Dinsdag 02/03/2021

'Sterven, meneer, het is geen kattenpis'

Hilde Sabbe / Foto's Filip ClausLuuk Gruwez op zoek naar de resten van zijn jeugd

'Dit is het westen, waar de cowboys wonen en de dichters zich verschansen. Het is geen zachtzinnige volksstam waartoe ik behoor. West-Vlaanderen is het land van de handen. Daarmee kan men wurgen, daarmee kan men strelen, daarmee kan men vooral zijn centen tellen. Limburg, waarnaar ik geëmigreerd ben, is het land van de wangen. Daarmee glimlacht men, onophoudelijk.' Met het volgende maand te verschijnen Het land van de wangen is Luuk Gruwez, na Louis Paul Boon en Paul de Wispelaere, de derde Vlaming die zijn ziel mag blootleggen in de prestigieuze reeks Privé-domein. We gingen met hem kijken wat er overblijft van zijn jeugd in het land van de handen, te midden van de doem van het doen.

Ik heb met Luuk Gruwez afgesproken op de Kortrijkse Grote Markt. Den Damier had ik voorgesteld, waar de Kortrijkse bourgeoisie al decennialang koffie nipt van zilveren filters en bier drinkt uit pinten met een dikke rand. "Ik denk niet dat dat nog bestaat," twijfelt Luuk telefonisch. "Laten we voor alle zekerheid café Bij Briek Schotte nemen." En net dat blijkt verdwenen. "Je weet nooit wat er precies overblijft," zegt hij als we elkaar toch vinden.

Hij is net terug van het allerzuidelijkste plekje waar hij ooit is geweest, Marokko. "Een land met een hoog verblindingsgehalte maar een lage aaibaarheidsfactor. Ik ben altijd op zoek naar een land met hoge aaibaarheidsfactor, omdat ik een grote behoefte voel aan huiselijkheid. Overal ter wereld ben ik op zoek naar een plek om thuis te komen. Zelfs als ik uithuizig ben, is mijn bedoeling alleen het ideale huis te vinden."

De reden voor zijn verhuizing naar Hasselt, meer dan twintig jaar geleden, was louter prozaïsch: hij kreeg er een baan. "Hasselt is een zachtzinnige uitvoering van Kortrijk," mijmert hij als we in de omgeving van de Grote Markt op zoek gaan naar sporen van vroeger. "Ook een typische middenstandsstad, maar ik ben meer op Hasselt gesteld dan op Kortrijk. Hier voel je toch veel meer de doem van het doen: je moet per se iets doen, prestaties neerzetten, en dat heb je in Limburg over het algemeen veel minder. In Limburg ligt voor mij toch een beetje het echte oosten. Is West-Vlaanderen een soort uitermate mercantiel West-Europa in zakformaat, dan is Limburg een oosten in Madurodam-formaat.

"Ik associeer vaders altijd met West-Vlaanderen, met de doe-cultuur, waar je moet presteren. Limburg is meer de moedercultuur, een plek waar het bestaan veel vanzelfsprekender is. Het 'land van de wangen' is niet alleen Limburg, maar het is in elk geval niet het westen, of het zou de tuin achter de fabriek van mijn grootvader moeten zijn, waar ik als kind onder de notenboom mijn tentje opsloeg en waar grootmoeder me een geroosterde halve kip of zo bracht.

"Op de lagere school leerden we: de zon rijst in het oosten, staat 's middags in het zuiden en gaat 's avonds onder in het westen, en de zon staat nooit, nooit in het noorden. Dat leverde me de structuur van mijn boek op: 'East of Eden', een verzameling brieven met als standplaats Limburg, 'All Quiet on the Western Front', met onder meer dagboeknotities uit Deerlijk, en 'Goodbye South, Goodbye', dat zich hoofdzakelijk op Kreta en in de Provence afspeelt. Het noorden is de enige windrichting die niet aan bod komt."

