Maandag 25/05/2020

'Stel je voor hoeveel foto's je níét maakt in vijftig jaar'

'De mooiste foto's worden niet gemaakt', 'ik had weinig geduld', 'ik werkte te snel', 'voor de deur van Picasso staan en niet durven aanbellen, that's me'. Herman Selleslags glipte de wereld binnen met zijn toestel, stond meer tegen de wand geplakt dan in het centrum, en net daar viste hij zijn parels op. Terugblikkend op zijn oeuvre relativeert hij zich kapot. Op het gênante af. Terwijl de man, Humo-fotograaf en zo veel meer, vijftig jaar lang uit de kunst fotografeerde - de groten en kleinen der aarde - een staatsprijs won en volgende week retrospectief te bekijken is in het Antwerpse Fotomuseum.

Door Marijke Libert Foto Stephan Vanfleteren

In de woonkamer liggen de drukproeven voor het boek, de gids bij de tentoonstelling die volgende donderdag opent in het Antwerpse Filmmuseum. Schoonheid, actualiteit en journalistiek, dit alles tijdloos bijeen in een museum. Maar Selleslags haalt de schouders op. We bladeren, kijken, wrijven met hem mee over drukproefpagina's, foto's.

* Hotel Belgica aan het Noordstation

* Jerry Lee Lewis in New York met

slapende hond

* Jess and James in 1965

* Roger van Hool en Rita Renoir

* Sandy Shaw, blootsvoets

* John Lennon

* Mick Jagger

* The Ramones!

Selleslags: "Hier ben ik redelijk tevreden mee. The Ramones waren toen nog nooit gefotografeerd. Het is hun allereerste foto. Uit 1976. Marc Didden hoorde hen op de radio, belde naar de platenfirma. Bleek dat het duo repeteerde in een studio aan de Veertiende Straat, altijd vanaf één uur 's nachts. Wij daarheen. Ik lokte hen naar buiten, ze wilden eerst niet. "Too dangerous." Na wat aandringen lukte het toch. En daar stonden ze, bang kijkend naar de overkant. Je ziet het op de foto, ze scheten bijna in hun broek. De harde rock-'n-rollers. Ha!"

Geluk, toeval, tijdsgewricht, het zat u wel mee.

"Ach, misschien wel. En toch dacht ik de hele tijd: ik mis iets, misschien is er om de hoek iets veel belangrijkers bezig. Ik weet nu: er is niets aan te doen. Zoals er niets aan te doen is dat je ooit wordt vergeten. Ik heb er dan nog zelf voor gekozen om vergeten te worden. Toch hoop ik in stilte dat ik het niet word. Het is zo dubbel. Dat is zoals zeggen: 'Ze hoeven niet te bellen voor een opdracht, ik doe het toch niet meer' en tegelijk denken: 'Shit, ze bellen niet'."

Uw werk komt nu in het museum terecht, dat betekent dat er een soort eeuwigheid in schuilt. Terwijl u net het leven, de vluchtigheid moest vangen.

"Maar finaal blijft het leven vluchtig. Onderweg leggen we af en toe een beeld vast en dat is dat. Ik vraag het me ook af, hoor: worden foto's die in een museum hangen iets anders? Misschien legt dit werk ook getuigenis af van wat voorbij is. De huidige pers is niet zo geïnteresseerd in dit soort fotografie, het meer humanitaire bijvoorbeeld. Dat heeft afgedaan."

Waar ontstond de drang om fotografisch te gaan inventariseren?

"Ik heb nooit een opleiding in die richting gevolgd omdat er geen scholen voor bestonden. Mijn vader was fotograaf. Ik ben er een beetje ingerold. Dat was pure industrie bij ons. Wij fotografeerden onder meer voor Lustrerie Massive. Interessant hoor, die technische fotografie, daar leer je ook veel uit. En het bracht geld binnen. Mijn pa zei, toen ik een jaar of vijftien was: kijk jongen, je kunt met dit beroep je kost verdienen, maar werk niet voor de pers want daar houd je niets aan over. Wat dacht je dat die vijftienjarige deed..."

