Woensdag 01/02/2023

Steden van staal

In Eisenhüttenstadt zijn ze al van hun grootste schrik bekomen. Eko-Stahl moet van Arcelor slechts één kleine hoogoven inleveren. Maar helemaal gerust zijn er bij IG Metall niet op. Arcelor, zegt de vakbondsman, spreekt met een dubbele tong. Dat hebben ze bij moederbedrijf Cockerill-Sambre ook ondervonden. Beloftes om de twee Luikse hoogovens te moderniseren, blijken weinig meer dan vodjes papier. Nog drie jaar hebben de hoogovens te gaan, daarna dooft het vuur en valt het doek over de siderurgie aan de oevers van de Maas. Vakbonden zetten alle hens aan dek om Arcelor op zijn uitdoofscenario te doen terugkomen. Maar tegen wie moeten ze betogen? Amerikaanse pensioenfondsen liggen niet wakker van de Luikse métallo's.

Erik Raspoet

Foto's Tim Dirven

Maandagavond, Eisenhüttenstadt. Met een zucht van opluchting halen we de handrem aan. Aken, Dortmund, Hannover, Berlijn, Frankfurt an der Oder, we hebben negenhonderd kilometer Autobahn gevreten. De drijfveer van deze dolle rit is allesbehalve nobel. Eisenhüttenstadt leek ons de ideale bestemming voor een weekje rampenjournalistiek. Drama en paniek leken gewaarborgd door het ophefmakende vonnis van Arcelor. De grootste staalgroep ter wereld kondigde op vrijdag 24 januari aan geen euro meer te investeren in Europese hoogovens die niet aan een zeehaven liggen. In Wallonië sorteerde het nieuws meteen consternatie. Het voornemen betekent immers het einde van de siderurgie in Luik. De twee hoogovens in Seraing moeten binnen de vier jaar gemoderniseerd worden. Vijfduizend banen staan op de tocht in een regio die nu al met gierende werkloosheid kampt. Een catastrofe, zonder twijfel, maar wat moeten ze dan niet zeggen bij Eko-Stahl in Eisenhüttenstadt? Ook voor Eko-Stahl heeft Arcelor een sluitingsscenario klaar. Tegen 2006 zouden ook hier de ovens worden gedoofd. Dat is niet alleen een doodvonnis voor de staalfabriek. Eisenhütten betekent letterlijk ijzersmelterij, alles draait hier rond cokes, ijzererts en vloeibaar staal. In 1949 besloot DDR-leider Walter Ulbricht tot de bouw van het Eisenhüttenkombinat Ost (EKO). De inplanting nabij het dorpje Fürstenberg an der Oder lag voor de hand. Via de grensrivier konden steenkool uit Polen en ijzererts uit Rusland worden aangevoerd. Ook militair-strategische overwegingen speelden in die Koude Oorlogsjaren een rol. Amerikaanse vliegtuigen hadden een kwartier nodig om de staalfabriek diep in het Oost-Duitse hinterland te bereiken, tijd genoeg om luchtafweergeschut in stelling te brengen. Tezamen met de fabriek werd een compleet nieuwe stad gebouwd. Anno 1989 telde Eisenhüttenstadt 52.000 inwoners, van wie ruim een kwart in de staalfabriek werkte. Na de val van de Muur braken woelige tijden aan. De met de privatisering van de Oost-Duitse economie belaste Treuhandanstalt zocht tevergeefs naar kandidaat-overnemers. Intussen ondergingen de arbeiders van Eko-Stahl een stoomcursus vakbondsactivisme. Betogingen, stakingen, petities, het stadstheater werd twee maanden lang bezet om de redding af te dwingen. Hoop en ontgoocheling wisselden elkaar af. Eerst toonde het Duitse Krupp interesse, daarna stond het Italiaanse Riva in de rij. Telkens weer sprongen de onderhandelingen op het laatste nippertje af. Net toen een definitieve sluiting nabij leek, daagde alsnog een witte ridder op. Cockerill-Sambre, dat onder impuls van de Franse crisismanager Jean Gandois uit een diep dal was gekropen, zag in Eko-Stahl een gedroomde partner om nieuwe markten in Oost-Europa te veroveren. Na de overname eind 1994 volgde een grondige modernisering die met een forse inkrimping van het personeelsbestand gepaard ging. Vandaag telt Eko-Stahl nog maar 3.250 werknemers, gewezen staatsarbeiders die in de wereld van het globale kapitalisme al aan hun derde fusie toe zijn. In 1998 immers verkocht het Waalse gewest Cockerill-Sambre met zijn Duitse dochter aan het Franse Usinor, dat nauwelijks drie jaar later zelf opging in een megafusie met het Luxemburgse Arbed-Sidmar en het Spaanse Arcelaria om de grootste staalproducent ter wereld te vormen.

