Zaterdag 27/02/2021

Sterk Water

Het zijn bepaald ongewone vertellers die in de debuutroman van Marijke Libert aan het woord komen: vier huizen die verslag doen van het tragische lot van een vrouw die in achtereenvolgende fasen van haar leven in hen heeft gewoond. Een exclusieve voorpublicatie van het eerste hoofdstuk.

Op een ochtend lag ze onder aan mijn trap. Hard geland was ze, op de buik, de armen gespreid. Hoog op de rug stond haar bochel, als een opgevouwen parachute die dienst geweigerd had. Het leek wat vreemd, dit stilstaande beeld waarin haar neergevallen lichaam zweefde. Het was alsof ze ergens uit gesprongen was om nog nergens terecht te komen.

Terwijl ze dood was, ontegenzeggelijk. Ze hapte niets meer, ze gaf alleen iets terug: een straaltje bloed dat uit haar mondhoek kroop om meteen te stollen op de betonnen vloer.

Het was allemaal heel snel gebeurd, zo snel dat ik me enkel het flitsen herinnerde. De flitsen kwamen uit haar nylon schort die ze nooit aflegde, die haar omgordde en met haar versmolt. En die vuurwerk maakte in het donker, wanneer zij zich erin bewoog. Wat mij nu tot de conclusie brengt dat het wel degelijk stikdonker was toen ze viel, of dook.

We hadden wel lampen in de kelder.

In het huis was het stil gebleven, ook na de plof. Haar val had geen gevolgen op het eerste gezicht. Niets veranderde, ook niet toen het ochtendlicht door de luchtgaten priemde en boven het trapgat de oude deur dreinend openging om twee blote voeten binnen te laten. De voetjes liepen niet, maar bungelden over de treden. Iemand schoof naar beneden, van hoog naar laag, belandde bij het lijk, keek er met het hoofdje schuin naar, streelde de bochel en koos die als kussen om op in te dommelen.

Ik was van het pyknische type. De schaduwen die ik wierp, waren kort en log. Binnen voelde ik een beetje koud aan, maar wie aan de buitenkant in het opgeschoten gras ging zitten, voelde de klamme warmte die mijn muren jarenlang opgeslagen hadden, in zich optrekken. De bakstenen buitenmuur was verschoten, van rood via paarsbruin naar een vuile kleur die moeilijk valt te beschrijven.

Omdat ik niet mooi meer was werden mijn jaren verborgen. 's Zomers dekte de wilde wingerd mij toe, maar 's winters kon je zien hoe uitgemergeld ik was. Als de lovervacht eenmaal was verdwenen, kwam ik tevoorschijn in al mijn facetten: met mijn flanken die in het midden bolden als een hongerbuik, de rimpelende pannen op het dak, de goten die er wat moedeloos bij hingen. Een schim werd ik van wat ik ooit was geweest, een tempel van bedrijvigheid. In mijn schuur, later magazijn, was graan gestort, geplet, vermengd met maïs of andere korrels en in zakken gedrukt die op kromme ruggen naar buiten werden gedragen. Het dreunde diep in mij, het maalde. Men moest er de stem verheffen - wat zeg ik - men krijste.

Ikzelf bleef er al die tijd stil bij staan, genietend van het geraas. Tot de mij dierbare geluiden helemaal wegstierven. Al hoorde ik ze later nog - zoals een mens de naderende voetstappen van iemand die hem al jaren eerder is ontvallen -, het geritsel van het graan in de trechters van de silo's, het gestamp van de oude maalmachine, het nieten van metalen sluitzegels rond de zakken, het godverdommen van de knechten.

Ik spitste mijn zinnen, maar toen ook een paar beelden opdoemden, verdween alles meteen. Wat overbleef was het lawaai dat ikzelf stond te maken. Sinds een paar jaar bracht ik ongecontroleerd geluiden voort: ik kraakte, ik fluisterde, ik klaagde.

