Dinsdag 28/01/2020

Strijdtoneel Badachsjan

Zwaarbewapende krijgsheren in Noord-Afghanistan hebben met Amerikaanse en Russische steun de klopjacht op Osama bin Laden en de Taliban geopend. Maar wie zijn deze bondgenoten in de oorlog tegen het terrorisme? En wat willen ze? Frank Westerman maakte kennis met ze.

Frank Westerman

Shakar Achmedov droeg een dollarteken aan een ketting om zijn nek. In zijn borstzak stak een pen in de kleuren van de Stars and Stripes. Een vrolijke Tadzjiekse ontwikkelingswerker van het no-nonsense type, die toegaf dat hij liever over de Champs-Elysées liep dan door de stofvalleien op de grens met Afghanistan. Ik ontmoette Shakar in juni 1999 in Doesjanbe, de hoofdstad van Tadzjikistan. Shakar was een medewerker van het Aga Khan Fonds. Op straat in Doesjanbe reden jeeps met het Aga Khan-logo: een familiewapen met een gestileerd, gouden kroontje. Nu de Tadzjiekse burgeroorlog (1992-1997) voorbij was, wemelde het in Tadzjikistan van de hulporganisaties. Je had Caritas (katholiek), Mission East (protestants), The Red Cresent (mohammedaans) en neutralere clubs als Artsen zonder Grenzen. Allemaal hadden ze dezelfde imposante 4WD-terreinwagens, maar geen van allen had zo'n subtiel, haast koninklijk beeldmerk als het Aga Khan Fonds.

In deze vroegere 'sovjet-onderbuik', vlak over de Tadzjieks-Afghaanse grens, hielden zwaarbewapende krijgsheren de Taliban op een afstand, zo goed en zo kwaad als dat ging. Meestal moesten zij 's winters, zodra het hooggebergte ingesneeuwd raakte, een reepje 'bevrijd' Afghanistan prijsgeven; zwaarbevochten kilometers die zij dan weer in het voorjaar met veel moeite heroverden. Op dit semi-permanente strijdtoneel, te midden van de opiumsmokkelaars, oud-communisten en mujaheddin, leeft tenminste één westersgezinde moslimgemeenschap: de Pamir-Ismailieten. Hun sluimerende geopolitieke ambities en hun afkeer van het fundamentalisme hebben de afgelopen week ineens aan belang gewonnen, nu de guerrillalegertjes in Noord-Afghanistan met Amerikaanse en Russische steun de klopjacht op Osama bin Laden en de Taliban hebben geopend.

Maar wie zijn de Pamir-Ismailieten en waar ligt hun loyaliteit precies? In de zomer van 1999 liet Shakar mij kennismaken met deze volgelingen van prins Karim Aga Khan uit Frankrijk, hun 'goddelijke weldoener', die hen met ontwikkelingshulp in leven houdt.

De Aga Khan, legde Shakar uit, was een filantroop. "Vergelijk hem maar met George Soros.'' Hij was alleen geen Hongaar, maar Brit met Arabische en Indische voorvaderen. "En hij woont afwisselend in Parijs en Genève", zei Shakar, die me meenam naar het Aga Khan-kantoortje. Het viel direct op hoe eigentijds dat was ingericht, met de nieuwste scanners en de mooiste printers, en hoe kosmopolitisch het personeel eruitzag. Bij de ingang hing een portret van 'Zijne Hoogheid Prins Karim Aga Khan IV'. Een lange atletische man met veel présence. Er stond onder: 'The spiritual leader and 49th Imam of the Ismaili's'.