Hotel Berlin is een zielloze blokkendoos die haar drie sterren met een overdosis marmer probeert te wettigen. De receptioniste draagt een zwarte pruik, ze heeft al Belgen zat gezien. Tientallen experts van Cockerill-Sambre hebben hier gelogeerd, sommigen wel een jaar lang. "Dit hotel leeft van de staalfabriek", zegt ze. "Net zoals de rest van de stad. Ik mag er niet aan denken wat hier gebeurt als ze de hoogovens stilleggen." Als welkomstgeschenk krijg ik een exemplaar van de Märkische Oderzeitung. Angst en onzekerheid zetten de toon. Een regionaal parlementslid van het CDU roept op tot actie. We mogen niet als bange konijnen voor de lichtbak wachten op het fatale schot, klinkt het in de maandagkrant. Haar grote vrees: de verdere ontvolking van een regio waar de werkloosheid nu al de pan uitswingt. Het verlies van Eko-Stahl zou voor de deelstaat Brandenburg inderdaad de doodschop betekenen. Industrie is er nauwelijks, de staalfabriek is trouwens veruit de grootste werkgever tussen Berlijn en Dresden. "Als Eko op de fles gaat, kunnen wij ook wel sluiten", zegt Zoran. "Dan is alle moeite voor niets geweest." We hadden wat lukraak gekozen voor het Joegoslavische restaurant in de Rosa Luxemburgstrasse. Een goede keuze, want de ontvangst is hartelijk. België, daar bewaren Zoran en Vera uit Belgrado goede herinneringen aan. Als profvoetballer heeft hij bij tweedeklasser Beringen enkele mooie seizoenen beleefd. Zijn carrière eindigde echter in de DDR-competitie, waarvan hij de allerlaatste jaargang bij FC Stahl in Eisenhüttenstadt heeft meegemaakt. Na het laatste fluitsignaal zijn ze blijven plakken en hebben ze het bij elkaar gevoetbalde spaargeld in de horeca geïnvesteerd. Vanavond zijn wij de enige klanten. "De zaken gaan slecht", sombert Zoran. "De mensen hebben geen geld om uit eten te gaan. Wie de kans ziet, trekt weg naar het Westen. Sinds de Wiedervereinigung heeft Eisenhüttenstadt al meer dan tienduizend inwoners verloren." Na de slivovitsj van het huis, trakteert hij ons ook nog op een nachtelijke rondrit in een stad die alle kwalen van het Oostblok verenigt. Kaarsrechte boulevards en veel groen, een theater en een fontein, de centrale stadsplanners hebben aan alles gedacht, behalve aan gezelligheid. De leegstand springt in het oog. Hele wijken vol uitgeleefde woonkazernes wachten op de sloop, er wordt afgerekend met het DDR-verleden. Zoran zet koers naar de staalfabriek, die een stad op zichzelf vormt. Verboden voor onbevoegden, we kijken kilometerslang door de afrastering naar de helverlichte installaties. Tot besluit zetten we koers naar het stadium van FC Stahl, ooit het uithangbord van Eko-Stahl. "Plaats voor twaalfduizend toeschouwers", zegt Zoran. "Tegenwoordig komen er op zondag nog een stuk of tweehonderd, Stahl speelt nu in vierde klasse."