Weg kroonluchters, daar staat ineens Sammy Davis Junior.

"En dat is nog een mooi verhaal ook. Ik fotografeerde hem ooit in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Na de soundcheck vraag ik om met hem door het gebouw te wandelen. Ik ontdek een soort rommelkamer met, zo zie ik het althans, op elkaar gestapelde tafels en stoelen. Ik fotografeer en merk een tijdje later, de foto voor mij, dat er slechts één stoel op de achtergrond staat. Ergens slaat je geest dus op hol, verandert de foto in je hoofd. Je beseft ook: de foto die je niet maakt, is de beste foto. Je kunt je voorstellen hoeveel foto's je níét hebt gemaakt als je vijftig jaar bezig bent."

U zei ooit: het is mijn onderbewuste dat fotografeert.

"Dat is zo. En de invloeden die binnenstromen, doen mee. In de jaren vijftig, tv bestond toen niet, was ik beïnvloed door die Franse séries noires: harde, lange schaduwen, dramatiek. The Third Man, dat soort dingen."

Moest u veel nadenken over uw onderwerp of net niet?

"Je moet tevoren nagedacht hebben, op het moment breng je instinct en techniek samen. En je bent nooit snel genoeg om een moment te vangen. Ik heb nooit begrepen hoe Cartier-Bresson, mijn grote voorbeeld, het deed. Die klikte en vuurde maar als een mitrailleur en toch stralen zijn foto's zo'n rust uit."

U had dat dubbele: rust en onrust. Op de plaats van actie verbleef u in de coulissen, maar nadien was u weer snel weg.

"Vooraan interesseerde me niet. Ik stond dus dikwijls achter de vedette in plaats van ervoor. En toch, het ging vooruit. Ook letterlijk. In de jaren zestig, zeventig stond ik in anderhalf uur in Amsterdam. Zonder snelweg. Ik had een Jaguar 3.8 S. Ik jakkerde door het leven. Ook naar Cannes in de beginjaren, raasde ik, via de RN7, snelwegen waren er nog niet. Ter plekke was het aandringen om ergens binnen te geraken, maar het lukte. Je erin lullen, eigenlijk is het nog altijd dat wat telt. Ineens stond deze boerenlul in Cannes, zag hij op de alfabetisch gerangschikte gastenlijst van een feestje onder Sagan Françoise Selleslags Herman staan. Ik dacht toen: 'Excuseer? Dus alles kan.' Het is mijn devies gebleven.

"Alles kan. Niet alleen je erin lullen helpt, soms is het best helemaal niets te zeggen. Zoals die keer met Paul McCartney. Toen ik dacht: kus mijn kloten, ik ben naar huis. Twee keer werd ik van een filmset van de Beatles gegooid. Ik was razend, pakte mijn toestel in, wou verdwijnen. Komt McCartney eraan. Hé, zegt hij. Ik antwoord of groet niet, blijf bij mijn fototas zitten, kwaad. Ik dacht: zak. Ik had in drie dagen 27.000 frank aan taxi's, treinen en hotels verspild, dat was een fortuin in die tijd. Hij wees naar mijn jasje, vroeg: where did you buy the jacket. Ik zeg: op de vlooienmarkt in Parijs, wat waar was. Hij weer: I've got the same one, who are you? Ik ben uiteindelijk met hem naar de set gegaan en mocht er foto's nemen. Maar ik heb er wel bij gezegd: ik moet mijn trein van één uur halen. Ik heb hem ook gehaald."

Een ander zou de helft van het rollend materieel van de spoorwegen hebben laten passeren om zo lang mogelijk bij hen te blijven.

"Ik niet. Ik was het zat. Drie dagen voor één job, sorry hoor. Ik heb nooit geduld gehad. Ik wachtte nooit langer dan strikt gezien nodig is."

Vreemd voor de fotograaf, wiens lot veelal wachten is.

"Ik heb mezelf zelden wachttijd gegund. Als iets niet klopte, ging ik om de hoek kijken of het daar klopte. Daarom heb ik ook zo veel gewerkt natuurlijk. En snel, want reportages maken, ach, ik deed het in een half uur."