Shakar vertelde dat er in het Pamir-gebergte, waar de pieken boven de zevenduizend meter reiken, al eeuwen een gemeenschap van enkele honderdduizenden Ismailieten leefden. Zij geloofden in de goddelijke status van de heilige Ismail (Medina, achtste eeuw), die de zoon was van de zevende imam sinds de profeet Mohammed. Aangezien Ismail jong gestorven zou zijn, kon hij zijn vader niet opvolgen als de officiële imam, maar de 'Ismailieten' geloofden niet dat Ismail dood was en bleven hem en zijn nakomelingen beschouwen als hun spirituele leidsman. Van alle moslims zijn de Ismailieten mogelijk de minst dogmatische. Ze bouwen geen gebedshuizen ('elk huis is een moskee'), vinden een maand vasten tijdens de ramadan veel te lang en zijn wars van alle scherpslijperijen over rituelen. Ze bidden niet met hun gezicht naar Mekka, maar tot een beeltenis van hun imam Ismail, de 'Levende God' die op aarde voortleeft in de 64-jarige prins Karim Aga Khan. Naar schatting zijn er twee miljoen Ismailieten verspreid over Azië, Afrika, Europa en Amerika. Jaarlijks dragen zij een percentage van hun inkomen aan de Aga Khan af, zodat hij daarmee goede werken voor de gemeenschap kan verrichten.

"De Pamir-Ismailieten zijn het allerarmst", zei Shakar, wiens werk het was de noden van dit bergvolk te lenigen. De Tadzjiekse ontwikkelingswerker ergerde zich altijd enorm aan zijn collega-hulpverleners wanneer die over de renpaarden van de Aga Khan begonnen... "Ja, prins Karim bezit zo'n tweehonderd volbloeden en die winnen af en toe een prestigieuze race. So what? Hij mag toch zeker met zijn geld doen wat hij wil?"

Prins Karim Aga Khan wist geregeld de Forbes-lijst van honderd rijkste mensen te halen, en met zijn geschatte vermogen van 1,2 miljard dollar genoot hij meer bekendheid in de vip-lounge van de paardenrennen dan in het ontwikkelingswerk. Het glamour-imago van prins Karim was deels een erfenis van zijn vader, het zwarte schaap uit de Aga Khan-dynastie. Deze Aly Khan was (met de woorden van Vanity Fair) "een rusteloos leven lang op zoek naar speed, sport en vrouwen". Hij leefde te midden van modellen en paparazzi, was kortstondig getrouwd met Hollywood-actrice Rita Hayworth en had zich in 1960 met een van zijn bolides doodgereden.

Grootvader Aga Khan III had deze playboy ongeschikt bevonden als opvolger, en had de titel 'imam' bij zijn dood in 1957 direct over laten gaan op zijn eerstgeboren kleinzoon. Aldus was Karim, een student islamitische studies aan Harvard, op 22-jarige leeftijd de spirituele leider van twee miljoen gelovigen geworden.

Toen Shakar opmerkte dat Karims broer, prins Amin Aga Khan, in Tadzjikistan was, aarzelde ik geen seconde. Waar kon ik hem ontmoeten? "Ai", zei Shakar. "Dat wordt moeilijk. Morgen om elf uur komt hij per helikopter terug uit de Pamir. Een kwartier later vliegt hij in zijn privé-jet door naar Parijs."

De volgende ochtend was ik naar de luchthaven van Doesjanbe gegaan in de hoop een glimp van hem op te vangen. Ik zag een jeep met het Aga Khan-logo bij een halfgeopende poort, praatte me langs twee soldaten heen en vond de prins op de taxibaan. Hij was een kop groter dan de hoogwaardigheidsbekleders die hem uitgeleide deden.

"Your Highness", riep ik hem toe. "Mag ik u wat vragen? Was dit uw eerste bezoek aan de Pamir?"

Er maakte zich een bodyguard uit het groepje los, die nerveuze vragen op me afvuurde ("Wie bent u? Wat doet u hier?"). Ineens begon het te waaien. Een 'Gulfstream-jet' met op de flank het gouden Aga Khan-embleem kwam loeiend voorgereden. Dit toestel, zo had ik gelezen, was onderdeel van Meridiana, de luchtvaartmaatschappij van de gebroeders Aga Khan. Van een afstandje kon ik zien hoe prins Amin afscheid nam van de officials. Knipmessend, een hand op zijn borst. "De broer van God", schoot het door me heen. Twee muzikanten in klederdracht speelden tegen het lawaai op.

"Hoe was uw reis?", probeerde ik, zo luid ik kon. Nu keek hij op, streek zijn opwaaiende haren plat.

"Overweldigend!", zei de prins. "De Pamir is adembenemend mooi."

Ik riep terug dat ik erheen ging, en vroeg of de overgang van Parijs naar de Pamir niet erg groot was, maar die zin verwaaide.