Een nieuwe morgen, een nieuwe krant, en een nieuw geluid. In plaats van angst en onrust spreekt vandaag uit de kolommen van de Märkische Oderzeitung opluchting. Arcelor heeft na een weekend vol wilde geruchten de puntjes op de i gezet. Alleen de kleine hoogoven van Eko-Stahl wordt tegen 2006 gedoofd, een operatie die maximaal 250 arbeidsplaatsen zal kosten. De veel grotere en modernere oven 5A blijft draaien en wordt in 2010 zelfs gemoderniseerd. Want, zo beklemtoont een woordvoerder vanuit het verre Luxemburg, Eko-Stahl is meer dan ooit een speerpunt in de groepsstrategie voor Oost-Europa. Hallo? Zijn we daarvoor helemaal uit België gekomen? Vakbondsman Holger Wachsmann nuanceert de sussende berichten. "We zijn er helemaal niet gerust op", zegt hij. "Arcelor heeft gisteren inderdaad verklaard dat alleen de kleine hoogoven dicht gaat. Maar dat ze de grote gaan moderniseren zoals de kranten schrijven? Het eerste dat ik ervan hoor." Nochtans is Wachsmann bij Eko-Stahl niet de eerste de beste. Behalve leider van eenheidsvakbond IG Metall is hij ook voorzitter van de Betriebsrat, het orgaan dat de hoeksteen vormt in het Duitse systeem van medebeheer. Via de Betriebsrat voeren management en vakbond de dagelijkse bedrijfsleiding, ze gaan gezamenlijk over gevoelige thema's als loonschalen, vakantieregelingen, veiligheidsvoorzieningen en overuren. Het systeem waarborgt doorgaans een duurzame sociale vrede. Toch zou Holger Wachsmann in de toekomst zijn vakbondspetje nog nodig kunnen hebben. "Echt vertrouwen doe ik het zaakje niet", zegt hij. "Arcelor spreekt met een dubbele tong. Tegenover de pers verklaart een woordvoerder dat ze onze grote hoogoven willen moderniseren. Maar hoe valt dat te rijmen met het strategisch plan van 24 januari? Geen euro meer voor de continentale hoogovens, dat heeft de top van Arcelor klaar en duidelijk gezegd. Ten andere, het sluiten van onze kleine oven is geen goede zaak, het ondermijnt onze rentabiliteit. Het is een technische zaak. Die oven is wel oud en klein, maar hij draait goedkoop omdat hij deels met plastiekafval wordt gestookt." IG Metall beraadt zich nu over de toekomst van Eko-Stahl, maar acties zijn er niet gepland. "2006 is nog lang", zegt Wachsmann. "We willen geen paniekstemming creëren door onbezonnen acties, er is zo al onrust genoeg in Eisenhüttenstadt. Maar reken maar dat we waakzaam zullen blijven."

De kleine hoogoven van Russische makelij krijgen we niet te zien, wel de 84 meter hoge smelterij die in 1997 door specialisten van Cockerill-Sambre werd gebouwd. Ik voel me als Koning Albert op bedrijfsbezoek. Snappen doe ik het allemaal niet, maar met een begrijpende blik en ondersteunende geluidjes gebaar ik wel alsof. Het is voor een leek ook niet te bevatten. Neem nu zo'n warmwalserij, een installatie zo lang als een piekuurtrein. Met de regelmaat van een klok valt onder een oorverdovend lawaai een braam op de rolband, vers uit de staalgieterij. Wat er vervolgens met dat roodgloeiende blok ruw metaal gebeurt, kan alleen als industrieel ballet worden omschreven. Het gevaarte van bijna dertig ton raast over de rollen, wordt vervolgens geplet tussen twee gigantische cilinders, waarna het weer stroomopwaarts op de rolband wordt gestoten. Water stroomt over het gloeiende staal, er ontstaan gigantische stoomwolken. Dat spel van aantrekken en afstoten herhaalt zich tot het blok de vorm heeft aangenomen van een millimeterdunne maar nog altijd roodgloeiende plaat, die op het einde van de walserijband op een spoel wordt gewikkeld met een gemak alsof het een klos garen was. Geen mens komt eraan te pas, alles wordt gestuurd vanuit enkele met computerschermen volgestouwde aquaria hoog in het dak van de immense fabriekshal. Reeds in de jaren zestig droomde Eko-Stahl van een warmwalserij, maar geld en knowhow ontbraken. Gevolg: de halffabrikaten moesten honderden kilometers ver naar een walmwalserij in Rusland worden getransporteerd alvorens de koude afwerking in Eisenhüttenstadt kon aanvangen. Het retourtje was niet alleen tijdrovend maar ook energieverslindend, want bij aankomst in de warmwalserij moesten de afgekoelde bramen opnieuw worden verhit. Pas in 1997 werd de hiaat in het productieproces door Cockerill-Sambre opgevuld. De met Waalse spitstechnologie gebouwde warmwalserij is een van de modernste ter wereld. Hetzelfde geldt trouwens voor de al even indrukwekkende galvanisatielijn, goeddeels gerealiseerd door Cockerill-dochter CMI en behept met een prijskaartje van 195 miljoen euro. Slechter is Eko-Stahl van de fusie met de Waalse staalgroep niet geworden. Met Belgische kredieten werd Eisenhüttenstadt van een zieltogende fabriek omgeturnd in een hypermoderne, volledig geïntegreerde plant die onder meer Volkswagen in Wolfsburg met hoogwaardig plaatstaal bevoorraadt. Natuurlijk had Cockerill-Sambre daar zelf belang bij, de prestaties van Eko-Stahl droegen bij tot de rentabiliteit van de groep. Onder Arcelor echter werd de moederband genadeloos verbroken. Eko-Stahl geldt nu als een referentie om Cockerill-Sambre als de minst winstgevende onder de continentale sites te brandmerken.