Snelle Herman, rondrazend met zijn snelle slee. Soms tot vijf opdrachten per dag deed u.

"Dat kon gebeuren, ja. Toen was het tarief nog lager dan nu, dus je moest wel. Pas op, ik vind het geen kwaliteit, geen geduld hebben. Het heeft me een stuk misvormd."

U was wel op prachtige plekken, tussen prachtige mensen, met prachtig resultaat. Stel je voor, van Brian Jones via de Stones, Jimi Hendrix over Lou Reed tot... enfin, iedereen. Tevreden?

"Wat koop ik voor tevredenheid? Ik ben nooit écht tevreden. Je hebt natuurlijk momenten dat er iets door je lijf stormt. Tien seconden. Ook nadien bij het zien van het resultaat gebeurt het weer even. Ik merkte echter dat in de loop der jaren de verwondering wegebde. Ik heb ook nooit hoog opgelopen met de zogenaamde heldenverhalen. Het is veel interessanter om het over mislukkingen te hebben."

Noem er een?

"Een groot minpunt is dat ik te veel schroom had. Zo heb ik ooit voor de deur van Picasso gestaan. In Valoris. Ik heb me omgedraaid en ben weggegaan. Ik durfde niet aan te bellen. Ik dacht: ik ga die man niet storen. Dat is ook mede de reden waarom ik altijd zo snel weg was: ik dacht te storen.

"Het klinkt misschien raar voor een fotograaf, maar die gêne is nooit weggeweest. Ik had het altijd als ik aanbelde voor een opdracht, die flits van: ik hoop dat ze niet thuis zijn. Niet uit luiheid, zeker niet. Gewoon om het excuus te hebben. Zo verbleef ik ooit in hetzelfde hotel als de schrijver Nabokov in Montreux. Daar zat ik maar van nee te schudden. Ik had gelukkig elders van alles te doen, maar het spookte door mijn kop: nu gaan, naar de receptie, vragen om hem te bellen, nee, ik durf niet. Dat laveren tussen vooraan staan en the fly on the wall willen zijn."

Op een dag stopte u ineens met muziekfotografie.

"In 1985 heb ik gezegd: rock-'n-roll, fuck off. Omdat ik ging hyperventileren vlak voor het optreden begon. Dit heb ik nog nooit aan iemand verteld, zelfs niet aan Guy Mortier. Want dat mag je eigenlijk niet doen, toegeven dat je iets niet meer de baas kunt. Beter staat te zeggen: 'Ach, dat interesseert me niet meer.' We kregen toen zo weinig tijd om ons werk te doen bij optredens. Alles moest gebeuren binnen die tijdspanne. Er werd getrokken en geduwd. En ineens, net daarvoor, kwam het op. Hyperventileren. Ik besefte: hier moet ik mee stoppen. Ik was overwerkt, moe, op.

"En ik had het wel gezien. Ook die groepen met al hun pretenties. Prachtige artiesten hoor, daar niet van, maar ze hebben me soms mateloos geërgerd. Neem The Rolling Stones. Puur geluk en toeval dat ik hen zag in 1964 in het Sportpaleis van Schaarbeek. Ze kwamen er aan per helikopter, gingen meteen naar de loge. Ik klopte op de deur. De deur ging open en ik zag Mick Jagger. Ik vroeg of ik foto's kon maken. 'No, get out.' Dat daverde even. Ik had net daarvoor gezien hoe een jonge fan bij hun passage door de gang een mot had gekregen van Keith Richards nog voor de jongen 'Mag ik een handtekening' kon zeggen. Ik heb de bloedneus van die fan getrokken. Ook dat was The Rolling Stones. 'Get out', ik hoor het nog. Nadien ben ik na bemiddeling toch binnengeraakt. Jagger schreeuwde: 'Oh no, it's you again.' Trouwens, een van de laatste nummers van The Stones heet 'It's you again'. De drummer snakte me toe: 'Ik kom toch ook niet naar jouw donkere kamer?' Waarop ik zei: 'Je bent welkom.'"