"Verliefdheden kun je niet helemaal weggooien, ook niet als je dat zou willen. Dit is de straf voor al wie verliefd geweest is: wat hij ooit heeft gemorst, is jaren aan hem blijven kleven zonder dat hij daar ook maar iets van gemerkt heeft. Tot hij op een dag toevallig vaststelt: verrek, hier zit een vlek; hoe kom ik daar nu weer aan? En dan, plotseling, herinnert hij het zich. Maar die vlek gaat er niet meer uit."

(uit: Het land van de wangen)

In Kortrijk was Gruwez intern in het Damiaancollege en vervolgens student Germaanse filologie aan de KULAK. Tussen de bedrijven door zat hij in kroegen dromerig naar meisjes te staren. Een paar van die etablissementen bestaan nog, constateren we verheugd. De Stovebuize bijvoorbeeld, die hem het voordeel bood van een uitkijk op het instituut waar zijn aanbedene naar school ging.

"Voor mij was heel Kortrijk toen een soort erogene zone, en dit was het hart ervan. Ik had toen een erg dualistische kijk op meisjes. Enerzijds was er de verre prinses die onbenaderbaar was en moest zijn, en anderzijds de hoer die je kon krijgen maar niet wilde. Naderhand zijn die twee polen, het vergeestelijkte, etherische, beetje stratosfeerachtige en het aardse, meer laag-bij-de-grondse naar elkaar toe gegroeid, met overigens een almaar toenemende nadruk op die laatste pool. Ik zeg altijd dat ik zal eindigen als dichter van de slachthuizen en vilbeluiken.

"In feite ben ik nooit een jongen van veel meisjes geweest. Ik kon nooit een meisje krijgen, ik was daar veel te verlegen voor, maar verliefd was ik genoeg."

Ook de Vagant bestaat nog, waar Luuk een piepjonge Elly Nieman - die hij inmiddels bestempelt als een gerecycleerd wierookvat - en nog een rockende Johan Verminnen aan het werk zag, en waar hij de liefdesbrief kwijtraakte die hij van Gerard Reve gekregen had. "Er was een kaartje en een brief. Het kaartje heb ik nog op de stoep teruggevonden, en mijn portefeuille waarin het zat ook, maar de brief was eruit verdwenen.

"Op televisie had ik toen net de grote Gerard Reve-show gezien, en op einde daarvan kwam Reve met een soort sollicitatie waarin op zoek was naar een jongen van rooms-katholieke origine. Ik was zeer geïnteresseerd in zijn werk en dacht: laat ik voor de grap - want ik ben zo heteroseksueel als de pest - in een soort parodie van Reviaanse stijl naar hem schrijven. Daarbij stuurde ik hem mijn debuutbundel Stofzuigergedichten, met op de achterkant een foto waarop ik heel romantisch ins Blaue hinein zit te staren. Hij repliceerde dat hij geloofde dat hij zich heel erg tot mij aangetrokken 'gevoelde', maar dat hij mij wilde waarschuwen dat zijn liefde geen half werk was. Dat hij er beslist niet genoeg aan had om samen Dante te lezen, maar dat hij met mij wilde doen zoals zijn manlijke lievelingshond Rufus met de hond van de buren deed. Ondertekend: je bronstige kunstbroeder Gerard. In mijn antwoord heb ik de parodiërende stijl waarschijnlijk iets te ver doorgedreven, want ik kreeg geen reactie meer.

"Het kaartje heb ik nog, een gewone ansichtkaart uit Dieulefit of Le Poët-Laval waar hij toentertijd huisde, waarop hij met een speld de omtrek van zijn geheime landgoed had uitgeprikt, in de vorm van het mannelijk geslachtsdeel natuurlijk. Naderhand heb ik Reve nog ontmoet op lezingen voor Saint Amour, maar over onze correspondentie hebben we daar in alle talen gezwegen."

