Donderdag 02/04/2020

Stof As tot as stof

Marc Didden columnist

Er bestaat een liedje van David Bowie dat weinig mensen kennen en ikzelf ook niet trouwens. Het heet 'Never Get Old' en al mag die titel dan boekdelen spreken toch is de boodschap die erin staat in een paar woorden te vatten. Bowie zingt erin dat een mens er niet noodzakelijk van moet uitgaan dat hij oud zal worden. En hij spreekt er ook volgende wens in uit:

"Wanna be here and I wanna be there

Living just like you, living just like me

Forever

Putting on my gloves and bury my bones in the marshland

Forever

Think about my soul but I don't need a thing, just the ring of the bell in the pure clean air."

Nu, met die pure clean air is het in ieder geval goed gekomen. Sedert even na het begin van deze eeuw was Bowie namelijk boer geworden en leefde hij samen met zijn vrouw Iman en hun dochter Alexandra op een farm, in de prachtige heuvellanden even buiten Woodstock, New York.

Het is daar dat ik het voorrecht had hem een laatste keer te zien. Of eerder: drie keer te zien. Eerst bij de lokale boekhandel, daarna wandelend langs de stoep van de hoofdstraat Tinker Street en uiteindelijk wat verderop ook nog eens aan de Mill Hill Road en wel in de ijzerwarenwinkel Woodstock Hardware, die daar tevens dienst doet als snackbar, busstation en koffiebar.

Bowie heeft toen driemaal vriendelijk naar me geknikt maar ik heb hem zelfs niet één keer écht durven aan te spreken. Hij was er helemaal privé en helemaal alleen. Ruitjeshemd, niet echt strakke jeans en loafers. In de boekhandel kocht hij drie boeken over local history, wat ik heel slim en goed van hem vond, want hij was daar net met zijn gezin gearriveerd en het loont ongetwijfeld altijd de moeite te weten waar je woont. Op straat, even later, was hij in die boeken aan het snuisteren. In de hardware store was hij dan weer op bevel van zijn vrouw. Hij moest er een vliegenraam komen afhalen dat zij een week eerder besteld had. De winkelier vroeg of Mister D. wel wist hoe zo'n raam ingebracht werd ? "Nee" lachte Bowie. "Maar ik moet dat ook niet weten. Mijn vrouw is de man in huis." Weer gelach.

"Aardige kerel", zag ik de vliegenramenverkoper denken. En zelf dacht ik dat ook. Toen stapte Bowie langs mij heen op weg naar het parkeerterrein dat bij de winkel hoorde. Zowel rond zijn groene als zijn blauwe oog zag ik een restant hangen van een vriendelijke grijns.

Zonder grime

"Aardige kerel", dat dacht ik ook toen ik 25 jaar geleden door Bowies vrijwel legendarische personal assistent Coco Schwab binnengelaten werd in zijn ruime suite van het Carlyle Hotel aan New Yorks Madison Avenue. Ik was er om hem vriendelijk te ondervragen over de geweldige langspeelplaat Scary Monsters And Super Creeps en was onder de indruk van hoe hij ook toen al in een song als 'Ashes to Ashes' een publiek onderzoek voerde naar zijn eigen verleden.

Maar ik kon het ook niet laten hem met lof te overladen voor zijn acteerprestatie als John Merrick in The Elephant Man, het stuk van Bernard Pomerance dat ik de avond ervoor in het Booth Theatre gezien had. Bowie speelde het stuk zo goed als naakt, op een lendendoek na. Zonder enige zichtbare grime en zeker zonder de gebruikelijke protheses die in dat geval meestal door de make-upartiesten van het theater bovengehaald worden. Het door de natuur vreselijk verminkte lichaam van de olifantman werd zonder meer weggespeeld door Bowies perfecte body en zijn weloverwogen onfeilbare zegging.

De voormalige David Robert Jones nam mijn complimenten graag in dank aan, schonk wat voortreffelijke thee bij en gaf toe dat hij eigenlijk liever over toneel praatte dan over rock-'n'-roll. Ik beaamde dat, maar niet zonder hem nog uitgebreid te bedanken voor het bestaan van Iggy Pops 'Lust For Life', een song die mij weleens als legale drug van dienst is op de momenten wanneer mijn eigen levenslust onder het nulpunt duikt.