"Mijn voordeel was dat ik toen de leeftijd had van mijn 'onderwerpen' zeg maar. De muzikanten die ik fotografeerde, vernieuwden echter almaar. Het ging goed toen ik hun broer was, het ging een beetje moeilijker toen ik hun vader was, maar toen ik hun grootvader werd, dacht ik: misschien toch beter gaan babysitten."

Komt er ooit een 'fonds' Selleslags, een écht archief?

"Ach, dat hebben ze me al meer gezegd. Heb ik daar zin in? Nee, ik ben echt amper geïnteresseerd."

Heeft uw werk een bestemming?

"Ik ben geen plannenmaker, nooit geweest."

Wat is uw inhoudelijke analyse na vijftig jaar fotograferen?

"Dat het leven niet te regelen valt. Daarom ook, nalatenschap, fondsen... Als ik dood ben, is dat erg voor mij. Maar zal het voor de rest, tenzij voor mijn dierbaren, zo'n verschil maken? En die fotografie. Phoe. Het heeft me een prachtig leven bezorgd. Zal best. En niet alleen mooie anekdotes. Maar of het die waarde heeft om het richting vereeuwiging te stuwen, ik heb er mijn twijfels over."

Je m'en fous, daar lijkt dit op. U relativeert zichzelf ongeveer de grond in.

"Dat is typisch voor mijn generatie. Pas op, ik ben in de jaren zeventig en tachtig nog naar Parijs getrokken, naar Magnum. Ik kende Martine Franck ginder, de vrouw van Bresson, en Jimmy Fox. Ze zeiden me toen: nice work en please, come over. Ik dacht er nog niet aan. Daar het risico nemen en er hervallen in het leven dat ik hier al tien jaar had meegemaakt, van struggelen, proberen, maar dan in New York of Parijs? J'ai déjà donné, zeggen de Fransen."

Is struggelen dan niet plezant? Niets zo oninteressant als de arrivé uithangen, toch?

"Doe ik ook niet, dat wéten jullie. Ik ben ook niet gearriveerd. In 1962 ben ik ooit doorgezakt met Allen Ginsberg en Gregory Corso. Flink doorgezakt. In Cannes trouwens. Nu, zo'n twintig jaar, later kom ik Ginsberg tegen en zeg ik: misschien herinnert u zich mij niet meer, maar wij hebben in Cannes ooit redelijk zwaar gefeest, met Gregory Corso erbij trouwens. Naast Ginsberg bleek een heel oud ventje te staan dat ineens piepte: 'Hey, I'm Gregory Corso.' Ik vertel dit nu en het lijkt snobisme, maar het is voor mij de perfecte illustratie bij mijn gevoel van so what.

"Ik heb Jean-Paul Sartre gefotografeerd, toen ik 23 was. Mijn jeugdidool. Maar door hem te fotograferen leerde ik dat je niet gebiologeerd mag zijn door roem en door idolatrie alleen. Daar ben je niets mee, de inhoud telt. Die foto's van Sartre zijn nog altijd de moeite, vind ik, maar het is niet de foto met de bewonderende blik. Op het moment dat je iemand ziet, heeft wat hij gedaan of geschreven heeft geen belang meer. Je moet proberen objectief te kijken. Denk ik toch.

"Ik heb Hugo Claus dikwijls gefotografeerd. En Julien Schoenaerts ook. Dat wordt niet makkelijker, integendeel, want je kent elkaar zo goed dat met de kennis over elkaar ook een soort wantrouwen toeneemt. Stel dat die foto's iets willen vertellen wat de mensen nog niet weten. Dan is het niet onterecht dat de persoon in kwestie zegt: hé, dit laat ik niet zien, ik weet dat hij dat laatste af te krabben laagje zoekt. Want hoe je het draait of keert: mooie foto's, daar heb je niets aan.