Niet dat ik opstandig werd. Waarom zou ik? Ik was gewoon verschrikkelijk moe geworden. Die moeheid was voorlopig nog actief - ze klonk - maar ook dat zou binnenkort verdwijnen. Inslapen, wegdommelen zou ik en ten slotte verpulveren zoals met gedane dingen gebeurt. Wie me al langer kende dan gisteren, zag dat ik me daarbij had neergelegd.

Tot ik opgeschrikt werd door een snerpend geluid, kort maar hevig, in mijn buik. Op slag zwaaiden de luiken voor mijn vensters open en ademde ik de frisse julilucht in. Zo vol was die verse lucht dat ik ervan duizelde.

Toen ik mijn blik naar binnen richtte, begreep ik waar het geluid vandaan kwam. Het snerpte niet alleen, het voerde een weeë talkgeur mee van iets wat bewoog en blonk en vrat.

Het was alsof mijn ramen lucht moesten geven aan deze geboorte. Het was zomer en de gordijnen wapperden. In de wieg lag een kolossaal kind. Bijna vijf kilo woog het wicht, en láng dat het was... Uit het grote hoofd keken vanaf de eerste dag twee kogels van ogen, zo noemde Memeeke het: "kogels". Omdat ze zich klaar leken te houden voor lancering. Dat zou het kind meteen na aankomst ook doen: kijken, in de zin van afvuren van blikken en niet van ontvangen van beelden.

Het keek door mijn muren en de behangpapieren lelies die ze ontsierden. Met beige velours hadden ze mijn binnenwand bekleed. Ik voelde me een veelkamerige maag die zich, dik aangepapt, moest beschermen tegen het zuur dat in huis oprispte. Het hoefde niet. Niets rispte op. Hier heerste een vrede die je met verveling zou kunnen verwarren. Het was leven onder een theemuts, waar ik, met mijn muren uit een vorige eeuw, de banaliteit omhelsde. Al voelde ik mezelf een stuk minder banaal dan mijn huidige gasten.

Ik bleef wat ik was: het generatiehuis dat, eenmaal verlaten, scherp bleef hangen in de herinnering en waar de oud-bewoner in het bijvoeglijk naamwoord dat hij bij mij verzon, zijn eigen afkomst legde: grootouderlijk, ouderlijk. Terwijl ik vooral oud was, in de zin van gewend geraakt aan de dingen en nooit meer verwonderd kunnen zijn. Ik werd "een nest" genoemd en op vaalbruin gekarteld fotopapier betast, herinnerd. Of op een andere plek plotseling geroken: de boenwas die de dambordtegels in mijn hal glazuurde en glijbanen maakte onder pas gewassen wollen kindersokken.

Kinderen. God had me de voorbije jaren een beetje gespaard voor dat kortademige nieuwe leven, dat tegen je opsprong als een jonge hond. Hoeveel baby's had ik hier zien baren... een dertigtal? Allemaal variaties op het thema lelijkheid, want deze familie had zich wat de voortplanting betrof, in het aantal en de lucratieve gevolgen gespecialiseerd, niet in de esthetiek. Creaties kon je de nazaten niet noemen, het waren creaturen. Ze waren geworpen met als doel het familiale ondernemerschap op peil te houden, kortingzegels te bedingen, verplichte legerdiensten te ontlopen en studiebeurzen op te maken.

Gemiddeld zes kinderen per generatie waren er, en als ze eenmaal volgroeid waren, rendeerde het oir, dat laag scoorde in het aantal recalcitrante dochters en zonen. Daar bestonden overigens remedies tegen: het internaat bijvoorbeeld, of seizoensarbeid op de bietenvelden in Noord-Frankrijk. Rebellie werd er gehalsrecht, en onderdanig als lammeren sloten de buitensporigen zich na hun alternatieve straf weer bij de familie aan.