"Ik mag dan al in Kortrijk geboren zijn, ik ben van Deerlijk, bijna zeventien vierkante kilometer groot en in mijn kinderjaren bijna tienduizend inwoners rijk. Ik ben van de Hoogstraat, waar ik het aanzienlijkste deel van mijn jeugd gewoond heb, en ik ben van de Beverenstraat, waar ik tot en met vandaag mijn grootouders weet te vinden. Ik ben van de Harelbekestraat, de Schoolstraat, de Rodenbachstraat en de Statiestraat. Ik ben van de Sinte-Columbakerk, van het kleuterklasje van zuster Euphrasie, van het snoepwinkeltje van Lieneke. Ik ben van de Gemeentelijke Jongensschool en het knapenkoor Het Mezennestje. Ik ben van de slagers, de kruideniers, de poeliers, de bakkers waar mijn moeder mij als kind naartoe stuurde. Ik ben van mijn eerste vriendjes, van Ignace, Ivan, Jean-Pierre, Luc en Marcel, van het Gaverkasteel waar ik met ze speelde. Ik ben van de meisjes op wie ik hier en niet elders stapelverliefd werd. En misschien is dàt nog het belangrijkste argument: je bent van de plaats waar je eerste verliefdheid zich heeft afgespeeld."

(uit: Het land van de wangen)

Op weg naar Deerlijk zwijgt Gruwez. Vijftien jaar geleden kwam hij voor het laatst in het ouderlijke huis. "Ik ben laat volwassen geworden. Dertig moest ik worden en mijn beide ouders onder grond voor ik een ruggengraat kreeg en met beide voeten op de grond kwam te staan." Voor we de Hoogstraat oversteken en aanbellen, steekt hij een sigaret op. Hij blijft stilstaan voor de tuin en wijst. "Vroeger lag daar een witte steen. Daar is mijn vader gestorven. Een hartstilstand gekregen terwijl hij in de tuin op en neer aan het wandelen was. Hij was 's ochtends uit het ziekenhuis ontslagen waar

Vervolg op de volgende paginaVervolg van de vorige pagina

hij met een licht hartinfarct was opgenomen. Ze hadden hem weer op en top in orde verklaard. Hij was een paar uur thuis en stond hier te kijken. Er passeerde een wielerwedstrijd. Hij sloeg nog een praatje met de buurman die maanden later zelfmoord pleegde. Dat is de laatste die hem gezien heeft. De wielerwedstrijd is gepasseerd en onder de toejuichingen van het wielerminnend publiek is mijn vader daar gestorven."

Onwennig loopt hij door bekende kamers, die een totaal nieuwe aanblik bieden - "Het is zoveel mooier geworden" - op zoek naar wat gebleven is: een gang, een garage, trappen, blauweregen. Boven leunt hij even met zijn voorhoofd tegen het glas van het erkerraam. "Hier stond ik op uitkijk om de komst van de postbode af te wachten, zeker als hij met het rapport van de lagere school langskwam. Als er hier en daar een slecht cijfer op stond, was het belangrijk dat ik dat rapport te pakken kon krijgen om enkele aanpassingen uit te voeren. Mijn moeder speelde daar soms in mee. Wanneer ze bang was dat de reactie van mijn vader te hevig zou zijn, zei ze: die negen op twintig voor aardrijkskunde, daar zetten we een één voor. Ze kon het niet goed hebben dat ik te veel te lijden zou hebben onder zijn plotselinge colère. Hij was nogal opvliegend, mijn vader. Maar een beste kerel."

Zijn slaapkamer is bijna niet meer te herkennen. "Zo helder. Zo groot. Hier heb ik duizenden angsten uitgestaan. Er hing een ets van Ingres, Hendrik de Vierde en zijn kinderen, met een kanselier erop voor wie ik doodsbang was. Soms had ik 's nachts astma-aanvallen en dan hing ik urenlang uit het raam. Op het terrein hieronder, vlak achter onze tuin, stonden paartjes die nadat ze dancing The Golden River bezocht hadden, in de auto neukten. Er stond op zaterdagavond altijd een voyeur in onze tuin. Mijn vader, met zijn 103 kilo, kieperde die man gewoon over het poortje. Dan lag ik te sidderen in mijn bed. Ik ben altijd een erg bang jongetje geweest."

