vak. 'k Gaf godsdienst: 'k was uiteindelijk toch niet van plan te trouwen en dan kwam dat in die tijd goed uit. Nooit in God of zijn gebod geloofd. Allee, toch niet in zijn gebod. God is in mijn verbeelding maar een heel klein ventje. En die schepping van hem? Een accidentje. Maar 't was toch met God dat ik mijn boterham verdiende en ook de chocopasta van Kwatta, de Vache qui rit en de Jambon d'Ardenne op mijn boterham. 't Zelfde voor mijn schone kleedjes en mijn lingerie. Vanonder was ik misschien wel van de duvel, maar mijn kop deed lijk dat hij van God was, van dat lilliputterke dat eigenlijk mijn patron was. Wel vijfendertig jaar lang ben ik His Master's Voice geweest. En dan, vlak voor mijn pensioen, was 't op een en dezelfde dag gedaan. Vanwege de feiten. Hoewel d'r volgens mij niet veel meer aan de hand was dan een hee en een gaa. En is dat misschien zoveel verkeerder dan een Franse r?

D'r zijn veel dingen die ze van mij nooit geweten hebben. Akkoord, ook dingen die ze wel weten. Maar de dingen die ze niet weten, zijn veel erger. 'k Ben er fier op dat ze die nooit te weten zijn gekomen. En nu mogen ze 't weten. 't Enigste wat ik misschien nog zou willen, is heel die klotewereld kloten - als ik dat zo mag zeggen - voor 't feit dat ze mij ook gekloot heeft.

Le-pi-dop-te-ro-lo-gie. 'k Was nog geen dertien en 't was al mijn hobby: le-pi-dop-te-ro-lo-gie. De studie van de vlinders. 'k Was verzot op alles wat kon vliegen, of 't nu een spoetnik was of een zwaluw of een helikopter. En ook op vlinders dus. 'k Weet goed genoeg waarom. 't Was een teken dat ik weg wilde. Dan al. Weg van de Leie, van de Broeltorens, van Kortrijk. Weg van 1302. Zo rap mogelijk. En vooral weg van mijn zusterke. Wij waren eigenlijk alle twee niet mis om te zien. Vooral zij was een 'snelle', lijk ze iemand in het West-Vlaams soms noemen. En daarbovenop kon zij ook nog heel schoon spreken omdat zij niet alleen voordrachtkunst in 't Frans volgde, maar ook in 't Schoon Vlaams, zij het met een Franse r. Ze kon iedereen betoveren. Ze fladderde rond in de koppen van de mensen die dat zelf niet konden. In chique kleedjes van natuurzijde die ze natuurlijk 'soie naturelle' noemde. Als ze zo'n kleedje aan had, dan was 't precies lijk dat er daarin altijd wel iets aan 't ruisen was. 't Zijderupske van Kortrijk: dat was mijn zusterke. Nee, 't vlinderke van Kortrijk. Want een rupske was ze nooit geweest. Wel een ongelofelijk serpent. Een 'sulkertrutte', lijk ze daar in Kortrijk zeggen.

Op een nacht ligt zij het achter in onze hof te doen met Etienne. 'k Kan het horen tot onder mijn hoofdkussen. Ik, die het nog nooit gedaan heb en die het ook nooit zal doen. Gekreun. Gehijg. Gezucht. Bedrieglijk gesnotter en serieus gebleit lijk van een schaap vlak voor de slacht. Maar 't is van heel iets anders dat haar laweit komt. D'r is in Kortrijk iets dat ge namelijk nog veel minder moogt tonen of horen dan verdriet: plezier. 't Plezier, tenminste, dat van het lijf afkomstig is en dat even ongemanierd is als 't laten van scheten. Van 't plezier en van de goesting: daarvan komt het laweit van mijn zusterke. En bij al haar gezucht moet ge ook nog 't ruisen van de wind in de struiken tellen, lijk dat heel de natuur serieus supportert. 't Is een goeie zomer. Zo een van één keer in de tien jaar. 't Is in de tijd dat ik nog in staat ben tot een beetje compassie, omdat ik nog niet lang genoeg geleefd heb om d'r geen meer over te hebben. Eigenlijk zit ik in haar plaats met een ei: dat onze pa óf onze ma - 'k weet niet wat erger is - ineens wakker zal schieten.

