Zaterdag 21/05/2022

Steinway and sons

Zelf kan ik niet pianospelen. Daar hebben de Dames van Biervliet voor gezorgd. Piano leren was nochtans verplicht bij deze West-Vlaamse nonnen. Om de muziekliefde er in te hameren, hadden ze een lange gang ontworpen met aan weerszijden een vijftiental hokjes met elk een deur en daarnaast een groot venster. In elk hokje stond een piano, een krukje voor de leerling en een stoel voor de lerares. Tijdens de muziekles moesten we ons elk in een hokje terugtrekken en lesjes repeteren tot de lerares onze vooruitgang kwam controleren en ons een nieuwe oefening gaf. Je amuseren was niet toegelaten.

Zuster Vis, zo genaamd omdat ze tijdens het wandelen happende bewegingen maakte met haar onderkaak, moest daarop toezien. Ze patrouilleerde in de gang, speurend naar luieriken die even hun vingers lieten rusten of erger nog, tegendraadse leerlingen die meenden dat er toch wel meer uit het instrument te halen viel dan de oervervelende opgelegde oefeningetjes. Ik bijvoorbeeld dacht - volledig ten onrechte - dat ik de blues kon spelen. Zuster Vis haar straffen sterkten me alleen maar in mijn overtuiging. Het einde van mijn pianocarrière kwam toen de Opperdame van Biervliet me eruit bonjourde om redenen die niets met mijn muzikaal talent hadden te maken. Sindsdien heb ik geen piano meer aangeraakt. Ik ben wel gaandeweg meer naar pianomuziek beginnen luisteren. Blues natuurlijk, maar ook jazz en klassieke muziek.

Toen ik een tijd geleden in België was, was de Koningin Elisabethwedstrijd net bezig. Toms ouders volgden het wel en wee van de jonge pianisten op de voet. "Kijk", zei de trotse New Yorker in mij wat overbodig, de eerste keer dat ik meekeek, "hij speelt op een Steinway, die worden bij ons gemaakt." Alsof Toms vader en moeder al niet van kindsbeen af aan weten dat sommige van de beste piano's ter wereld in mijn stad worden gemaakt. 'Steinway and Sons' is al anderhalve eeuw een begrip in de pianowereld.

Ook de geschiedenis van dit New Yorks bedrijf begint met een ambitieuze immigrant, in dit geval Heinrich Steinweg, een pianomaker uit het Duitse Seesen. Steinweg kwam in 1850 naar New York en in 1853 richtte hij al een pianofabriekje op, samen met zijn kinderen Theodore, Doretta, Charles, Henry, William en Henry. De 'weg' in 'Steinweg' moest weg, want dat lag de Amerikanen niet zo goed in de mond, en dus veranderde de familie in 1866 haar naam in 'Steinway'. Vader en kinderen verhuisden in 1860 naar een enorme, moderne fabriek aan de 53ste straat en Park Avenue. De meesterbreinen achter de beroemde Steinway-piano's waren zonen Henry en Theodore. Ze combineerden de technieken van het pianobouwen van toen met hun eigen uitvindingen. Elke vleugelpiano die uit de fabriek in Manhattan rolde, was een meesterwerk van 40.000 onderdelen, het product van 300 ambachtsmannen. Jongere broer William was verantwoordelijk voor wat we vandaag de 'public relations' noemen. Steinway moest de reputatie van de beste piano ter wereld krijgen, zo nam hij zich voor, een symbool van succes en raffinement voor de middenklasse. De herkenning van een merknaam was net als vandaag cruciaal. De Steinway had alles, vond William: de allernieuwste technologie om de Amerikanen te imponeren en het cachet om de Europeanen te verleiden. William zorgde ervoor dat de Steinway-piano's voortdurend op alle mogelijke binnen- en buitenlandse tentoonstellingen te zien waren.

Het instrument kaapte de ene prijs na de andere weg. Op de Expositie van Parijs in 1867 kreeg Steinway de Gouden Medaille, en daarmee liet hij 400 andere pianomerken achter zich. Die triomf verschoof het centrum van de pianoproductie van Europa naar Amerika. In Amerika speelde William handig in op de ook toen al grote drang naar idolen. Voor dat doel liet hij een luxueuze concertzaal bouwen met een uitmuntende akoestiek en plaats voor 2.500 toeschouwers. "Toon een ster die op een Steinway speelt en iedereen zal zo'n instrument in huis willen halen", zo redeneerde hij. William betaalde zijn muzikanten goed, maar in ruil moesten ze zich onderwerpen aan een uitputtende concertagenda. De tournee die hij in 1872 voor de legendarische Russische pianist Anton Rubinstein had gepland, was zo zwaar dat Rubinstein na afloop zwoer dat hij geen voet meer in Amerika zou zetten. In New York draaide de zaak intussen op volle toeren. William kocht 160 hectare grond in Queens, want Steinway and Sons was dringend aan uitbreiding toe. Hij bouwde er een kolos van een fabriek, woningen voor zijn arbeiders, een kerk, een bibliotheek, een kindercrèche en zelfs een tramlijn. In 1890 maakte Steinway and Sons meer dan 2.300 piano's, de crème de la crème van de Amerikaanse piano-industrie die ruim 150.000 stuks per jaar produceerde.

William was er de man niet naar om in zijn zetel van zijn zakensucces te genieten. Hij bleef zijn product onvermoeibaar pushen. In 1891 haalde hij de populaire jonge Poolse pianist Ignace Paderewski naar Amerika voor zijn debuut. Paderewski moest 107 concerten afwerken in welgeteld 117 dagen. Hij had een fenomenaal succes maar speelde zijn rechterringvinger kapot. "U moet rusten", zegden de dokters, maar de pianist wilde en kon dat niet. Hij leerde dan maar met vier vingers spelen. Zijn ringvinger herstelde nooit meer volledig. Het zou Steinway een zorg wezen. Paderewski was een zeer goede investering geweest. Nog geen jaar later stond Paderewski terug in New York voor een tweede promotietournee voor Steinway. Deze keer werd hij in de watten gelegd. Hij trok door het land in een privé-treinwagon waar plaats was voor zijn secretaris, butler, pianostemmer, manager, chef-kok en twee dragers. In alle stations waar hij passeerde, stonden mensen naar hem te zwaaien. "Paderooski! Paderooski!", riepen ze, want 'Paderewski' was toch wel wat veel gevraagd. De pianist was verzot op zijn Amerikaanse publiek. "Ze stonden me op te wachten in hotels", zo zei hij later, "op de straathoeken en aan de concertgebouwen, met muziekpartituren in de hand." De tournee eindigde met een daverend concert op de Wereldtentoonstelling van Chicago.

William Steinway werd zo rijk en beroemd dat de vlaggen in New York halfstok werden gehangen toen hij in 1896 stierf. Steinway and Sons overleefde de Eerste Wereldoorlog, de crash van 1929, de concurrentie van de radio en de grammofoon, de Tweede Wereldoorlog, een overname door CBS en een tweede overname in 1990 door twee broers uit Boston, Robert en John Birmingham. De naam 'Steinway and Sons' siert nog altijd de prachtige winkel op de 57ste straat, niet ver van Carnegie Hall. Elk jaar worden er nog altijd 2.500 piano's verkocht.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234