Maandag 09/12/2019

Stippeltje Stippeltje aan de wand

Kritische tijdgenoten noemden het 'confettikunst', maar de progressieve Brusselse burgerij was er dol op. In het laatste kwart van de 19de eeuw was Europa even in de ban van het neo-impressionisme. In Brussel kunt u ervaren wat deze stroming voor de portretkunst heeft betekend.

Met een heuse portrettengalerij van kleurige stippelschilderijen laat het ING Cultuur- centrum ons naar binnen kijken in een wereld van punten en komma's. De Engelse titel To the Point doet vermoeden dat deze expo een internationale coproductie is, en dat klopt. Na Brussel reist het ensemble door naar het Indianapolis Museum of Art, waar het project gedeeltelijk werd voorbereid en - althans op papier - het licht zag. Dat laatste mag u gerust letterlijk nemen. Net zoals hun voorlopers, de impressionisten, waren de schilders van de volgende generatie in de ban van het licht en van wat dat op ons netvlies aanricht. Daarvoor gingen zij te rade bij nieuwerwetse wetenschappelijke theorieën over de waarneming.

De mannen en vrouwen die zich pointillisten of divisionisten noemden, vermengden niet langer hun verf maar brachten stippeltjes zuivere kleur aan op het doek. De nabijheid van complementaire kleuren doet het beeld trillen in het oog van de toeschouwer, waar de vlekjes in elkaar overlopen. Honderd jaar later zijn we gewend aan het effect, maar in 1886 sloeg het in als een bom. Met het grote schilderij Un dimanche après-midi à l'Ile de la Grande-Jatte leverde de 26-jarige Georges Seurat zijn manifest af. De moderniteit spatte er af, al waren de personages bepaald houterig in beeld gebracht. Een meditatief doek is het, dat uiteraard niet uit Chicago naar Brussel werd verscheept maar in een video wordt geëvoceerd.

De curatoren doen verderop nog wel vaker een beroep op films om zowel de afwezige sleutelwerken De lezing door Emile Verhaeren en De wandeling van Théo Van Rysselberghe als Verhaerens stemmige studeerkamer in Saint-Cloud toch een zekere aanwezigheid mee te geven. Het lijkt een zwaktebod, maar dat is het niet: de Nederlandse beeldend kunstenaar Paul Hendrikse maakte fascinerende filmsequenties die aan het geheel een conceptuele, hedendaagse betekenislaag toevoegen.

Dat Seurats denkoefening school maakte is vooral een Belgisch en zelfs Brussels fenomeen. Daarvoor tekenden de kunstimpresario Octave Maus en zijn vrienden uit de avant-garde. Het artiestenclubje Les XX had al enkele van zijn spraakmakende jaarlijkse salons ingericht toen de dichter Emile Verhaeren de nieuwe stijl onder de aandacht bracht. Van het een kwam het ander, en nauwelijks een jaar na de Parijse première werd Seurats schandaalstuk naar Brussel gehaald.

Zoals gepland waren opstootjes en giftige krantenstukken het gevolg. De beruchte Parijse essayist Félix Fénéon had mee het pad geëffend: in het Brusselse kunstblad L'Art Moderne lanceerde hij in september 1886 het adjectief 'neo-impressionistisch' en brak hij een lans voor de nieuwe visie. Zo verwonderlijk was dat niet: Paul Signac, Maximilien Luce en heel wat andere (Franse) coryfeeën van het pointillisme waren immers ideologische bloedbroeders van salonanarchist en beroepsprovocateur Fénéon.

Streekgerechten

Na de finissage van een salon van Les XX maakt een snibbige criticus de balans op: "drie bezoekers zijn bezweken aan de pokken die zij hadden opgelopen voor een pointillistisch schilderij. Enkele anderen zijn nog ziek. Een jongedame uit de hogere kringen is ziek geworden. Een nog niet bevestigd gerucht wil dat de echtgenote van een burgemeester uit de provincie, die de salon in zwangere toestand bezocht, een getatoeëerd kind ter wereld heeft gebracht."