Bon, de voorbije eeuw sneuvelden er een paar kinderen onderweg. Twee op het slagveld bij evenveel wereldbranden, en nog eens drie aan hun zwakke gestel - een natuurlijke selectie die uiteindelijk mooi meegenomen was. Omdat het God was die hier via het noodlot zijn onvermijdelijke oordeel velde, werd alles in dit huis vol vrees ondergaan.

Niet echt duidelijk was welke macht hier naast de goddelijke feitelijk regeerde, de pa- of matriarchale. De kinderen huiverden voor beide. Zonder verdere uitleg werd de volgende 'Grote Generatieworp' in handen gegeven van de oudste die onder mijn dak verbleef, de ouders in ruil voor lichte huiselijke arbeid tot de dood ten laste nam en zich op zijn of haar beurt pater of mater familias kroonde van de volgende tak. Alleen de laatste tijd stagneerde het leven. De geboortegolf bleef uit. Memeeke stamde uit een lot van zes en baarde er vier, en haar dochter, die niet de oudste was en niet de lelijkste ook, maar de enige die wou blijven, zou het nog stukken slechter doen. Althans wat het aantal betrof, qua voorkomen kon geen enkele voorganger aan haar eersteling tippen.

Het kind keek door me heen, doorgrondde mij. Ik, die mijn blik op buiten, de ramen, tijdens de julidagen kort na zijn geboorte openhield zodat de zon kon schijnen op dat bed, midden in de kamer. Overdreef ik, was ik misschien ook ingepakt door dit pasgeworpen oranje wonder (een baby is nooit roze)? Hoe dan ook, het scheen mij toe dat daar in het midden van de woonkamer een grote aura glinsterde.

Het babybed werd mijn centrum, te oordelen naar het steeds voorovergebogen stel, de oudere man en de jonge vrouw die tien maanden na hun trouwen maar gebaard had omdat er niets anders te doen viel dan dat. De vorige maanden hadden ze zich vooral in mijn kamer linksboven schuilgehouden; nu hielden ze dag en nacht de wacht beneden, bij de wieg. Te oordelen ook naar het bezoek dat mijn vertrekken in groten getale aandeed en dat met halfopen mond linea recta van de voordeur naar het middelpunt beende om daar "ach" en "o" en "oef" te gaan gillen.

Het kind van zijn kant kraaide niet, het lachte nooit. Het was een mooi maar vrij ernstig ding, dat net als ik het belang dat men in hem stelde niet goed begreep. Ik zeg nu wel hij en hem, maar ik moet zij en haar zeggen. Want de baby was vrouw. Je kon dat betwijfelen als je in het met Brugse kant overspande schommelbed gluurde, maar zodra de babybillen bloot kwamen, bleek het onomstotelijk. Het was een zij, omdat er iets ontbrak. Hier was geen keuze van geslacht gemaakt. Hier had God iets vergeten.

God ja, het moet gezegd: Hij was hier niet enkel in de geest maar ook zeer letterlijk aanwezig. Memeeke verzamelde Hem. Zijn hele levensweg hing aan mijn wanden en bedekte mijn schouwen. Collecties kruisen, wijwatervaten, postuurtjes, tekeningen, beeldekens. Er kwam geen einde aan. En meteen ook goddelijk geringd had ze haar kleinkind, met een 'schapulierke'. De halsketting met engel om dat kwabbige nekje tussen kin en corpus leek het kind meer te verstikken dan te beschermen. Niet dat ik me ermee wilde bemoeien.

Zij déden maar. Alleen voortbewogen door een scenario dat ze perfect uit het hoofd kenden, dat ook ik uit het hoofd kende, omdat van wat erin stond zo veel onder mijn dak was gebeurd. Het leven werd enkel onderbroken door onvermijdelijkheden die door hen werden ondergaan maar door mij niet steeds begrepen.