Shakar vond dat ik het religieuze karakter van het Aga Khan Fonds niet moest overdrijven. Hij was zelf een Ismailiet, maar heus, zijn werk was louter humanitair.

We reisden samen van Doesjanbe naar Khorog, een sovjet-grensplaatsje dat doorging voor de hoofdstad van de provincie Badachsjan. Khorog lag zo'n zeshonderd kilometer verderop en was vanwege 'schermutselingen' alleen te bereiken via de vallei van de Panzj, de grensrivier tussen Afghanistan en Tadzjikistan. Dat kloofdal werd bewaakt door zo'n tienduizend Russische militairen van de '105de gemotoriseerde divisie'. Met hun tanks, mortieren en Krokodil-gevechtshelikopters vormden zij een scherm tegen de drugssmokkel en het religieuze fanatisme van de Taliban.

In Tadzjikistan heerste een broze vrede. De president was een Moskougezinde communist, terwijl zijn minister van Defensie liever vandaag dan morgen de islamitische wetgeving sjari'a zou invoeren. Vlak over de grens in Noord-Afghanistan vocht een bonte verzameling krijgslieden, verenigd in de 'Noordelijke Alliantie', met Russische wapens tegen de Taliban. Zij hadden een strook van ongeveer 10 procent van het Afghaanse grondgebied in handen, een bufferzone die zich ook uitstrekte over het woongebied van de Afghaanse Ismailieten.

Als altijd rommelde het in deze Russische 'achtertuin'. Honderd jaar geleden was de regio al het decor van een bloedstollende spionageoorlog - door Rudyard Kipling vereeuwigd als The Great Game. Geheime agenten van de Russische tsaar en de Britse kroon troffen elkaar in oasestadjes langs de zijderoute en op winderige bergpassen - totdat beide grootmachten in 1895 de rivier de Panzj als grens erkenden. Nu, een eeuw later, merkte de politicoloog Samuel Huntington (in zijn Clash of Civilizations) dit schemergebied tussen de Slavisch-orthodoxe invloedssfeer van de Russen en de islamitische wereld van de ayatollahs opnieuw aan als een gevaarlijk flashpoint.

De avond voor vertrek uit Doesjanbe bezocht ik professor Dodichoedo 'Dodi' Karamsjoejev. Deze 70-jarige hoogleraar in de 'Pamirologie' was een Ismailiet met een gelooide huid en een gezicht vol moedervlekjes die naar elkaar toe trokken als hij lachte. Professor 'Dodi' was etno-linguïst. "Taal is de sleutel tot onze geschiedenis", zei hij stellig. Het door de Russen veroverde deel van Centraal-Azië was overwegend Turkstalig, alleen de Tadzjieken spraken Perzisch. "Maar de Ismailieten van de Pamir spreken Sjoegni, Roesjani, Bartangi, Waxi. Elke vallei een eigen taal."

De bolsjewieken hadden in de jaren dertig het Sjoegni, min of meer de lingua franca, op schrift gesteld om de boodschap van de Revolutie te verbreiden. Maar de betrokkenen bij dat taalproject waren door Stalin geliquideerd nadat de Waxi-sprekers ("En wij, waarom krijgen wij geen geschreven taal?) hun onvrede hadden geuit. In Stalins ogen waren de linguïsten huurlingen die namens de Britten verdeeldheid zaaiden aan de randen van het sovjetrijk. "Hij overwoog de Pamir-Ismailieten intern te deporteren", vertelde Dodi. "Dat had hij gedaan met de Krim-Tataren, de Wolga-Duitsers, de Tsjetsjenen, de Koreanen... Maar wij ontsprongen de dans omdat het grensgebied met Afghanistan, eenmaal ontvolkt, nog moeilijker te verdedigen zou zijn."