Het leven, zeker het mijne, het is rap geresumeerd: eerst willen ze u nog niet en aan 't einde willen ze u niet meer. In 't begin stelt ge vragen en ja, ge krijgt al een keer een antwoord, zolang ge nog redelijk jong zijt. Maar d'r komt een dag en 't is ineens gedaan. Als ge zelfs dan nog vragen blijft stellen en d'r is niemand meer die u antwoordt, dan is 't echt tijd om te gaan. 'k Moet u wel zeggen: al van in 't begin papt Etienne blijkbaar liever met onze Eva aan. Etienne is zot van wat hij zelf "'t Schoon Vlees" noemt. Ge kunt zijn hoofdletters horen. Mijn zusterke is qua vlees toch echt wel allereerste keus, de filet pur van de liefde. Als 't waar is dat Meneerke God verantwoordelijk is voor de kwaliteit van 't vlees dan is Meneerke God noch min noch meer de allerbeste beenhouwer van heel de Vlaanders en van ver daarbuiten. Wel honderden keren zeg ik die dagen bij mezelf "Sulkertrutte, sulkertrutte, sulkertrutte".

Mijn pa bezat destijds adelbrieven die hij 'k weet niet waar op de kop had weten te tikken en waarmee hij wilde bewijzen dat hij uit een oud Russisch geslacht stamde. 'k Heb altijd vermoed dat er aan die brieven en reukske zat. 'k Had ze, na zijn attaque, direct gevonden. Moeilijk was dat niet, d'ailleurs: hij had mij bijtijds gezegd in welke kast ze lagen. D'r stak ook iets in drukletters bij. 'VOOR MIJN KROMMALAGÁTSKI.' 't Is waar dat hij sinds dat voorval met mijn zusterke maar één dochter meer over had en dat hij die blijkbaar goed wilde soigneren. Mijn moeder was hij al langer kwijt. Een tumor in de kop. Niet dat hem dat groot verdriet had gedaan. Ach ja, 't was nog in de tijd dat de mensen tot hun laatste asem bij mekaar probeerden te blijven. 't Was nog in de tijd dat de laatste asem verreweg de schoonste was. Maar goed. Adelbrieven, nondeju. Wie had dat kunnen peinzen?

't Is maar een jaar of drie geleden dat ik op 't idee kom daar iets mee te doen. In 't onderwijs valt er niet veel te rapen. Komt daar nog bij dat ik, van 't moment dat ik ouder begin te worden, ook van die zotte kuren begin te krijgen. Beauty farms en thalassotherapieën, bindweefselmassages, cosmetica van Yves Rocher of Estée Lauder en tailleurkes van Paco Rabanne of Thierry Mugler: dat kost allemaal geld! Op een schone dag haal ik die adelbrieven uit mijn la, 'k stop ze in mijn sacoche en - hups - naar de Walen, naar de kanten van Spa. Ze klappen daar Frans. En een Waal bij zijn lurven pakken, nee, dat is bij lange niet zo erg als wanneer ge dat met een Vlaming doet. 'Wat Walsch is, valsch is.'

D'r waren er al direct die vonden dat ik ze iets op de mouw probeerde te spelden. Maar evengoed waren d'r, al van in 't begin hé, een paar die zich serieus lieten vangen. Propere dromers. Echte romantiekers. Mensen die al verschrikkelijk veel desillusies hadden opgelopen. Menskes die geloofden dat de wereld toch zo slecht niet kon zijn en die daardoor vergaten dat de enigen die niet zo slecht waren in feite zijzelf waren. Misschien dat ik, door mijn succes bij de braafste, de zuiverste, de goedgelovigste van al die sukkels, toch te veel risico's begon te pakken. Zo kwam ik op zeker moment bij een Waal die een Vlaming bleek te zijn, maar die met een Waalse was getrouwd. Een Vlaming uit Stevoort bij Hasselt die in de Walen was komen boeren en die mij na minder dan een minuut al zei: "Gij? Ge zijt niet van mijn kanten, dat hoor ik aan uw g en uw h. Gij? Ge zijt er naar alle waarschijnlijkheid een van de Vlaanders." Mijn hee en mijn gaa, verdomme: 't was 't begin van mijn ondergang. Oplichting: dat was 't woord!