Woensdagmorgen. Een gure wind scheert over de Maas, het regent pijpenstelen uit een asgrijze hemel, alsof de elementen samenspannen om het contrast met Eko-Stahl extra in de verf te zetten. Overbodige moeite, want het doet zo al pijn aan de ogen. Van een geïntegreerd productieproces is hier geen sprake, de Luikse siderurgie is organisch gegroeid. Nergens kan men dat beter vaststellen dan in de rue de Boncelles in Seraing. Immense pijpen vreten zich door de smalle straat, ze verbinden twee stukken staalfabriek die allang opgehouden hebben te bestaan. Overal in Seraing lopen van die pijpen, ze vormen de visgraat waaraan het stadsweefsel is gegroeid. Sommige pijpen zijn nog in gebruik, ze transporteren een of ander gas of vloeistof die aan het chemische mirakel van de staalnijverheid te pas komen. Meestal echter zijn ze nutteloos, even nutteloos als de lege fabrieken die aan de Maasoever schilderachtig staan te vervallen. Opbeurend is het zicht niet, behalve voor liefhebbers van industriële archeologie. Het rijke patrimonium is de erfenis van vier decennia van fusies en overnames in de Luikse siderurgie. Overbodige installaties werden geliquideerd, maar de schoorstenen bleven overeind. Uit dat proces is de huidige groep Cockerill ontstaan. Het bijvoegsel Sambre laten we hier bewust achterwege. Dat slaat immers op het bassin van Charleroi dat met het Luikse bekken werd samengevoegd nadat de overheid in 1981 de controle over het Waalse staal had overgenomen. Madame Ertveld houdt ons in de rue de Boncelles staande, ze is een Brusselse die nog perfect Vloms spreekt. "Die spoorweg", zegt ze, "die ging in 24 uur wel tweehonderd keer open en dicht. Constant passeerden er treinen met fonte uit de hoogoven op weg naar de staalmakerij, dwars door Seraing. De fonte werd in open kuipwagons getransporteerd, er kwamen gloeiende dampen uit. In sommige straten passeerden die wagons op een halve meter van de huizen." Het begint te gieten, we schuilen in de krantenwinkel waar zowat alle klanten wel iets hebben met staal, meestal een glorieus maar voltooid verleden. Neem nu de 63-jarige Emile Grosjean. Toen hij in 1961 van de mijn naar het staal overstapte, kon hij nog kiezen. Luik telde nog zes hoogovens. Cockerill was toen al de grootste, maar er waren nog belangrijke spelers zoals Espérance-Londoz en Marihaye-Ougrée. In die tijd verschafte het Luikse staal nog werk aan zestigduizend arbeiders, vandaag nog aan een goede vijfduizend, indirecte arbeid buiten beschouwing gelaten. Emile koos voor Cockerill en debuteerde in de fabrique de fer in Seraing, de staalmakerij waar het gesmolten ijzererts door oxidatie van ongewenste bestanddelen wordt gezuiverd. De fabrique de fer werd gesloten, en Emile verhuisde naar de warmwalserij van Seraing, die enkele jaren later ook werd gesloten. Het zou een constante worden in zijn carrière. Uit de derde sluiting raakt hij nog altijd niet wijs. Valfil was een gloednieuwe warmwalserij, de modernste van haar tijd. Drie jaar heeft ze op halve kracht gedraaid, toen werd ze verkocht aan de Chinezen, die de installatie tot de laatste bout hebben afgebroken. "Nu draait ze in China", zegt Emile. "Ik heb ze onlangs op de televisie gezien. De Chinezen maken er grote winst mee." Zijn pensioen heeft hij bereikt in Chertal, een gehucht van Herstal waar Cockerill nog altijd een belangrijk imperium heeft. Chertal, zo hoor je vaak zeggen, is de achilleshiel van het Luikse staal. Want hoe maken ze bij Cockerill staal? De cokesfabriek waar steenkool wordt verrijkt, de agglomération waar het ijzererts wordt geprepareerd, de twee hoogovens, het zijn stuk voor stuk reusachtige fabrieken die samen de fase van de Coke-Fonte vormen. Echt aaneensluiten doen ze niet, maar ze liggen tenminste allemaal op het grondgebied van Seraing. Met de nodige spoorlijnen, pijpleidingen en transportbanden werd samenhang in het zootje gebracht. Het probleem rijst in de volgende stap van het productieproces. Het gesmolten ijzererts verhuist niet zoals bij Eko-Stahl in één beweging naar de staalmakerij om de hoek. Nee, het wordt in thermische wagons gegoten en vierentwintig kilometer ver naar Chertal getransporteerd, waar het staal wordt gezuiverd, in bramen gegoten en gelamineerd. Als de warme fase achter de rug is zet het konvooi zich opnieuw in beweging, in omgekeerde richting. De koude afwerking vindt plaats in Tilleur, Flemalles of Ramet, naargelang het soort product. Een ton afgewerkt Luiks staal heeft gemiddeld elf transportbewegingen achter de rug.