"Eigenlijk is het huis, zoals het er nu bij staat, een huis ontdaan van angsten," mijmert Gruwez als we weer buiten zijn. "Ik ben altijd iemand geweest die in om het even welk onderkomen bang was voor wat zich een verdieping hoger of lager afspeelde, voor zolders en kelders. Wat ooit mijn ouderlijk huis was, is nu soberder ingericht, huiselijker eigenlijk en heeft daardoor een gedeelte van zijn mysterie verloren. Toen ik er als kind in opgroeide, was het zo druk bemeubeld dat je moeite had om de hele ruimte tot de jouwe te maken. Er waren ook veel meer verborgen hoekjes en kanten. Als je er nu binnenkomt, heb je de indruk dat je meteen alles kunt beheersen.

"Sedert de dood van mijn ouders in '83 heb ik heel geregeld en zelfs tot op de dag van vandaag dromen waarin ik mij onrechtmatig in het ouderlijke huis bevind, meestal 's nachts, maar soms ook overdag, terwijl de bewoners op vakantie zijn. Het gaat altijd over hetzelfde: dat ik het huis ben binnendrongen en elk moment door de nieuwe eigenaars betrapt kan worden. Misschien houden die dromen nu wel op, nu ik gezien heb dat dit huis mijn huis niet meer is. Ik herken nog heel veel, maar er is zoveel veranderd dat deze nieuwe ervaring een aantal eerdere zal uitwissen. Zoals wanneer je een kamer opnieuw meubileert: je vergeet mettertijd meer en meer hoe zij er voordien uitzag."

Voor we naar de school gaan, die destijds Gemeentelijke Jongensschool heette, lopen we even langs het graf van de ouders van de dichter. "Crematie was nooit een optie. Je moet de wormen ook wat gunnen. Cremeren lijkt te veel op: inpakken en wegwezen. Ik ben voor langzaam vergaan." Een sobere zerk, met daarin een gedicht van Gruwez gebeiteld. "Ik kwam hier om de twee weken, vlak voor ik naar mijn grootouders ging. Dat was: heel snel de tekst van het gedicht prevelen, als een schietgebed, en dan weer wegwezen. Soms vertelde ik iets. Aan mijn vader, dat de president van de VS niet langer een cowboy was, en aan mijn moeder - want dat soort verhalen interesseerde haar mateloos - dat Lady Di gestorven is."

"Ik herinner mij die tijd en die meesters. Die tijd: de jaren vijftig, de euforie, een beetje megalomane epoque waarin wij al in het eerste klasje vernamen dat er op aarde nog slechts één ongeneeslijke ziekte over was: kanker. Wij leerden over erosie en abrasie, over bruto, netto en tarra, en, zodra wij de vierkantswortel konden trekken, vroegen wij ons af waarom we nog langer naar school moesten: onze ouders beheersten die wiskundige bewerking niet meer, met ons verstand waren wij hen dus al voorbijgesneld. En dan die meesters: goedmoedige Baden Powells, die te lang in scoutsbroek hadden rondgelopen en van wie haast niemand een hoge leeftijd zou halen, alsof zij zo snel mogelijk af wilden van het langebroekenbestaan."

(uit: Het land van de wangen)

De dichter Luuk Gruwez wordt hartelijk ontvangen door de huidige directeur van de lagere school. Jammer, het klasje van meester Degezelle bestaat niet meer, maar de tegels in de gangen zijn dezelfde gebleven en meester Billy van het zesde leerjaar is zowaar een jeugdvriend van Gruwez. "We hielden dikwijls een loopwedstrijd voor de school begon, en ik heb Luuk vaak laten winnen," onthult die. "Ik liep altijd te hard van stapel," geeft Gruwez toe. "Ik begon schitterend, maar na een paar minuten was het afgelopen. Ik had geen gevoel voor toekomst: inmiddels ben ik een beter econoom geworden.