Intussen zit ik hier twee jaar te brommen en met mijn vingers te draaien. 'Hier', dat is Hasselt. Hier dat is natuurlijk het gevang, of ge nu in een echt gevang zit of niet. Want 'vrijheid': dat betekent 'daar', dat is 'elders'. Heel de wereld is eigenlijk een gevang. 't Mijne is alleen veel kleiner dan dat van de meeste mensen. 'k Heb een meter of drie op een meter of drie. Daarop loop ik de marathon. Wat zeg ik? Tien marathons, honderd marathons. En daarna ga ik in een hoekske op de grond zitten met mijn armen rond mijn knieën en ik zing liedjes lijk 'O mein Papa/ War eine wunderbare Clown. (...) O mein Papa/ War eine schöne Mann!' En 't is dan dat ik besef: d'r is geen erger gevang dan een mens zijn kop.

'k Heb iedereen goed bij zijn pietje gehad en 'k heb daar nog altijd ferm deugd van. Indertijd sprak heel de stad er van. 't Was in 't lang en in 't breed te lezen in Het Laatste Nieuws. Dodelijke val op Kortrijkse plaveien. D'r stond ook een schoon portret bij, waarop ze al haar tanden bloot lacht. Reclame voor tandpasta. Properheid troef. Had ze d'r misschien geld voor gekregen om zo proper mogelijk dood te gaan? 't Leek er in elk geval op dat ze al compleet was opgepoetst en in goeden doen was aangekomen bij Meneerke God, die altijd al verzot is geweest op accidentjes. Vooral als daarbij van die schone jonge meiskes betrokken zijn die zo rap mogelijk naar boven willen. Lijk naar een balzaal waar alle venten ongeduldig op hen zitten te wachten. Met de benen wagenwijd open en met het Vlaamse heir dat immer pal staat.

't Is dus 11 juli 1959. Toevallig of niet de dag dat we de Slag der Gulden Sporen herdenken. En 't is op een uur dat Meneerke God, zich nog van geen kwaad bewust, zijn middagdutje aan het doen is, min of meer met een stuk in zijn voeten omdat hij zich - 't is tenslotte een feestdag - een Martinieke meer gepermitteerd heeft. Heel Kortrijk doezelt.

Mijn zusterke zit in het raam, met haar voeten op de vensterbank. Waarschijnlijk hoopt zij dat er iemand zal passeren die zij kent, iemand naar wie zij in al haar aanbiddelijkheid eens schoon kan wuiven, uit den Hoge en met veel Hosannah. Misschien wel naar Etienne, liefhebber van 't Schoon Vlees.

Maar jammer genoeg voor mijn zusterke en gelukkig voor mij: d'r komt niemand voorbij. En ze weet niet, mijn zusterke, dat ik gezien heb hoe zij zojuist een heel stuk van mijn vlindercollectie uit pure baldadigheid heeft vermassacreerd en mijn koninginnenpage heeft verprutst. Ik vlieg haar niet direct naar de strot, o nee. Ik word er integendeel Siberisch koud onder.

Ze zit in 't raam en het is 11 juli 1302. Voor schild ende vriend. Nooit zal zij het weten. 't Is oorlog. Niet tussen de Fransmans en de Vlamingen, maar tussen haar en mij, tussen Eva en Mireille, tussen 't Vlinderke van Kortrijk en mij, Krommalagátski, die van elders is en die altijd van elders zal blijven. Nu krijg ik mij daar ineens toch 't schuim op mijn lippen en 't zweet in mijn handen zeker! In de verte kijken de Broeltorens gegeneerd toe.