Het ene vakbondslokaal is het andere niet. De zetel van het socialistische FGTB, gelegen rechtover de hoogoven B van Seraing, lijkt in niets op het cleane bureau van de Betriebsrat. De sigarettenrook valt te snijden, aan de muren hangen Waalse hanenvlaggen te midden van militante affiches en naaktposters. De houten trappen kraken onder het gewicht van zware laarzen. Sinds Arcelor vorige week zijn tijdbom op scherp zette, is het hier een echte duiventil. Niet alleen arbeiders komen verhaal zoeken, ook gepensioneerde métallo's en sympathisanten springen binnen om hun solidariteit te betuigen. Een hoge vakbondsdelegatie is vanmorgen naar Namen getrokken, om steun te zoeken bij de Waalse regering. Officieel zitten politiek en bonden op dezelfde golflengte. Ze verwerpen gezamenlijk de investeringsstop en eisen dat Arcelor de akkoorden naleeft die in 1998 met Usinor werden getekend. Daarin engageerde de Franse staalreus zich onder meer voor de modernisering van de Luikse hoogovens. In vakbondskringen is echter ook bittere kritiek aan het adres van de politici te horen. De destijds alom bejubelde verkoop aan Usinor voor 450 miljoen euro komt nu immers in een nieuw daglicht te staan. De toenmalige Waalse premier Collignon heeft zich laten rollen, kun je links en rechts horen. Vooral de boeteclausule waarop Arcelor zich nu beroept om aan zijn investeringsplicht te ontkomen, wekt veel gramschap op. Wat is een boete van 20 miljoen euro voor een concern als Arcelor? Een peulenschil, niks meer.