"De moeilijksten om te fotograferen zijn de schrijvers, bijzonder lastig. Harry Mulisch bijvoorbeeld. Die durft dan ook alles. Ik heb ooit meegemaakt hoe ver dat ging. Luc Coorevits, die nu Behoud De Begeerte organiseert, schoof op een evenement aan de tafel van de schrijvers aan. Mulisch zei: 'Ja maar, het begeleidend personeel kan aan een andere tafel gaan zitten.' Nu, Coorevits stond recht en deed dat. Stel je voor!

"Ik liet me nooit beledigen. Dan was ik meteen weg. Alles heeft zijn grenzen. Zeker in het begin van je carrière gaat men je als puur voetvolk beschouwen. Later trouwens ook nog, hoor. Ik herinner me dat ik binnen kwam bij een politicus en zelfs geen stoel kreeg, laat staan een goeiedag. Bij Jean-Luc Dehaene tijdens een ontbijtinterview: geen ontbijt, geen koffie en geen stoel, en dan zie je de heer Dehaene in 10 seconden een ei naar binnen hobbelen. Ik heb toen gezegd: sorry heren, maar ik ga nu even ontbijten. Hé, fuck you. Een half uur later was ik terug."

Wel opvallend is dat u met uw temperament en uw professionaliteit toch toeliet dat uw prachtige foto's soms op net geen postzegelformaat in Humo werden afgedrukt.

"Ik vind dat een goede foto een verkleining kan doorstaan."

Dat meent u niet.

"Het wordt wel belachelijk als het te klein gebeurt. Nu, ik heb er lang aan gewerkt, overlegd met lay-out en zo, maar je weet: soms kun je er niet tegenop. Trouwens, elke goede hoofdredacteur is een goede manipulator. Die zorgt er wel altijd voor dat je 'je voegt'. Ik zeg dit zonder rancune, hoor, ik ken redacties. Er worden soms toegevingen gedaan, part of the job."

Had u niet meer met uw vuist op tafel moeten slaan? Dat kon toch met uw naam en reputatie?

"Ach, reputatie. Tegenover mensen die weinig geven om fotografie zijn zulke zaken moeilijk uit te leggen. Overigens, ik had wel andere dingen te doen. Eigen projecten uit te werken. Verrijkend was bijvoorbeeld de samenwerking met Herman de Coninck voor het Nieuw Wereldtijdschrift. Hij had het goede fotografische oog, dat van de twijfel. Ik stak liever daar energie in dan in discussies tegen blinde muren. Voor de fotograaf blijft het allerbelangrijkste: ik heb die foto, hij is er en ik kan er zelfs af en toe naar gaan kijken als ik dat wil. Voor de rest zijn de foto's je kinderen. Je moet ze op tijd en stond loslaten. Ze moeten zich maar zelf verdedigen, eenmaal in de wereld gegooid."

U hebt de laatste tijd weer enorm veel zin om ertegenaan te gaan. Te fotograferen.

"Klopt. Alleen, ik heb niet zo veel tijd gehad om dat te doen. Ik maakte wel nog die serie portretten voor de verkiezingscampagne van Patrick Janssens, wat een mooie combinatie was van portretten maken en straatfotografie."

Als u voor de tentoonstelling in revisie door uw oeuvre loopt, wat valt u dan het meeste op?

"Wat je ziet, meer dan je eigen evoluties, is hoe de wereld veranderde. Hoe het licht veranderde. Als je nu in de stad loopt, zie je reflecties aan de lopende band. Omdat het glas dubbel is geworden en anders weerkaatst dan vroeger. Omdat er meer spiegelglas is. De Keyserlei om vijf uur 's avonds als de zon schijnt, is één zee van reflecties. Dat bestond vroeger niet.

"Ook mensen veranderen: wie ze zijn, hoe ze doen. Ik zal jullie straks mijn foto tonen van Claudia Cardinale met pruilmondje. Uit 1962. Dat was ook het mondje van Brigitte Bardot en van alle meiden toen. Elke tijd heeft zijn bewegingen, kleding en ook houding. Mensen vandaag zitten er anders bij, hebben een andere blik. Ik zie dat op de tram: mensen kijken niet meer zoals vijftien jaar geleden. Ze kijken meer naar binnen, minder door het raam of naar elkaar. Als ze 's avonds thuiskomen, zetten ze de televisie op en kijken ze naar de wereld, maar op de tram zien ze amper wat langskomt, geen interesse. Dat is ook het probleem van de fotografie, denk ik. Ik zag vroeger meer belangstelling."