En dan: een zwart gat. Misschien niet langer dan tien seconden. Ik moet haar hebben zien vallen. Of nee. Mijn zusterke valt natuurlijk niet, hoe kan ik zo stom zijn, ze dwarrelt. Een blaadje of een dooie vlinder. Mijn zusterke dwarrelt in haar kleedje van soie naturelle naar beneden, maar met een ketters laweit. Of ze nu vrijt dat de stukken ervan afvliegen of doodgaat dat de stukken er subiet misschien ook wel van af zullen vliegen: 't is 't zelfde laweit. En Meneerke God is direct klaarwakker. De Martini zit nog in zijn kop, maar sensatie zegt hem wel iets. Hij staat al in zijn handen te wrijven.

Dat de mensen er ook voor 1302 altijd een sport van hebben gemaakt hun naasten te doen verdwijnen? Och ja: als we niet oppassen, zitten we hier in de kortste keren op malkaar geperst lijk sardienen in een blik. 'k Wil vooral zeggen: een mens moet ervoor zorgen dat hij op de juiste manier en op 't juiste moment verdwijnt. Omdat hij dat zelf zo wil. Als ik u dat allemaal verklap, dan is het omdat ik stilaan voorgoed naar boven wil, desnoods met een dynamietstaaf in mijn achterste. 'k Wíl en ik zál vliegen. Maar niet naar Meneerke God, nee. Daar zit namelijk naar alle waarschijnlijkheid die sulkertrutte van mijn zusterke te flikflooien en chique gedichtjes voor te dragen met een Franse r, en daar zit ook Etienne, die kort na mijn zusterke in een motoraccident aan zijn eind is gekomen. Daar lag hij dan, de liefhebber van 't Schoon Vlees, abominabel toegetakeld, bij lange na geen eerste keus meer.

Nee, als ik zeg dat ik naar boven wil, dan is het naar mijn Memeetje. Mijn Memeetje, ja, dat zit daar de hele dag maar aan 't raam. En af en toe kijkt ze naar beneden om te zien of ik er nog niet aankom. Heel de wereld ziet ze. Dat hebt ge zo als ge dood zijt; dan ziet ge veel beter. Heel de wereld en heel het verleden van de wereld: de Groeningekouter in 1302, de Broeltorens in 1959, de Groene Boulevard van Hasselt in 2004, het gevang van Hasselt waar ik, ook al in 2004, het laatste jaar van mijn leven ben gestart. Mijn Memeetje ziet mijn zusterke, dat mijn vlindercollectie lelijk aan 't verprutsen is. Ze ziet mijn papa, die zo zot van de Russen is. Enfin, heel 't verleden van de wereld ziet ze. Al die grote sloebers, al die grote boelmakers. Nero en Napoleon, Stalin en Idi Amin. En alle grote vrijers lijk Abélard en Romeo en op zijn beste momenten ook Etienne. Bijvoorbeeld die ene fameuze zomernacht in onze hof. En dan valt haar oog op mij. Op Krommalagátski. Nee, op Mireille natuurlijk. Op mij. 'k Ben op weg naar haar en mijn hart slaat een paar tellen over. 'k Hoop dat er daar in de hal een butler gereedstaat, zo een die kan buigen als een knipmes en die bij mijn aankomst tegen mij zegt: "Madame Mireille, soyez la bienvenue, en komt gij nu maar rap naar binnen. Uw Memeetje zit boven. Ze zal toch zó content zijn dat ge daar eindelijk, eindelijk zijt."

'k Was verzot op alles wat kon vliegen, of 't nu een spoetnik was of een zwaluw of een helikopter. En ook op vlinders dus. 'k Weet goed genoeg waarom. 't Was een teken dat ik weg wilde. Dan al. Weg van de Leie, van de Broeltorens, van Kortrijk. Weg van 1302

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234