Dodi had een boek geschreven (Grenssoldaten van de Pamir) over het eindspel van The Great Game. De professor beschouwde het Brits-Russische verdrag van 1895, waarbij de Panzj de nieuwe demarcatielijn werd, als een 'nationale tragedie'. De rivaliserende partijen hadden geen rekening gehouden met de Ismailieten. "Het verdrag was een vloek", zei Dodi. "Ons volk werd in tweeën gesplitst." Het noordelijke woongebied viel toe aan de emir van Buchara (een Russische vazal), het zuidelijke aan die van Kabul (een Britse vazal). Er werden kozakken in de Panzj-vallei gestationeerd en later sovjetsoldaten van het Rode Leger, die de splitsing bestendigden. Pas nu de sovjetmacht had afgedaan, durfde Dodi voorzichtig te dromen van een hereniging. Onder de bolsjewieken, zo legde hij uit, zou hij alleen al om een dergelijke suggestie zijn vervolgd... Maar dat nam niet weg dat het de diepste wens van de Pamir-Ismailieten was om de Tadzjiekse provincie Badachsjan en de Afghaanse grensstreek samen te voegen tot een Zelfstandige Republiek. De naam bestond al: Badachsjan. "Nog een land erbij in Centraal-Azië?", vroeg ik. "Het is ons historisch recht", zei Dodi.

Bedoeld of onbedoeld waren de gebroeders Aga Khan vooruitgeschoven pionnen in de nieuwe Great Game. Hun grootvader Aga Khan III was 18 toen de Panzj de definitieve grens tussen het rijk van de tsaar en Brits-Indië werd, maar dat weerhield hem er niet van de Pamir-Ismailieten met religieuze oekazes, farmans geheten, tegen de Russen op te zetten. Hij had een netwerk van koeriers die deze boodschappen bij de geestelijke leiders afgaven, en zaket (de verplichte belasting) mee terugbrachten.

In zijn boek beschreef Dodi dat er slechts één keer een Russische geheime agent een farman had onderschept, in 1904, en dat de argwaan jegens de Ismailieten vooral op speculatie berustte. In een Russisch inlichtingenrapport uit 1911 stond het zo: "Hoe onderdanig de Pamiri's zich ook aan onze tsaar tonen, zij zijn met hart en ziel trouw aan hun Levende God, de Aga Khan, en aangezien deze door de Britten wordt betaald moeten we er te allen tijde van uitgaan dat zij, als het erop aankomt, de Britse zijde zullen kiezen." Ik was benieuwd of die redenering, die tijdens de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie pijnlijk correct was gebleken, nog steeds opging. Als de Pamir-Ismailieten zich werkelijk door de Aga Khan lieten leiden, en niet door hun regering in Doesjanbe, dan vormden ze een eigenaardige pro-westerse enclave in een rabiaat antiwesterse omgeving - ingeklemd tussen de Taliban en revanchistisch ingestelde oud-communisten. Het antwoord stond letterlijk op de bergen geschreven. Zodra we de gletsjers van de Pamir in zicht kregen, lazen we op een bergweide de woorden WELCOME AGA KHAN - in levensgrote letters, geformeerd van witgeverfde keien. Ergens op een gruishelling stond: OUR HOLY IMAM. De Ismailieten hadden zich uitgeput in eerbetoon aan hun Verlosser, die hen sinds de hongersnood van 1992 en 1993 voedsel stuurde. De hulp van de Aga Khan bleek minder neutraal dan Shakar het deed voorkomen. Het was geen toeval dat prins Karim bij zijn eerste bezoek in 1995 aan zijn Pamir-volgelingen constant werd gevolgd door twee Krokodil-helikopters: hij werd nauwlettend, of beter gezegd argwanend door de Russische troepen in de gaten gehouden. Voor het eerst in honderd jaar waren de Ismailieten van beide zijden van de Panzj uitgelopen. Duizenden Afghaanse gelovigen hadden van de overkant van de rivier toegekeken hoe de Aga Khan te midden van nog eens tienduizenden Tadzjiekse volgelingen over een bed van bloemen liep.

De Aga Khans negeerden de erkende grenzen. Prins Amin had de opening aangekondigd van de eerste Universiteit van Badachsjan, die ook open zou staan voor Afghanen. En de weg waarover we reden wilde hij doortrekken naar Pakistan en India, waar van oudsher ook Ismailieten wonen. Dat klonk als een redelijk voorstel tot verbetering van de infrastructuur, maar betekende in dit gebied dat hij morrelde aan de bestaande machtsverhoudingen. "We moeten het isolement van de Pamir doorbreken", propageerde hij. "Er moet een doorgang komen naar de Indische oceaan."