De dood ondergingen zij bijvoorbeeld, zoals die van buren en verre verwanten. Ze zuchtten bij elke droeve mare, condoleerden mondeling of schriftelijk in de naam van de Vader en de Zoon en haalden meteen een krijtstreeppak en een hoedje met voile uit de mottenballen. Zeer ordelijk bereidden ze zich voor op teraardebestellingen en een beetje opgetogen zelfs trokken ze kerkwaarts.

Neen, doodgaan was hier niet iets wat moeilijk lag, vooral omdat het zich elders voordeed. Het was een verzetje omdat het zeldzaam was. Het sterven had tot slot ook niets beklijvends aangezien het in dit gedecimeerde dorp meestal 'van den ouderdom' was en bijgevolg (al ontging die gevolgtrekking me als ze hier binnenskamers werd gemaakt) 'een bevrijding' werd genoemd.

Een overlijden eindigde ook steevast 'aan de tafel', werd tot boertig feest met als bijkomstige aanleiding het verdriet. Bij de begrafenisdis smolten herinneringen even snel weg als de ijsblokjes in de lauwe martini's, en in de gedaante van ham, kaas en filet américain werd de troost dik op de beboterde sandwiches gelegd.

Tot het mijn laatste bewoners overkwam met het overlijden van dat inwonende schrobbende en soppende oude mens dat altijd zuchtte als ze keek naar de glimmende baby met enkel haar breiwerk om het lijfje; het mensje dat steeds "ochottekes" zei of "met azo ne pa" en dat dan maar weer het stof van de kasten afnam, omdat het nog geen tijd was om de soep op tafel te zetten.

Eten, dat had hier iets godsdienstigs in de zin van dogmatisch. Op maaltijden kon je binnen mijn muren de klok gelijkzetten. Aan tafel gaan, dat had alles van doen met stipt de tijd vermalen.

Ik geloof dat ik afdwaal. Ik wou het eigenlijk over het mensje hebben dat kort na haar vijftigste haar voornaam leek kwijtgeraakt en door werkelijk iedereen Memeeke werd genoemd.

Memeeke was zo krom als een wis. Ze kon nog aan twee dingen ten onder gaan: de ziekte van het vel of die van het been. In wat daartussen zat, het vlees, had de tijd zijn tanden gezet. Helemaal opgesoupeerd was ze door de ouderdom. Deze vrouw, ooit wegens haar vlezigheid een geprezen statussymbool naast haar even weldoorvoede man, bewoog zich nu voort in een fladderende huid die om haar geraamte slobberde als een oude onderbroek zonder elastiek. En hoog op haar schouders torste ze die ransel, die leek te groeien omdat zij kromp.

Memeeke bleef, hoe spookachtig haar schaduw zich ook strekte, een vrouw van een figuurlijke omvang. Ze behield ook een beperkt historisch belang, niet alleen om wat ze met haar man op het mercantiele vlak verwezenlijkt had, maar vooral omdat zij er een punt achter had gezet.

Het gebeurde op een ochtend in september. De Baas reutelde nog na van zijn vierde en fatale hartaanval. Ze veegde het witte schuim van zijn lippen net als de harde spuugvlokken in zijn mondhoeken die gelig kleurden. De oogleden die ze dichtduwde en zijn handen die ze in bidstand vouwde, gingen steeds weer open. Ze tastte in de zak van haar gilet, vond vier wasknijpers en hechtte de pink en middelvinger van zijn rechterhand aan de huid van zijn linkerhand vast. Alleen die ogen staarden verder. Hij keek haar met glazige blik na toen ze zich omdraaide en naar het magazijn vertrok, waar ze met gestrekte wijsvinger de dreunende machines stopzette. Daarna slofte ze naar het kantoor, pakte het boekje met commandes en borg het op in de onderste lade. Schuivend trok ze door de hal naar de achterkeuken, waar ze van de haak haar nylon schort nam, die aantrok en aan de grote inmaak van de oogst uit de tuin begon.

Sindsdien deed ze niets anders dan augurken schrobben, in azijn met peperbollen laten ploffen en in weckflessen achter glas zetten. Ook pruimen, erwten, boontjes, krieken en witte selderij volgden.