"We voelen ons bekocht", zegt Jean-Claude Lavoine, de FGTB-verantwoordelijke voor de Coke-Fonte. "De voorbije jaren hebben we de ene herstructurering na de andere meegemaakt. Eerst moesten we Horizon 2000 slikken om Usinor te lijmen, goed voor tweeduizend afvloeiingen. Daarna kwam het Plan Delta, een combinatie van investeringen en afvloeiingen om de rentabiliteit op het niveau van de maritieme sites te brengen. De afslanking is al doorgevoerd, maar het investeringsprogramma is nog lang niet voltooid. De vraag is of het er nog van komt. De hijskranen van de cokesfabriek zijn tot op de draad versleten, we hebben 2,5 miljoen euro nodig om ze te vervangen. Welke onderaannemer gaat zich nog aan zo'n investering wagen nu Arcelor onze dagen geteld heeft? Zo kan ik voorbeelden zat geven. Als je niet investeert in een staalfabriek, gaat de rentabiliteit op de duur vanzelf achteruit. Al wil ik hier meteen een kanttekening bij maken. Akkoord, de verspreiding van de productiefases is een structurele handicap. Toch is onze rentabiliteit niet lager dan die van pakweg Solanges in de Franse Elzas. Maar wat zien we? Terwijl Luik binnen drie jaar dicht moet, krijgt Solanges nog tot 2009 uitstel. De Fransen maken zich trouwens niet druk, die rekenen op politieke steun om de boel open te houden. Francis Mer, de gewezen PDG van Usinor, is nu minister van Economie en Financiën, die zal de sluiting wel tegenhouden. Helaas moeten wij het zonder politieke zwaargewichten zien te rooien."

Wie Cockerill wel in de strijd kan gooien, is Jean Gandois. De gewezen Franse crisismanager zei niet nee toen de Waalse minister van Economie Serge Kubla hem polste. De 71-jarige Gandois zal zijn immense expertise aanwenden, in de hoop een kandidaat-overnemer voor Cockerill-Sambre te vinden. Het kan vreemd lopen. Twintig jaar geleden was Jean Gandois met voorsprong de meest gehate man van Luik en Charleroi, hij was de slager met de hakbijl die speciaal uit Frankrijk was geroepen om een sociaal bloedbad aan te richten. Vandaag looft vakbondsman Jean-Claude Lavoine hem als de redder van Cockerill-Sambre, de wonderdokter die de boom heeft gered door de dode takken te snoeien. Maar ja, de wereld is in die tijdspanne wreed veranderd. Twintig jaar geleden trokken woedende staalarbeiders een spoor van vernieling door het centrum van Brussel. Maar wat gebeurde er vorige vrijdag na de jobstijding van Arcelor? Nooit eerder werd een zo duidelijk doodvonnis over het Luikse staal uitgesproken. En toch bleef alles rustig in Luik. Niet dat ze bij de vakbonden de armen laten zakken. Volgende week komt er een vierentwintigurenstaking. Er wordt betoogd voor het standbeeld van John Cockerill, alle winkels van Seraing blijven de hele dag dicht. "Maar wilde acties zijn uit den boze", zegt Jean-Claude. "Daarmee leggen we ons hoofd zelf op het kapblok. We mogen het Arcelor niet te gemakkelijk maken." Het begrip globalisering kan hier niet langer achterwege blijven. Het is Alain Godin, vakbondsman uit Chertal, die het thema aansnijdt zonder het bij te naam te noemen. "Tegen wie moet je als vakbond nog betogen", vraagt hij zich af. "Het patronaat heeft geen gezicht meer. Want wie is Arcelor eigenlijk? De managers zitten in Luxemburg, maar de echte bazen kent niemand. Het meeste kapitaal is in handen van beleggers zoals Amerikaanse pensioenfondsen. Je kunt toch niet betogen tegen een Amerikaans pensioenfonds." Op solidariteit van de andere bedreigde Arcelor-vestigingen rekenen ze nauwelijks. "Dat is verleden tijd", zegt Alain somber. "Het is nu ieder voor zich." Ook burgemeester Guy Mathot heeft de mouwen opgestroopt. De sluiting van de hoogovens zou een ramp zijn voor Seraing, en niet alleen omdat de gemeente jaarlijks 7,5 miljoen euro aan taksen uit het staal int. Een kwart van de actieve bevolking werkt bij Cockerill, zonder het personeel van de 52 in Seraing gevestigde toeleveranciers mee te tellen. Geen geruststellende cijfers voor een gemeente die nu al 20 procent werklozen telt. Toch predikt het gewezen PS-kopstuk realisme. "De Luikse siderurgie heeft geen eeuwig leven", zegt hij aan de telefoon. "We moeten aan het poststaaltijdperk durven denken. Seraing heeft troeven, we hebben bloeiende industriezones met hightech, we liggen vlakbij de luchthaven van Bierset. Maar we hebben tijd nodig om aan de reconversie te werken. Daarom is de timing van Arcelor onaanvaardbaar. Floranges krijgt tot 2009 respijt, dat is een minimum."