We besluiten ons gesprek, alweer hangend boven tafels vol afdrukken, teksten en contacten. Van de ene verbazing in de andere vallend om de tijd die Herman Selleslags omkapselt, van de jaren zestig tot nu en terug. Het is iets. Af en toe dwarrelt een zinnetje van hem neer, of geeft hij een indruk. Vooral echter bladeren en kijken we, in een soms gewijde stilte.

Om dan ineens weer wat vlijmscherpe zelfkritiek te horen. "Kijk, Stephan, dat valt me op aan mijn foto's, dat ik er links een stuk van kan wegsnijden, alsof er altijd links te veel is wat niet hoeft. Te veel vlees."

Hij toont ons ineens een indruk van zijn andere eeuw, toen: een foto met André Cools, Guy Cudell en Willy Claeys erop en onderin een vrouw die bijna devoot naar Cools kijkt. "Terwijl dit beeld tegelijk de neergang van het socialisme inluidt", mompelt de maker.

Dan een synagoge, baardjes en hoeden en kopjes bijeen, alle met vlijmscherpe doordringende blik. "In het hart, de synagoge. De deur stond open, ik ga binnen, neem een keppel, ga naar voren en fotografeer, ga weer weg. Niemand vroeg me iets."

Ook een mooie: voedselbedeling aan het Centraal Station. Herman weer: "Ach, de fotograaf is een profiteur, hij gebruikt omstandigheden."

En dan Lernout en Hauspie in 1997, nog slank en ongehavend, glorie op het gezicht. Of een nog prille mevrouw Ike Turner, in een etablissement in het Waasland, voor ze dé Tina werd. En Dalida, Germaine Greer, Jimi Hendrix...

In de bibliotheekkast liggen slordig gestapeld vertrouwde platte dozen van Ilford, Ilford fotopapier. Sammy Davis Junior staat erop geschreven. Of Guy Verhofstadt, die naast Edith Piaf ligt. Vreemd groepsgebeuren ook: Frank Zappa en Tom Waits sandwichen Ann Christy.

Dan ineens weer Herman die ons een soort plakboek onder de neus schuift. "Dit is me ook heel dierbaar", zegt hij. "Een vakantie in de buurt van de Mont Ventroux." We zien de vrienden opduiken aan volle tafels, naast een leeg zwembad. Hugo Claus, Kees van Kooten, Jan Vanriet, Eddy van Vliet. Hij bladert maar door, glimlach op het gezicht. Stopt bij een stilleven met Frans brood. "Onnozel hé", zegt hij, maar hij schaamt zich niet. "Ik weet niet waarom ik dit toon. Misschien omdat ik die mooie reeks met een soort wegwerptoestel trok, maar ook omdat ik besef dat een groot deel van de fotografie herinnering is, dierbaarheid, souvenir. Voor een fotograaf is het leven dat hij opmerkt en vastlegt ook dat waarin hij zelf rondloopt. Je bent fulltime fotograaf én je leeft fulltime. In dit boek vloeit het zo mooi ineen, vind ik. Maar op de tentoonstelling zul je het niet vinden. Dit blijft hier bij mij."

Van 1 juni tot 9 september in FotoMuseum Antwerpen, www.fotomuseum.be

Ik maakte de allereerste foto van The Ramones. Het was 's nachts, ik lokte hen naar buiten, ze durfden eerst niet. En daar stonden ze, bang kijkend naar de overkant. Je ziet het op de foto, ze scheten bijna in hun broek. De harde rock-'n-rollersNeem The Rolling Stones, met drummer Charlie Watts en zanger Mick Jagger. Prachtige artiesten hoor, daar niet van, maar ze hebben me soms mateloos geërgerd. Ik klopte op de deur en vroeg of ik foto's kon maken. 'No, get out.' Dat daverde even

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234