"Meester Degezelle van het eerste leerjaar was een beste man. Ik weet nog dat ik het in zijn klas in mijn broek had gedaan. Er ontstond een plasje onder de bank en de jongen naast mij zei: meester, meester, Gruwez heeft in zijn boek gepist. Degezelle, die de gewoonte had om de planten water te geven, reageerde: ach nee, ik zal wel gemorst hebben. Dat heb ik altijd ongelooflijk groots gevonden."

De gymzaal, waar het koor Het Mezennestje zijn repetities hield, is onveranderd gebleven, net als de speelplaats. "Hier heb ik nog gediscussieerd over de Beatles," wijst Gruwez. "In navolging van mijn vader was ik een groot operetteliefhebber. Ik moet negen of tien zijn geweest, en sloeg een belabberd figuur omdat ik mijn klasgenootjes ervan probeerde te overtuigen dat wat de Beatles speelden geen muziek was. Die operettecultuur van mijn vader is er bij mij werkelijk in geramd. Ik ben daar heel lang trouw aan gebleven, tot ik in de poësis uit pure rebellie ging dwepen met alles wat lawaai maakte, het ruigste eerst.

"Ik ging redelijk graag naar school. Ik deed het ook niet slecht, al was ik niet echt een uitblinker, behalve bij meester Van Hauwaert. Bij hem was ik de eerste van de klas. Voor de rest was ik vooral slordig. Je kreeg toen ook quoteringen op orde, vlijt en gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid was mijn sterkste kant. Ik ben altijd nogal volgzaam geweest, tenminste zolang ik niet schrijf. Ik begin pas moedig te worden met een pen in de hand."

"De school is veel veranderd," besluit hij als we buitenkomen, "maar in tegenstelling tot het ouderlijke huis daarnet zijn er, ondanks de verbouwingen, meer plaatsen die kloppen met wat er in mijn geheugen zit."

"Toch geloof ik niet dat ik om de twee weken naar hier kom om mijn Florence Nightingale-syndroom te bevredigen. Die pispot zal ook wel door een ander in de plee worden leeggekieperd, de vaat kan ook wel door een ander worden gedaan en bejaarden moeten er in dit land al verdomd armetierig aan toe zijn eer zij van honger omkomen. Evenmin kom ik naar hier om mij te laten bedwelmen door de nostalgische gloed en de weeë geur van mijn geboortegrond. Ik word gekenmerkt door een enorme verzamelwoede: al wat bestaat kan maar voortbestaan als ik het verzameld heb. Maar ook dat is het niet. Het is zelfs niet uitsluitend de liefde voor Liesje die mij drijft. En als ik al medelijden betoon, dan doe ik dat niet onzelfzuchtig: ik heb kennelijk ook te doen met wat ik misschien ooit worden zal. Hoe zal mijn toekomst eruit zien? Wie moet er nog voor mij sterven? Wie zal mij alleen laten, de laatste jaren voor mijn dood? Niet dat ik mij voor dit soort vragen schaam: de wereld zou beslist fraaier ogen als mensen meer op zichzelf gesteld waren.

"Ik heb evenwel een dominanter motief, op grond waarvan iedereen mij gek verklaart. Wat mij werkelijk zo vaak naar hier brengt, is in de allereerste plaats een oude belofte. Mijn laatste geloof is dat wat wij geluk plegen te noemen op een paar domme, bijna leugenachtige afspraken berust, en dat je die moet naleven. Als het zeven uur is in de wereld, dan moet je erop kunnen vertrouwen dat het ook zeven uur is op de horloges van de mensen die je omringen. Om vijf over zeven gaat overal het licht uit. Om vijf over zeven ben je van God en de hele wereld verlaten." (uit: Het land van de wangen)

Toen zijn moeder stierf, in 1983, beloofde Luuk Gruwez zijn grootmoeder Liesje dat hij haar, nu ze een dochter verloren had, om de veertien dagen zou bezoeken. Van 1993 tot eind 1997 hield hij tijdens die weekends een dagboek bij. Dat deed hij 's avonds, voor hij ging slapen, op het toilet in de badkamer, de laatste sigaretten van de dag rokend.