Jean Gandois staat er niet alleen voor. Een aantal gepensioneerde directeurs van Cockerill-Sambre hebben hun gewezen baas hun diensten aangeboden. Over de business hoeven ze hem niets te vertellen, maar als er technische vragen rijzen, staan ze paraat. Paul Bruyère, een van de leden van het steuncomité, woont in een directeurswoning in de reu Pastor. Vanuit zijn woonkamer kijkt hij aan tegen hoogoven 6, die voor hem geen enkel geheim heeft. Bruyère was jarenlang directeur van de 'chaud', zijn gezag strekte van de cokesfabriek tot de warmwalserij. Mag hij trouwens iets rechtzetten? "De afstand tussen Seraing en Chertal is niet zo belangrijk", zegt hij. "Goed, het transport genereert extra kosten. Maar daar staat tegenover dat wij in de staalmakerij minder schroot moeten toevoegen om de temperatuur te drukken. Natuurlijk zal Arcelor de verspreiding van Cockerill dik in de verf zetten, ze hebben er alle belang bij om ons als een verouderde, onrendabele fabriek af te schilderen. Maar laat je niks wijsmaken. Van de buitenkant zien onze fabrieken er afgeleefd uit, maar binnen zijn ze hypermodern, even modern als die van Eko-Stahl." Bruyère kan de vergelijking maken, want hij heeft een jaar lang aan de nieuwe hoogoven van Eisenhüttenstadt gewerkt. Dat Eko-Stahl nu gebruikt wordt als stok om Cockerill mee te slaan, dat noemt hij de ironie van de geschiedenis. "Met Sidmar in Gent is het ook zo gelopen", zegt hij. "Sidmar is een maritieme vestiging, de meest rendabele van de hele Arcelor-groep. En wie heeft Sidmar in de jaren zestig gebouwd? Cockerill, dat tot in de jaren tachtig een kwart van de aandelen van Sidmar controleerde. Toen het Waalse staal eind jaren zeventig een miljard per maand verloor, heeft Martens ons verplicht die aandelen te verkopen. Dat was een grote stommiteit."

Aan de periode in Eisenhüttenstadt houdt hij gemengde gevoelens over. De dankbaarheid voor de Belgische inbreng groeide maar langzaam. Eerst was er vooral veel wantrouwen en taalverwarring. "Die Germanen hebben toch wel een andere mentaliteit dan ons Latijnen", zegt hij. "Zeer star, alles moet volgens het boekje. Maar bij de Duitsers is een gegeven woord heilig. Bij Fransen ligt dat anders, die durven hun voeten te vegen aan gemaakte afspraken. Hadden we in 1998 een akkoord gesloten met het Duitse Krupp of Thyssen in plaats van met het Franse Usinor, dan zaten we nu niet in de puree."

Na deze cultuurfilosofische bespiegelingen maken we een ommetje via de rue Ramoux, wereldberoemd dankzij de gebroeders Dardenne. De voorkeur van de cineasten is makkelijk te begrijpen. In de rue Ramoux spat de misère letterlijk van de gevels. De korte straat duikt steil naar beneden, recht naar de hoogoven die hier een verpletterende indruk maakt. Stil is het hier nooit, de nabranders van de schoorstenen maken een hels kabaal. De rue Ramoux is typisch zo'n straat waar 's namiddags bejaarde vrouwen in nachtjapon in hun deurgat staan. Of een mens zo'n lawaai gewoon kan worden, vraag ik aan een van hen. "Ik hoor dat graag", antwoordt ze. "Zolang er lawaai is, is er werk."

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234