Stuntelig trokken ze het dode lijf naar boven, de slome schoonzoon en zijn vrouw. Het kind, doorweekt van Memeekes bloed, keek in de hal geamuseerd toe. Een spelletje, scheen het haar toe, dat gesleep over de treden, begeleid door een aanhoudend gehum en gehijg. Eindelijk leven in de brouwerij, moet ze gedacht hebben. Het was waar. Dit sterven was pure actie. Het deed iets bewegen, vloeien. Het bracht een wirwar van handelingen op gang die ook mij deed rillen van pure appetijt.

Bij haar ouders paste op dat moment meer de beschrijving angstig ondergaan. "Het was allang te verwachten", zeiden ze zwoegend en ze voegden er meteen aan toe "maar op zo'n manier...", omdat ze de dood ondanks hun draaiboek niet begrepen - of beter: het tijdstip en de plaats die deze dood gekozen had. En daarna galmde in mijn gewelven hun simultaan uitgesproken zin: "Wat zullen de mensen wel zeggen." Dit was de reden waarom ze het lijk, leeggebloed als een ritueel geslacht schaap, naar het gelijkvloers sleurden: de kelder gaf een minwaarde aan Memeekes einde. Zo'n duik, zo'n letterlijke ondergang, kon toch niet voor een mens dat een half heiligenleven had geleid. Wég moest ze uit mijn souterrain.

In de woonkamer zou de dokter de dood vaststellen, niet in mijn beschimmelde bunker tussen de mirabellen die in eigen sap hun inmakers en andere bezoekers hingen te beloeren. Ik kon ze niet helemaal ongelijk geven, dit lijkslepende koppel dat in al hun ontzetting vergat verdrietig te zijn.

En toch, tijdens hun actie huiverde ik even, wat op de hoge houten schappen van de kast vol bokalen het glas deed trillen. Van tingeltingel ging de afscheidsode aan de schepster van al dat eten op de plank - en schepster was hier letterlijk te nemen. De glanzende pruimen regen zich aaneen in een soort wiegende wals. Bewegen deden ook de peulen, de appelmoes, de ingelegde peren en de jam rabarber-appelsien '61. De witte bonen in tomatensaus die achter verjaarde etiketten bokkend wachtten, waren de enige die niet meededen aan de macabere fruit- en groentedans.

Wat die ochtend gebeurd was, was de uitvoering van iets wat al langer om de hoek wachtte. Memeeke kromde zich sinds de geboorte van die kleine nog meer naar de aarde toe, met de vraag erin te worden opgenomen. Ze had het kort na de bevalling tegen de armleuning van haar ligstoel zitten prevelen: "Nieuw leven in huis is oud leven buitenkuisen." Het was een belegen gezegde van haar eigen moeder dat nergens op sloeg maar dat ze zich voorgenomen had uit te voeren. Omdat het maar niet gebeurde, gaf ze de lotsbestemming een zetje. Ze at steeds matiger, liep zonder wollen trui in de mistige tuin om zes uur 's ochtends bevroren preien uit te steken en inhaleerde 's nachts in mijn vochtige kelder stiekem een paar sigaretten. Een longontsteking leek haar het gunstigst - "dat was een teer punt in de familie."

Niemand wist waar ze mee bezig was, niemand merkte het op, met uitzondering van mijzelf natuurlijk, die haar in al mijn hoeken bespiedde en er eerlijk gezegd mijn kot in had.

Een paar jaar later pas lukte het haar en, toegegeven, het was mede door mijn schuld. Of past hier beter het woord 'hulp'? Morsdood lag ze op een vroege ochtend onder aan mijn afgesleten trap. Mijn treden waren glad want vochtig in die schimmelige herfst. De trap was al langer aan herstelling toe, maar dat had die oude schoonzoon van Memeeke niet gezien. Die kwam nooit in de kelder. De paar biertjes die hij dronk, werden door de vrouw of schoonma naar boven gehaald.