Het huis waar zijn grootouders woonden, wordt nu door een neef verbouwd. Muren worden gesloopt, behangselpapier sneuvelt, familieportretten verdwijnen. "Het huis heeft er ooit heel riant uitgezien, maar de laatste vijf jaar begon het compleet vervallen, net als zijn bewoners," zegt Gruwez. "Het huis was solidair met zijn eigenaars."

Een binnenmuur is weggekapt, waardoor je op de eetkamer uitkijkt als het decor voor een familiedrama uit de vorige eeuw."Daar zat mijn grootmoeder aan tafel," wijst hij. "Ik moest haar voederen. Ze was dement. Hier stonden lits-jumeaux, want mijn grootouders konden de trap niet meer op. 's Avonds zat ik dan daar op de toiletstoel van mijn grootmoeder naar de televisie te kijken. Ondertussen lagen die twee oudjes vanaf acht uur naast mij te snurken en keek ik naar stompzinnige televisieprogramma's, met mijn gedachten toch elders.

"Boven het bed van mijn grootvader hing een geschilderd portret van toen hij nog zoveel jonger was, boven het bed van mijn grootmoeder hing haar portret, van de hand van dezelfde schilder: hun jeugdige zelf hield de wacht bij de oude wrakken die zij intussen waren geworden. Het was alsof die in de fleur van hun leven geschilderde portretten hun verdere aftakeling moesten zien te voorkomen."

Hij gaat ons voor naar boven.

"De kamer waar ik slaap. Olijfhouten bed. Olijfhouten kast. Olijfhouten nachtkastje. Onder een ronde spiegel staat het dressoir. Daarop jeugdportretten van mijn zus en mij. Onder aan het dressoir is een ruimte uitgespaard waarin nog van mijn moeder vier boeken in een groen verschoten omslag. Stijfkopje op school, Stijfkopje verloofd, Stijfkopje getrouwd en Stijfkopje grootmoeder."

(uit: Het land van de wangen)

"Van alle kamers waar ik ooit in mijn leven geslapen heb, is dit degene waar ik het meeste inspiratie - als ik dat oubollige woord mag gebruiken - heb opgedaan."

En ten slotte de badkamer, waar hij zich op het toilet terugtrok om te schrijven. "Ik kon toch niet beneden, naast hen, over hen zitten schrijven? Aanvankelijk lag hier een heel dik stuk zeep, en ik schrijf in mijn boek dat ik vermoedelijk wel met dat stuk zal toekomen, maar op eind van het hoofdstuk is de zeep toch op en zijn zij niet dood. Ze hebben dat stuk zeep overleefd."

"Ondanks alles verloopt de communicatie met Liesje dit weekend prettig. (...) Wij lachen om elkaar alsof wij elk woord van elkaar begrijpen. Zij is volslagen kierewiet en voor de gelegenheid ben ik dat ook. Als ik haar in bed stop, vraag ik haar: 'Zal ik ne keer uw voeten kietelen?' 'Een beetje,' antwoordt zij. En zij lacht als een schoolmeisje.

Maar boven, in de badkamer, begint het stuk zeep intussen te slinken. En de zwarte jas die ik zal dragen op haar begrafenis heb ik al. Wanneer zij uitgeschaterd is, kijk ik naar haar gezicht. Dat heeft iets plechtigs nu. Zij kan niets zeggen, maar in haar ogen lees ik iets als: 'Sterven, meneer, het is geen kattenpis. Hebben al die anderen daar ook zo lang over gedaan?'" (uit: Het land van de wangen)

Luuk Gruwez, Het land van de wangen, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 277p. Het boek verschijnt op 20 november en wordt op 27 november om 20 uur voorgesteld in de foyer van het NTG, Sint-Baafsplein, Gent, met medewerking van o.a. Wim Opbrouck en Peter Vermeersch.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234