Dinsdag 11/05/2021

Stéphane Delfosse verliet een maand geleden als laatste brandwondenslachtoffer het ziekenhuis

'Uiterlijk was er niets aan me te zien. Mijn kleren waren nog intact, niets was verbrand. Ik heb nog altijd dezelfde portefeuille als voor het ongeval, met mijn oude rijbewijs. Ik ben gesmolten zoals een pak chocolade dat te lang in de zon heeft gelegen: de verpakking nog heel, maar vanbinnen een stroperige brij'

'Vroeger maakte ik me vrolijk om anderen. Nu hoef ik maar in de spiegel te kijken'

'Ze zeiden dat ze mijn hand in mijn buik hadden genaaid, om te genezen. Ik begreep het eerst niet. 'Jullie hebben wát gedaan?', vroeg ik.' Toen Stéphane Delfosse in november vorig jaar, vier maanden na de gasramp, uit zijn kunstmatige coma werd gehaald, moest hij aan een nieuw, gehavend lichaam leren wennen. Pas sinds vier weken is de 37-jarige politie-inspecteur weer thuis. 'Ik zou graag weer een linkeroor willen, maar een nieuwe linkerhand hoeft niet zo meteen.'

Ath

Van onze verslaggeefster

Sue Somers

Hij zou over tien minuten weer op het bureau zijn, zo had hij zijn zonechef langs de telefoon laten weten. Het ging om een industriepark, er hoefde geen verkeer te worden omgeleid. Het was vrijdag 30 juli 2004, voorbij half negen 's morgens. Hoofdinspecteur Stéphane Delfosse van de federale politie van Ath was met twee collega's uitgerukt naar wat om iets na achten was gemeld als een gaslek in Gellingen. "We vroegen de brandweer of we van nut konden zijn, maar zij hadden de zaak onder controle. Eigenlijk hadden wij daar niets meer te zoeken. Het is toen dat ik de zonechef heb gebeld om te zeggen dat alles in orde was, dat we eraan zouden komen."

Was hij vroeger ter plaatse geweest, dan had hij nooit in de vuurzee gezeten. Had. Was. Zou. Het doet er allemaal niet meer toe. Opeens was er die oorverdovende knal. "Mijn eerste reflex was mezelf in veiligheid brengen voor de rondvliegende brokstukken. Ik ben achter de muur van een gebouw gaan staan, maar toen kwam de hitte. 'Als ik hier blijf, ga ik dood', dacht ik. Toen ben ik beginnen te lopen. Eerst viel ik, alsof iemand me tegenhield. Ik ben de weg opgerend en daar is een automobilist gestopt. Hij heeft me naar het ziekenhuis in Ath gebracht."

Stéphane Delfosse heeft het zich vaak genoeg afgevraagd. Heeft er ook alle tijd voor gehad, tijdens die elf maanden in het brandwondencentrum van Neder-over-Heembeek. Waarom hij? Waarom niet zijn collega's, die bij hem waren? Hij was toch niet beter dan de rest? "We stonden met een paar mensen in een kring van 20 meter rond de pijpleiding toen die ontplofte. Ik ben de enige die nog leeft. Ergens voel ik me daar schuldig over, het voelt niet juist."

"Ik ben niet gelovig, dus ze moeten mij niet komen vertellen dat iemand me heeft gespaard. Het was gewoon geluk, toeval. Sinds mijn ontslag uit het ziekenhuis ben ik aan mijn tweede leven begonnen en ik profiteer er zoveel mogelijk van. Als ik straks zin heb om met mijn vrouw de stad in te gaan, dan doe ik dat gewoon. In korte broek. De mensen staren maar, het kan me niet schelen. Ze mogen zelfs foto's nemen. Vraiment, je m'en fou."

Vroeger was hij impulsief. Zat bij de stoere flikken van de drugsrecherche. Huiszoekingen, achtervolgingen: actie, dat moest hij hebben. En als het niet vlug genoeg ging, dan joeg hij zich op. "Soms over de grootste onbenulligheden. Nu ben ik veel kalmer, kijk ik rond mij. Als ik in het ziekenhuis word verzorgd door een mooi meisje, dan sta ik het mezelf toe daar dubbel en dik van te genieten."

Plagend kijkt hij naar de kinesiste die hem behandelt. Het is tegen de middag en Stéphane is voor zijn dagelijkse 'fysio' in het ziekenhuis van Ath. Een jonge kinesiste duwt Stéphanes armen achter zijn hoofd. Een pijnlijke grimas trekt over zijn gezicht, dat vreemd genoeg min of meer gespaard is gebleven. De rest van zijn lichaam ziet er nogal gehavend uit. Benen, armen, rug, buik: als de vlammen er niet aan zijn geweest, dan het scalpel om verse huid te transplanteren. Het donkerrode van de brandwonden contrasteert nu fel met het lichtroze van de schraapsessies.

"Toen ik na de ontploffing in het ziekenhuis van Ath aankwam, heeft een dokter mij onmiddellijk doorgestuurd naar Neder-over-Heembeek. Er stond een helikopter klaar, alles moest snel gaan. Ik herinner me er niets van, maar naar het schijnt was ik al die tijd bij bewustzijn. Bij mijn aankomst in Neder-over-Heembeek heb ik zelfs nog mijn naam en voornaam aan de receptie gegeven."

"Uiterlijk was er niets aan me te zien. Mijn kleren waren nog intact, niets was verbrand. Ik heb nog altijd dezelfde portefeuille als voor het ongeval, met mijn oude rijbewijs. Ik ben gesmolten zoals een pak chocolade dat te lang in de zon heeft gelegen: de verpakking nog heel, maar vanbinnen een stroperige brij. Ik ben ook niet bang geworden van vuur, dat heb ik niet eens gezien. Het is de hitte. Ik heb in meer dan duizend graden gezeten, ik weet hoe de hel voelt."