Het was het dochtertje dat Memeeke onder in de kelder ontdekte. Ontsnapt uit het spijlenbed, schuivend langs de gangwand en wankel op haar benen van jam, had ze op een vroege ochtend de kier onder de kelderdeur ontdekt. De reet donkerte lonkte. Tergend zoog hij haar aan, die prachtige ontsnappingsweg uit haar leven van betutteling, één-woordbevelen en kleffe natte zoenen. Ze was geen wezen maar een ding dat gekneed en tot moes geplet werd zoals de tuingroenten die, in allerlei combinaties en steeds in onvaste vorm, 's middags op haar bord werden gekwakt.

De keldertrap. Dit was 'm, de uitdaging, en dus schoof ze glijdend op haar poep in het halfduister naar omlaag. Het meisje dat zelden iets zei, sprak voor het eerst een heuse volzin uit bij het aanschouwen van de plas bruin bloed waarin haar grootmoeder marineerde als een verstorven konijn in een flinke scheut trappist.

Ze zei: "Ze is dus dood." Vooral dat "dus" had me verwonderd. Welk kind van drie gebruikt gevolgaanduidende bijwoorden, zeker op een hachelijk moment zoals dit er toch een was. Tenzij het wicht net als ik wist dat Memeeke met haar lichaam in een vraagteken naar de grond reikend zo driftig haar eindigheid betrachtte. In dat opzicht was dat "dus" geplaatst.

Het meisje bleef lang bij het lijk beneden en werd er een dik uur later gevonden. Bewusteloos, dacht de moeder, die meteen een hysterische kreet ontwikkelde.

Memeeke, ze had het zo vaak gezegd tegen niemand in het bijzonder maar steeds in mijn aanwezigheid, wilde haar dood wellicht anders, had ze de keuze gehad. Ze vond dat hij haar in haar slaap moest overmannen, gaf toe dat ze voor hem aan een acute ziekte ten onder wou gaan. Als het maar snel ging.

Dat ze hem zelf een handje wilde toesteken, wat ik opgemerkt had, verklapte ze niet. Eén keer en heel eventjes maar, lichtte ze die sluier op, toen ze zich eind december na een radioprogramma over de koude oorlog iets liet ontvallen. Het klonk onnozel. Ze vertelde haar dochter dat indien de kernbom werd gegooid en iedereen en alles van de kaart was geveegd, zij onder de trein zou springen. Het lachsalvo dat volgde had ze nooit begrepen en dus had ze er sindsdien over die doodsdrift maar het zwijgen toe gedaan.

Maar ze bleef zichzelf doodsmodaliteiten wensen, meer dan dat ze levenskwaliteit nastreefde. Zo zei ze later bijvoorbeeld, tegen zichzelf: "Als het even kan, wil ik graag een hartaderbreuk, dáár, in mijn chaise longue, na het eten" (vooral ná; had ze het geijkte tijdsverloop in huis niet in de war hoeven te schoppen). "Zo wil ik gaan, van: ik zet mij neer en boem patat, gedaan." Of, nog een aanlokkelijk einde: "Zoals de gebuur, een toeval krijgen en neervallen tussen de spruiten in de tuin."

Een toeval, het woord alleen al.

Hoe dan ook, het trapgat als hefboom naar het hiernamaals was er nimmer bij geweest. Toch vond ik dat ze van geluk kon spreken wat de uitvoering van haar finale betrof. Haar wensen waren op z'n minst ten dele ingewilligd. Het sterven was acuut geweest, boem patat. Memeeke was overmand. Ze werd niet op één maar op een veelheid van breuken getrakteerd en hoewel niet in slaap was ze een somnambule op het moment van haar afreizen.