Niet alleen het publiek en de karikaturisten zijn in de ban van Seurats uitvinding. Enkele prominente huisartiesten van Les XX hebben zich gewillig laten besmetten door de stippelkoorts. Met name Henry Van de Velde, Georges Lemmen, Théo Van Rysselberghe, William Jelley en Willy Finch gaan met overgave (en tot lang na de eeuwwisseling) pointilleren. Oostendenaar Finch gebruikt de techniek vooral voor landschappen; hij is hier dus de grote afwezige. Zijn vakbroeders realiseren tientallen portretten in de beruchte stijl, zelfs heel wat meer dan de Franse kliek van Seurat en Signac.

To the Point is dus vooral een Belgisch verhaal. Een lokale specialiteit zelfs, want bij wat Van Rysselberghe en co. presteren steken de houterige, hiëratische figuren op de doeken van mindere goden als Dubois-Pillet of Laugé schril af. Tussen al deze Fransen van bordkarton zet vooral Lemmen knappe intimistische portretten neer, terwijl Van Rysselberghe monumentale burgerlijke spektakelstukken mag maken voor zijn vrienden en invloedrijke klanten.

Ronduit spectaculair ogen zijn drie levensgrote portretten van de zusjes Sèthe, die hier voor het eerst samen te zien zijn. Maria zal later huwen met vormgever en architect Van de Velde. Irma is een getalenteerde violiste die bij Eugène Ysaÿe studeert. Het portret van Alice is het eerst geschilderd: in de oplichtende gestalte wordt het pointillisme nog niet tot zijn uiterste consequenties doorgetrokken.

Wat verderop ontmoeten we ook Théo's schoonmoeder, zijn dochtertje en het echtpaar Verhaeren. Le Tout-Bruxelles, quoi, gevat in nijver gepointilleerde kaders: de spikkels gutsen over de rand van het beeld en tasten de lijst aan. Van Rysselberghes portretten hebben iets paradoxaals. Enerzijds zijn ze modern door hun uitbundige kleur en techniek, anderzijds sluiten zij aan bij de traditionele burgerlijke iconografie. Hier en daar waagt hij zich aan een fotografische kadrering. Henry Van de Velde komt op dat vlak veel sterker uit de hoek, met bijzondere uitsnijdingen en standpunten. En de potloodtekening die Georges Lemmen omstreeks 1893 van de Amerikaanse danseres Loïe Fuller maakte, zou een futuristisch visioen kunnen zijn.

Net als de art nouveau en het intellectuele anarchisme is het neo-impressionisme geen lang leven beschoren. Van Rysselberghe gaat een tijd door op zijn elan, maar na De lezing van Emile Verhaeren houdt ook hij rond 1904 het stippelidioom voor bekeken. Het is tijd voor iets anders.

Mooie knipoog

De Brusselse expo schat het pointillistische intermezzo terecht naar waarde. De presentatie is sober maar efficiënt, de wetenschappelijke omkadering voorbeeldig. In de kelder van het gebouw werd een ruimte ingericht waar je kunt ervaren hoe kleur en licht 'werken'. Lezingen zorgen voor de nodige verdieping. Bovendien is de locatie aan het Koningsplein een mooie historische knipoog. In de 19de eeuw bood het gebouw onderdak aan het emblematische kunstenaarscafé Le Globe, terwijl een groot deel van het artistieke leven zich aan de overkant van het plein afspeelde. Onder meer de salons van Les XX werden gehouden in 'la baraque d'en face' waar vandaag het Fin-de-sièclemuseum huist.

Wel is het jammer dat de uitstekende maar helaas alleen in het Engels verkrijgbare catalogus naar meer doet verlangen. Naar de Amerikaanse, uitgebreide versie van To the Point bijvoorbeeld, waar naast (andere) sleutelwerken van Seurat en Van Rysselberghe ook Signacs spetterende portret van Félix Fénéon, fraaie Jan Toorops en zowaar twee stippelwerken van Vincent van Gogh zullen te zien zijn. Gelukkig is er de catalogus, terwijl de Brusselse 'lightversie' van het project absoluut een omweg waard is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234