Zaterdag 24/10/2020

Stomweg apolitieke vrouwenbenen

Andreï Makine. 'Een Siberische lente': Rusland als ruimte in het hoofd

Frans Aerts

Het hele werk van de Russisch-Franse schrijver Andreï Makine lijkt heen en weer te pendelen tussen Rusland en Frankrijk, tussen de rauwe Siberische ziel en de Franse esprit, bakermat van archetypische visies omtrent schoonheid, kunst, poëzie, geest en natuurlijk de liefde voor de vrouw.

We weten inmiddels hoe Makine deze paradox in zijn persoonlijk leven oploste. Totaal berooid, maar met een koffer vol onuitgegeven manuscripten en het hart vol dromen, spoelde de schrijver destijds in de Franse hoofdstad aan; de eerste tijd woonde hij zelfs in een grafkapel van Père-Lachaise. Drie boeken sleet hij met veel moeite aan Franse uitgevers.

Zijn vierde roman, Het Franse testament, draaide uit op een levensecht sprookje: de Prix Goncourt 1995, de Prix Médicis, de Goncourt des lycéens, een mega-oplage in heel wat talen. In het commerciële kielzog van die roman werden ook de drie vorige boeken van Makine vertaald. Een Siberische lente is de derde uit de reeks, en op Het Franse testament na wellicht ook zijn sterkste.

Weer is een Russische jongen (de schrijver zelf natuurlijk) het centrale personage, de ikfiguur. Zijn herinneringen voeren ons de verlatenheid van Siberië binnen, naar het dorp Svletaia aan de rivier, met stroomafwaarts de provinciehoofdplaats Kajdai, de prikkeldraadfabriek voor de kampen in de regio en ten slotte "de enige echte stad, Nerloeg, met een winkel waar je zelfs limonade in flessen kon kopen".

Over deze streek zijn twee oorlogen gegaan, ze liggen aan de bron van gruwelverhalen over wreedheid en ontbering, ze hebben de schaarse bewoners getekend in hun lichaam en in hun ziel. Want hoe eenvoudig, en uitzichtloos, is toch het bestaan voor wie geboren is bij de rivier Amoer. "Daar kon je een heel leven hebben geleefd zonder te weten of je mooi was of lelijk," beweert Makine. Maar zelfs midden in de eeuwigheid die 'winter' heet ontkiemt in de verbeelding van jonge mensen soms de hoop, een utopie, een Siberische lente voor wie erin durft te geloven.

In deze roman zonder intrige neemt de utopie de gedaante aan van Jean-Paul Belmondo. Wanneer in het zaaltje van Kajdai een oude parodiërende gangsterfilm wordt gedraaid, keert plots de loop van de collectieve levensstroom. De absurde openingsscène brengt het publiek in vervoering, door het contrast met de geestloze beelden van de communistische propagandafilms. In die scène wordt een telefooncel met daarin een onfortuinlijke spion door een helikopter met monsterachtige grijpers opgetild en in zee gedropt. Een uitgehongerde haai cirkelt rond de ondergelopen cel, het water kleurt rood. "Even later verscheen Belmondo op het toneel. En de man die kennelijk zijn superieur was, deed verslag van het tragische einde van zijn collega. 'We hebben zijn stoffelijk overschot kunnen vinden', zei hij doodernstig. En hij liet een conservervenblikje zien met... haai!"

Het was niet slim van de sovjetautoriteiten om deze film toe te laten, voorafgegaan door journaals met oude mannetjes die elkaar decoraties op hun zwarte pakken spelden en met fabrieksarbeidsters die ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de partij beloofden honderd vijftig weefgetouwen te zullen bedienen in plaats van honderd twintig. En dan de hele subversie die uitging van de actrices in die Franse film, met hun gebruinde benen "die bewezen met een zeldzame overtuigingskracht, maar zonder iemand te willen bekeren, dat er een leven mogelijk was zonder Kremlin, zonder weefgetouwen of andere prestaties van socialistische wedijver". De vertoningen (het hoofdpersonage gaat de prent zeventien keer bekijken) luiden een nieuwe jaartelling in, een eeuw van vrijblijvend heldendom en van dijen die niets met ideologie of geschiedenis te maken hadden.

Rusland is in dit boek natuurlijk meer dan een grote vlek op de landkaart, het is een ruimte in het hoofd, het thuisland van de brutaliteit van de menselijke soort. Opgroeien, dromen en leven lijkt voor het hoofdpersonage en zijn twee vrienden, Oetkin en Samourai, dan ook synoniem met 'je geboortestreek achterlaten'. Bij het einde van het boek, twintig jaar later, komen het ikpersonage, inmiddels cineast, en Oetkin, schrijver, elkaar tegen in een Russisch restaurant aan het andere eind van de wereld. Daar komt alles weer naar boven: de jeugd in de besneeuwde vlakten, hun artistieke ambities, de Russische doem, het westen, en natuurlijk ook Jean-Paul Belmondo.

In Het Franse testament schreef Andreï Makine over zijn geboorteland: "Dit land is monsterlijk! Zijn bewoners brengen hun tijd het liefst door met kwaad doen, martelen, lijden, zichzelf verminken. En toch houd ik ervan? Ik houd ervan om zijn absurditeit." Van zulke liefde kun je slechts genezen door een andere, nog grotere liefde: voor een ander land, een andere taal, een nieuwe beschaving. Van dat genezingsproces getuigen al de boeken van de schrijver.

Andreï Makine (uit het Frans vertaald door Maria Noordman) Een Siberische lente, De Geus, Breda, 222 p., 798 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234