Eerst het ingedeukte hoofd, dan de ontwrichte schouders, de bult, de holle buik, de geschaafde knieën en ten slotte de voeten kwamen naar boven. Memeeke werd in badhanddoeken gewikkeld en boven een plastieken vuilniszak op de sofa gelegd. Schoonzoon belde plechtig naar de huisarts (voor de vaststelling, een eerste stap naar de erfenis), naar Pompes Funèbres Van Slok (om het vuil op te halen) en de Spaar- en Lijfrente Kas (met de vraag - hij had een volmacht op Memeekes spaarkous - een paar duizendjes klaar te leggen "voor de kosten"). Bij dat laatste telefoontje had hij heel even onthutst gekeken. Schaamde hij zich plotseling voor zijn inhalige gedrag?

Ik had hem door. Hij voelde zich meester over de situatie, over de achterblijvende huisgenoten en ook over mij, het huis. Na het vertrek van Memeeke zou ik eraan moeten geloven. Daar kon je donder op zeggen. Dat had ik in het verleden al zo vaak meegemaakt. Na een sterfgeval binnen mijn muren volgden steevast Grote Veranderingen die, omdat ze hier niet in de geest konden gebeuren, dan maar in mijn stenen werden gehouwen.

Ik voelde hoe mijn stramme muren al verzet aantekenden tegen het nakende geklop en geboor. Want ik zou opgekalefaterd worden, opnieuw behangen, uitgebouwd of inwendig gesloopt en in het slechtste geval - ik wil het nog niet verklappen maar in die richting moesten we beginnen te denken bij dit uitstervende geslacht - verlaten.

Niet dat ik daarover hysterisch wou doen, maar toch: een huis op leeftijd heeft geen schik in nieuwigheid. Bij dit stelletje inmakers van fruit en groente, van wie de voorvaderen mij ooit opgetrokken hadden, kende ik de situatie. Ik kon hier een en ander overzien en me er vrolijk over maken.

Ik wist niet of ik nog tegen een nieuwe bevolking opgewassen was.

Een oude boom verplant je niet, een oud huis herbeman je niet.

Memeeke verliet mij op haar sterfdag als crimineel, helemaal verzegeld. "In de loden bak", gebood de arts, die de huilebalkende Van Sloks de deur had gewezen en de politie opgetrommeld. "Onnatuurlijk overlijden, kneuzingen, inwendige bloedingen en breuken met de dood tot gevolg", mompelde de man. Mijn bewoners hadden hem eerst stom aangekeken en waren toen door de knieën gegaan, toonden de kelder, de plas bloed waarop reeds een dun huidje dreef en het in de hele heisa bijna vergeten kind met bevlekt hansopje. Ze smeekten de dorpsdokter om alles blauwblauw te laten. Ze waren toch al jaren - tegen betaling - door hem beluisterd, betast en genezen? Had wijlen zijn vader het ook niet door de vingers gezien toen hun knecht een beetje ongelukkig in de silo gleed en een paar uur later paars als een aubergine uit de graankorrels werd gevist?

Er was geen lieveheren aan. Ze konden jammeren dat ze er stijf van stonden: de dokter verkoos wet boven traditie. En dus werd Memeeke die ochtend onder politie-escorte, in een sfeer die ik me als mistig herinner, richting lijkenhuis en autopsie afgevoerd.

"Wat zullen de mensen wel zeggen." De zin werd niet uitgesproken. Hij hing in de vitrage van het woonkamerraam waarachter twee bleke gezichten naar de wegrijdende lijkwagen keken. En toen het meisje opmerkten dat blootsvoets op de deurdrempel in de kou haar grootmoeder uitbundig uitzwaaide. Ze kreeg een gepaste lel om de oren. Geen uitleg.

Enkel een bevel: "Pantoffels!"