Ik bekende Bowie toen ook maar dat ik hem leren kennen had via mijn moeder. En wel omdat ik ooit in 1969, toen ik nog student was, met haar over de Brusselse vlooienmarkt struinde en daar een exemplaar van zijn Space Oddity zag liggen. Kostte helemaal niks, maar ook dat was boven mijn budget. Mama paste bij. Ik heb er daarna op mijn kot één dag en één nacht naar geluisterd tot de zich steeds maar herhalende zin "The Sun Machine Is Coming Down And We're Gonna Have A Party" werkelijk uit mijn kop spatte.

"Dan heb je 'm in de originele hoes?", zei Bowie. "Ja, die met die Vasarely-achtergrond", zei ik trots. "Dat is 'm", antwoordde hij. "Hou 'm bij. Het wordt nog een collector's item." En zo is het ook en dus ligt-ie nu weer op mijn schrijftafel, vrijwel ongeschonden door de jaren zestig, zeventig, tachtig, negentig, nul en tien heen geraakt, gedraaid en geliefkoosd.

Toch moet ik ook zeggen dat ik Bowie na Space Oddity niet écht trouw gebleven ben. Bij Hunky Dory nog wel natuurlijk, vanwege dat geweldige 'Changes' en ook wel voor de licht ironische 'Song For Bob Dylan' en zeker bij The Rise And Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars - een vrijwel volmaakt album - maar daarna slechts heel erg knipperlichtgewijs Bowie-fan gebleven.

Young Americans?: yes. Station To Station?: yes. Let's Dance: yes. The Next Day?: yes. Duetten met Tina Turner, Mick Jagger, Freddie Mercury ? mwah!

Wel fantastisch en dieper dan men denkt : samen met John Lennon luidop doordenken over wat roem met een mens vermag op 'Fame'.

New York

David Bowie was ziek.

Niet sedert anderhalf jaar, zoals men overal zegt en schrijft vandaag. Maar sedert 2004, toen hij tijdens een optreden in Duitsland onder het zingen van 'Ashes to Ashes' een hartaanval kreeg en meteen naar het ziekenhuis moest om er een heelkundige ingreep te ondergaan. Sindsdien wist hij dat ook zijn lichaam niet meer zo briljant was als zijn geest. Sindsdien wist hij dat de dood ook bij zijn leven hoorde. Sindsdien streefde de voormalige Dunne Witte Hertog, de zelfs naar Engelse normen bijzonder excentrieke Dame, vooral nog naar een in zijn leven zeer zeldzaam goed: normaliteit.

Die had hij ook gevonden, daar in Woodstock, waar je hem behalve bij de ijzerwinkel ook wel eens bij het postkantoor, bij de biologische bakker of aan de schoolpoort zag staan om zijn nu veertienjarige dochter op te halen.

Maar Bowie liet New York niet los en was er vaak te zien in de straten van de stad die zo goed geweest waren voor hem en waar hij behalve roem en rijkdom ook respect kreeg van de artistieke gemeenschap en er vriendschappen sloot die vaak ook tot samenwerkingen leidden. Zo legde deze Velvet Underground-fan van het allereerste uur ook de basis van de nu ook al verdwenen Lou Reed zijn succes door die zijn solo-lp Transformer te producen en vorm te geven zodat die plaat het meesterwerk geworden is dat we nu kennen. En hij speelt er ook nog een mooi en gemeen stukje saxofoon op.

Het is dan ook mooi dat Bowie eergisteren zijn laatste adem uitgeblazen heeft in New York. Hij zal er niet meer meteen on the wild site walken, vrees ik, maar op een lazaruseffect mag wel gehoopt worden. Bowie heeft zich tenslotte bij leven tenminste honderd keer heruitgevonden, waarom zou hij dat dan na die lastige bijkomstigheid, de dood, niet meer doen ?

As tot as, stof tot stof: ik geloof er met enige tegenzin wel in maar niet in het geval van Major Tom. Ook al schreef die in dat wondermooie 'Ashes to Ashes' ook al een mooi grafschrift voor zijn meester Bowie :

"I never done good things,

I never done bad things,

I never did anything out of the blue."

Wees daar maar zeker van, van dat laatste. Bowie deed nooit iets zomaar. Hij wist dat toeval bestond maar ook dat verstandige mensen dat toeval enigszins kunnen besturen. Daarom is het ook niet toevallig dat zijn laatste album Blackstar heet.

Ik kijk door mijn raam en zie dat zwarte hemellichaam hangen in het zwerk. Het beweegt zowaar een beetje. Het kan zelfs spreken. "Let's Dance" zeg het. En, ja, laten we dat doen. Het bevel klinkt zachtjes maar duidelijk: "Put On Your Red Shoes And Dance The Blues". Dat gaan we dan ook doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234