In de buurt van het garnizoensstadje Khorog waren steeds meer sporen van de Internationale Hulp zichtbaar. Er was geen brug, geen schooltje of irrigatiepomp of er stond een bord bij. 'USaid'. 'Sponsored by GTZ, Germany'. 'Novib, The Netherlands'. De Pamir-Ismailieten waren duidelijk ontdekt door het westerse ontwikkelingscircus. Maar het meest prominent van allemaal was het Aga Khan Fonds, dat net als Artsen zonder Grenzen ook actief was in het 'bevrijde' deel van Noord-Afghanistan. Hoewel de grens officieel gesloten was, staken de jeeps van de hulporganisaties ongemoeid de brug over naar Afghanistan. Over het verschil tussen de Tadzjiekse en Afghaanse rivieroever merkte Shakar op: "Wij vragen aan een kind: 'Schrijf je links of rechts?' Aan de andere kant heb je de mujaheddin en de drugsbendes, en die vragen: 'Schiet je links of rechts?'"

Shakar bracht me naar een gehucht in de bergen, waar hij mij voorstelde aan de dorpsonderwijzer Hamid. Deze pezige man bewoonde een leemhut met een luchtgat in het dak. Zijn vrouw en kinderen zaten op houten banken die om de kookpot waren gebouwd, en waarboven een zuil van daglicht stond. "Hello Mister", zei Hamids oudste zoon. "How do you do?" Hij zei dat hij veertien jaar was en Engels studeerde. Maar waar dan? De jongen liet een proeve van zijn schrijfkunst zien. "Tadzjikistan was the second poorest republic of the USSR", had hij in een schrift van het Rode Kruis geschreven. "It has a population of about six million. A bitter civil war followed independence in 1991, and the Ismaili people of the Pamir mountains ended up on the losing side. Since the civil war, the Pamir region has been heavily dependent on food aid, which is organized by the Aga Khan's network of development organisations."

"Zonder hulp van de Aga Khan waren de meesten van ons doodgegaan van de honger", zei Hamid.

De bewondering voor de Aga Khan als brenger van meel en bakolie was begrijpelijk, maar wat wisten ze van hem? Hoe hadden de Ismailieten onder de sovjets überhaupt hun geloof en tradities behouden?

"We hadden immers onze taal en onze gezangen", zei Hamid, die uitlegde dat elk dorp zijn eigen hafiz heeft, een minstreel die de verhalen van vroeger levend houdt wanneer hij optreedt bij bruiloften en begrafenissen. De Pamir-talen mochten dan amper op schrift zijn gesteld, de cultuur werd van generatie op generatie overgeleverd door de dorpszangers. Wilde ik de hafiz horen? Het werd al geregeld. Voor ik er erg in had stond ik op een weide te luisteren naar de dorpszanger die - begeleid door een accordeon - zijn gedichten zong. Het waren epische liederen over de imam Ismail, en lofdichten op de Aga Khan, die je diende aan te spreken met de Perzische titel sjah.

Sjah Karim, onze afgevaardigde / Sjah Karim Husayn, help ons / Sjah Karim, de ongeëvenaarde / Sjah Karim, onze voorganger / Sjah Karim, beschermheer / Sjah Karim Husayn, help ons. Ook Hamid en zijn dorpsgenoten waren in 1995 uitgelopen om de Aga Khan aan de oever van de Panzj te eren. Diens helpers hadden vooraf per megafoon instructies gegeven: ze zeiden dat het protocol niet toestond dat iemand de Aga Khan een hand gaf. Hamid had gevraagd: "Wat moet ik doen als hij zijn hand uitsteekt: aannemen of niet?" Maar de instructeurs hadden hem verzekerd: "Dat doet hij niet."

Hamid herinnerde zich zijn verschijning nog precies. Een rijzige man in een crèmekleurig pak met een hoed van astrakan. Sommige gelovigen in de erehaag hadden het stof opgeraapt waarover hij had gelopen en het uitgesmeerd over hun kleren. Was hij de Levende God?

"Zo zeggen wij dat, ja", zei Hamid. "Maar ik heb gezien dat de Aga Khan zelf ook bidt. En ik vraag me af: als hij God is, tot wie bidt hij dan?"

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234