Had ze nog geleefd, Memeeke, ze was woedend opgestaan en had haar kromme wijsvinger naar die dochter en haar lapzwans uitgestoken. Ze had "laat dat kind nu toch met rust" gezegd en het aan de hand naar binnen geleid, naar de bijkeuken. Ze had het versgebakken koekenbrood dat op het ovenrekje lag, gepakt. Ze had aan de onderkant met de punt van het broodmes overlangs een kruis getekend en er dan een dikke korst afgesneden. Ze had gezegd: "Jij eet dat graag, hè, de korst." En ze had de goede boter uit de kelder gehaald en die op de richel van het kolenvuur gezet tot die begon te smelten. Ze had het klepje van de zoutbak opengezet en er met haar grote hand een werkelijk gigantische greep in gedaan en de korrels in de porseleinen botervloot gestrooid. Dan was ze met een vork in die smurrie beginnen draaien, en geproefd had ze of het zo zout genoeg was. Dan had ze de broodkorst niet ingevet maar dik belegd met boter. En die homp in de handen van het kind gedrukt en gevraagd: "Is het zo goed?" En daarna had ze aan de rechterzijde van de kachel het luikje geopend en de stoel ervoor gezet. "Doe die pantoffels uit", had ze bevolen en een handdoek rond de voetjes gelegd en die in de warme nis geschoven. En als de oren van het meisje vuurrood werden, had ze er heel hard over gewreven tot er tranen in de ogen van de kleine kwamen, die het vertikte om te wenen en het brood met haar kleine tandjes weer tot deeg kneedde.

Intussen was de dochter misschien wel binnengekomen en had ze gemeend dat Memeeke het kind verwende, waarop ze manu militari door de oude uit de keuken was gewerkt met de toegift dat "iemand het kind moest gaarne zien" en "dat ze het maar niet had moeten baren als ze er niet goed kon voor zorgen".

Het meisje zou een en ander woordloos hebben on-der-gaan en het van kwaadheid bevende Memeeke bij de arm hebben genomen en haar naar de schommelstoel geholpen. Waarbij het mensje onderweg de kleine arm zou hebben losgeschud en gezegd: "Jij hoeft mij niet te leiden, ik ben geen hond." Dan zou ze in haar stoel de kleine op haar schoot hebben getrokken. Zonder elkaar aan te raken of te praten zouden ze daar hebben gezeten omdat het samen zwijgen volstond.

Een halfjaar voor Memeeke stierf, was het mij trouwens opgevallen hoe die twee mensjes op een vreemde manier verkleefden. Het was alsof ze in de afwikkeling van hun leven - Memeeke neeg, het meisje steeg - elkaar ergens tussen krimp en groei waren tegengekomen en rond dat midden bleven zweven.

Boven het hoofd groeien was geen optie, dat had Memeeke op een goede dag ten strengste verboden. Toen het kind op een stoel naast Memeeke bij de wasdraad stond om de knijpers aan te reiken en zich strekte toen Memeeke even boog, riep ze: "Mémé, kijk, ik groter." Het oude mens reageerde oprecht boos.

"Jij", zei ze en ze hapte even. "Jij mag nooit boven mijn hoofd groeien."

Daarna was het kind met stoel en al, ik weet niet of het moedwil was of toeval, tegen de grond gekwakt. Ze gaf geen krimp maar zette, wrijvend over haar bloedende ellebogen, de stoel terug bij de werktafel onder het afdak.

Het kind begon daarna steeds slechter te eten. "Het is een fase zeker?" vroeg de dochter op een dag aan Memeeke, maar Memeeke zweeg.

Het zelfgebakken koekenbrood was ongeveer het enige wat die kleine nog door haar keel kon krijgen.

'Sterk Water' wordt uitgegeven bij Meulenhoff en ligt vanaf volgende vrijdag in de boekhandel.

'Ik was van het pyknische type. De schaduwen die ik wierp, waren kort en log. Binnen voelde ik een beetje koud aan, maar wie aan de buitenkant in het opgeschoten gras ging zitten, voelde de klamme warmte die mijn muren jarenlang opgeslagen hadden, in zich optrekken''Een oude boom verplant je niet, een oud huis herbeman je niet'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234