Vijfentwintig operaties heeft hij intussen achter de rug, en er zullen er nog volgen. "Ik zou graag weer een linkeroor willen, maar een nieuwe linkerhand hoeft niet zo meteen", zegt Stéphane, terwijl hij zijn handen monstert. Rechts verloor hij anderhalve vinger, links eindigt zijn hand in een stompje. Zijn vingers waren te verbrand, de chirurg heeft ze afgezet. Wat overbleef werd in zijn buik genaaid, om sneller te genezen en huid te kweken. Allemaal toen Stéphane nog in coma lag.

"Ik begreep het eerst niet, toen ze het mij nadien uitlegden. 'Jullie hebben wát gedaan?', vroeg ik. De gedachte dat ze een gat hebben gemaakt in mijn buik om daar mijn hand in te steken... Ik wilde het gewoon niet weten. De chirurg heeft nog voorgesteld mijn tenen te amputeren en die aan mijn linkerhand te zetten, maar dat heb ik geweigerd. Mijn voeten zijn een van de weinige lichaamsdelen die nog intact zijn, dat wil ik voorlopig zo houden."

Na een jaar is Stéphanes hoofd het enige wat nog is ingepakt, om het gat te beschermen waar ooit zijn linkeroor zat. "Vroeger maakte ik me vrolijk om anderen", grijnst hij. "Nu hoef ik maar in de spiegel te kijken." Zwarte humor, maar toch steekt het. Stéphane zou opnieuw willen pronken. "Vroeger was ik koket, liep ik er altijd goed uitgedost bij. Nu moet mijn vrouw met zoiets over straat", zegt hij, en steekt zijn afgeschraapte benen vooruit.

Met wat chirurgische hulp wil hij ook weer haar op zijn hoofd krijgen. Zijn vrouw hoeft tenslotte niet eeuwig tegen een kale vent aan te kijken. "Ik probeer haar aandacht voor mijn lichaam af te leiden door fier rond te lopen, niet ineengekrompen. Dáár zit nu mijn trots. Maar het oog wil ook wat, dat begrijp ik wel."

De reactie van zijn kinderen vreesde hij nog het meest. Lena, de jongste, was pas vijf maanden toen haar vader levend werd geroosterd. "Ik herkende haar niet meer toen ik uit het coma kwam. Nooit had ik haar uit een groep kinderen kunnen halen. Maar ze heeft me onmiddellijk weer aanvaard. Soms raakt ze mijn littekens aan, en gaat dan naar haar huid, alsof ze het verschil wil aantonen. 'Papa heeft boem gedaan', zeg ik dan, en daar moet ze hard om lachen." Ook Cyrielle, de oudste, schaamt zich niet voor haar vader. "Ze zegt dat ik altijd even mooi zal blijven. Ik vind haar vreselijk wijs voor iemand van zeven."

In Neder-over-Heembeek dacht Stéphane nog dat hij eeuwig ingepakt zou blijven. Een monster, dat voor altijd afhankelijk zou zijn van anderen. "Toen ik wakker werd, kon ik niks. Ik lag daar maar, alles werd voor me gedaan. Ademen, eten, wassen. Ik kon me zelfs niet krabben als ik jeuk had. Een plant, quoi. In totaal vegetatieve staat. Praten ging ook niet, vanwege het buisje in mijn keel dat me hielp te ademen. Ik heb er ooit eens anderhalf uur over gedaan om duidelijk te maken dat ik mijn tanden wilde laten poetsen. Toen heeft het verplegend personeel een groot bord opgehangen aan het voeteneinde van mijn bed, met alle letters van alfabet. Zij wezen aan, ik knikte als het juist was. Niet kunnen spreken, dat was verschrikkelijk voor een babbelkous als ik."

Langzaam kwam ook het besef van die dertigste juli. Dat hij een collega verloren had. Dat vijf brandweermannen dood waren. "Het personeel van het brandwondencentrum heeft me geweldig goed opgevangen. Zo beschikbaar, zo menselijk. Ze nemen voor alles hun tijd. Als ik een uur aan een stuk huilde, dan bleven ze een heel uur lang naast me zitten. Ze zijn ook altijd blij wanneer ze me terugzien. Voor hen ben ik een geslaagd geval, iemand in wie ze veel tijd hebben gestoken en die nu weer rondloopt."

Stéphane beseft dat hij nog een lange weg te gaan heeft. Sinds vier weken is hij weer thuis, waar hij zich in zijn eentje probeert te redden. Zijn vrouw gaat uit werken, hij doet het huishouden en zorgt voor Cyrielle. "Lena, de jongste, gaat nog naar mijn schoonouders. Ik ben bang dat er iets met haar gebeurt, dat ik in nood niet snel genoeg kan helpen. Ik heb elke aanpassing in mijn huis geweigerd. Daar word je toch maar lui van. Alles wat ik nu doe, gaat veel trager. Eten maken, douchen, mezelf aankleden, het ziet er allemaal wat acrobatischer uit, maar het lukt."

Over de ramp wordt in huize Delfosse niet veel gepraat. Stéphane heeft er wel video's van, maar voorlopig liggen ze nog onaangeroerd bij de tv. "Ik praat er alleen over met mijn collega, om te weten wat er met onze derde man is gebeurd." Stéphanes adem stokt. Hij slikt en kijkt weg. "Iedereen wil altijd maar weten hoe het met mij gaat, hoe ik alles verwerk. Hoe ik mij ga voelen bij de herdenking. Maar ik leef nog, om mij is het niet te doen. Het gaat om de jongens die erin zijn gebleven, en om al die andere brandwondenslachtoffers. Het is voor hen dat ik spreek."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234